Dromen
1983-03-04
In mijn leven zijn er bepaalde dromen, die regelmatig terugkeren.- Jaargang 27
- nummer 9
Vaak heeft dat te maken met de oorlog 1940-1945. Dat zal wel niet zo vreemd zijn voor iemand van mijn generatie. En ik hoef niet aan een van de priesters van de psychiatrie te vragen wat dat toch wel te betekenen heeft.
Soms droom ik ook over de kerk.
Het nare en ontdekkende is dat dromen over de kerk toch nachtmerries zijn. Dat dromen over de oorlog nachtmerries zijn is wel vanzelfsprekend. Maar over de kerk!
Nu, een droom over de kerk kreeg ik in de nacht die volgde op de dag van het overlijden van Professor Kees Veenhof. Het was een hele nare droom. Ik was blij dat ik wakker werd. Ik droomde dat alle mogelijke mensen, die me lief en dierbaar waren, zeiden dat ze nooit meer in de kerk wilden komen en ook dat ze vooral niet meer bij mij wilden komen. Mijn praatjes over klassiek-gereformeerd waren ze spuugzat.
Ook voor deze droom hoefde ik niet op reis om te gaan vragen naar het hoe en wat. Ik was die dag bezig geweest met Professor Veenhof.
Met zijn leven. Het zijne en het mijne hebben wat de kerk betreft een gelijk patroon vertoond, zij het op een verschillend niveau.
De hoerastemming van de Vrijgemaakten heb ik nooit gekend. De Heer zij geprezen. De Gereformeerde Kerken waren me te dierbaar en te veel gereformeerde mensen bleven maar waar te zaten.
Ik ben altijd dankbaar geweest dat God me de moed heeft gegeven om me vrij te maken. Maar het was wel een droeve noodzakelijkheid.
Voor dit gevoelen kon ik terecht bij Prof. Veenhof. Hij kende dat. Hij was liever als Jeremia die weende over de puinhopen van Jeruzalem dan als iemand die tegen de puinhopen aantrapte. Maar puinhopen waren het en zijn het.
Iets dergelijks overkwam me weer aan het einde van de zestiger jaren.
Maar het overkwam Veenhof en Jager in Kampen in een verhevigde mate. Iets van die moeite en dat verdriet heb ik gezien bij Veenhof.
En ik onderging het zelf. Dat is dus de verklaring van mijn droom.
Niet zo vreemd.
Maar het bracht me wel weer alle pijn te binnen. Men heeft wel eens gesproken over wat erger is: bloedige of niet-bloedige vervolgingen.
Ik denk dat zo iets niet te beslissen is. Het is maar goed ook dat we het zelf niet kunnen beslissen. We zouden toch maar verkeerd kiezen.
Maar wel is zeker: Gods vervolgde kinderen, waarvan Veenhof er één was, hebben het meest te lijden gehad van medechristenen. Niet van Hitler heeft Shrilder het meest geleden, maar van de Gereformeerde Kerken. Niet van Rooms-Katholieken of Hervormden heeft Veenhof geleden, maar van gereformeerde mensen, die zijn profetisch spreken niet langer konden verdragen. Wie zou niet wenen! Maar ik kan niet laten te dagdromen over de eenheid van de klassiek-gereformeerden.