Het zwarte schaap
1983-03-04
Dit wordt geen leuk verhaal.- Jaargang 27
- nummer 9
Elke boer heeft wel eens een zwart schaap. Elke familie wel een lid, waarvoor men zich geneert. Elk fatsoenlijk dorp heeft zijn out-cast, zijn verworpeling, Zo ook ons dorp. Door en door fatsoenlijk, maar met een enkele verloren zoon, van wie men het beste hoopt.
Ons zwarte schaap heette Rab. Verloren, verdreven of weggelopen uit Ierland. Een wondere figuur. Geen werk te vuil en geen boodschap te ver. Aan onze weg, heel aan het verre eind, woonde hij in bij Dougie, een oud-politieman. Je wist nooit of die oude een wakend oogje op Rab hield, of hem als knecht in dienst had, of hem gewoon niet kwijt kon raken. Kwam je op zaterdagmorgen bij de brigadier om groente, dan kon je Rab aantreffen: in de keuken, hangend op twee stoelen of gewoon op de grond. Meestal bezig zijn kater met bier weg te werken. Dougie vond het niet leuk, als wij zijn huisgenoot zo in kennelijke staat aantroffen en troonde ons gauw mee naar de groentetuin.
Inlichtingen kon je niet loskrijgen: wie Rab was, waarom hij altijd op vrijdagavond zijn weekloon verdronk en of we hem daar samen niet van af konden krijgen. Rab was een Ier (zijn naam zei het trouwens aI) en Rab was zoals hij was: gewoon Rab. Maar verder een vrolijke, ongeschoren, onverzorgde vrijgezel tegen de zeventig, meestal op de trekker, met een kar vol mest achter zich, of werkend op het land, groenten verbouwend voor zijn baas, of bezig met een karwei voor Andy, of voor het hotel, voor een verhuizing of wat ook.
In de kerk zag je hem zelden. Eigenlijk alleen op een begrafenisdienst waar receptie en vrij drinken op volgen. Rab zou geen vlieg kwaad doen, had een vreedzame dronk over zich, maar zijn deugden konden op een postzegel worden genoteerd.
Kwamen we op vrijdagavond eens laat thuis, dan zei H.K.H. - bij het rondje om de kerk - voorzichtig aan, denk om Rab. En ja, dan stond hij daar ineens midden op de weg, in zeer kennelijke staat, niet wetend of hij rechts of links moest vluchten en tenslotte maar beide armen opstekend in een gebaar van: ik geef me over, spaar mijn leven zo mogelijk. En dat deden we maar al te graag.
Enkele keren kon ik hem in de auto laden en thuis afleveren. Ik had dat anderen zien doen en ook mij lukte het. Dan vroeg hij: hoe wist je nou dat ik hulpeloos aan de weg zat? - Of kwam je hier zo maar langs? - Wie ben je ook weer? - Ik ken je toch? - Je brengt me wel vaker thuis, niet? - Ben jij mister Soandso? - Ben je dan Lord Huppelepup? - Hoe heet je huis dan? - En eindelijk, triomfantelijk: jij bent mister Meilo, ja?
Zo was de orde van Rab: vijf dagen werken, een dag dronken en een dag van berouw-hebben. Daarna van voren af aan. Vijf dagen werken, op vrijdagavond scheren en verkleden - en dan vol moed naar het dorpscafé om het weekend te vieren.
Eens hebben we bij de kerkingang Rabs complete kleding aangetroffen: een zwarte jas, een zwarte broek, een witte broek, een borstrok, twee kapotte sokken, twee laarzen en een vuil hemd. Alles aan het prikkeldraad van de pastorietuin - en het was niet de maat van onze dominee. Het spul heeft er wel enkele dagen gehangen, voor we Rab weer te zien kregen.
--0--
Er is een tijd geweest, waarin drankmisbruik een volkskwaal in Nederland was. Op de postkantoren hingen 'leuzen als: "laat niet het weekgeld, zuur verdiend nog pas, verdrinken in 't jeneverglas." Of een plaat van een klein meisje, dat haar vader uit de kroeg trachtte te tronen, met het onderschrift: "ach vader, niet meer." Waarbij ach altijd in acht werd verbeterd.
Door wijze lieden werd wel eens geconstateerd: dat gereformeerden goede mensen waren, maar dat ze alleen wat moeite hadden met het jeneverglas en het invullen van hun belastingaangifte. De schrijver N. Baas (precies, die van 'Even parkeren' in de oude Reformatie) kon het niet nalaten, van tijd tot tijd een hartige boodschap weg te geven aan de beschaafde drinkers, die hij onder de mannen-broeders scheen te kennen. En eenmaal is zulk een waarschuwing in kabinetformaat tot in de hoogste gereformeerde kringen doorgedrongen. Als een bom!
Dat was bij het eerste grote V.U.-jubileum. In vele toespraken werden de naam en de deugden van dr Abraham Kuyper geroemd en die waren vele. Een jong jurist deed dat op zijn wijze. Hij vertelde dat zijn vader een goede man was geweest, maar een die meestal gebukt ging onder het feit, dat hij eens tot dronkenschap was vervallen: op het jaarlijkse feestavondje van het waterschapsbestuur. Dat schuldgevoel duurde ongeveer tot het nieuwe jaarfeest je in het zicht kwam. Maar dan zei hij: moeder, het kon wel eens laat worden, je moest maar op tijd naar bed gaan. En dan kwam vader - zeer laat en zeer dronken - thuis, vol schaamte en berouw. Dat duurde zo ongeveer een jaar, totdat, enz.
Zo'n gezinsdrama van strijd, drinken en berouw was door Kuyper opgelost, zo speechte onze jonge jurist. Kuyper, die zo veel goeds had gedaan, had ook de nood van dit gezin weggenomen. Hij had namelijk geschreven: dat niet bij de chocoladeketel, maar bij de champagnefles het calvinisme zou groeien en bloeien. Het was zijn verweer geweest tegen degenen, die uit hun armoedje hadden bijgedragen aan een eigen hogeschool, maar die het gebruik van champagne bij de openingfestiviteiten hadden afgekeurd.Dus champagne of jenever: gereformeerden hoefden zich niet meer schuldig te voelen. De feiten liggen vast in de oude jaargangen van De Heraut.
--0--
Vroeger heb ik een zogenaamde kwartaaldrinker gekend. Een nette, oppassende man, ijverig en zakelijk, een goede echtgenoot en fijne vader. Maar om de zoveel maanden moest het weer gebeuren. Dan dronk hij mateloos, als om er aan dood te gaan. Hij ging niet dood, maar verloor wel in enkele dagen alle aanzien, dat hij in maanden had opgebouwd. Dan verloor hij vooral zijn zelfrespect, de moed om ermee te breken. Dan voelde hij zich het zwarte schaap van familie en dorp en het aankijken niet waard.
Enkele malen heb ik hem in de auto geladen, om hem thuis af te leveren. Maar zelfs dat was moeilijk. Hij durfde namelijk in die toestand niet thuis te komen en het eind van veel rondrijden was, dat hij weer bij een café nodig moest uitstappen. Zo maakte hij mij tot taxichauffeur en bijna medeplichtig aan zijn uitspattingen.
Ik heb daar eens serieus met hem over gesproken, toen het weer kon. En wat zegt dan een ongeschoold mens, die de knepen van de AA niet kent? Een beetje goedbedoelde wartaal, denk ik. Maar hij heeft me wel van serieus antwoord gediend. Hij zei ongeveer dit.
"Ik heb alles geprobeerd om van de drankzucht af te komen. Met zelfbeheersing, met doktersmiddelen, met de AA, met hulp van mijn gezin, met een kuur en met alle krachten. Ik dacht dat het over was. Maar toch was het een dag weer zo ver. Ik ging naar het dorp, kocht een fles jenever, en sloot me op in mijn werkplaats. Toen heb ik de fles genomen ... en die stukgeslagen op de werkbank."
Ik zuchtte van opluchting. En toen, vroeg ik, was het over?
Nee, zei hij somber. Ik ben weer naar het dorp gegaan, kocht een andere fles en heb die opgedronken.
--0—
Geen leuk verhaal ? Nee, dat zei ik al.
Nu, zo was Rab, ons zwarte schaap. Wie kan zeggen, hoeveel strijd deze man heeft gevoerd om van zijn ziekte af te komen? Weet niemand het? Dan kan ook niemand hem veroordelen. Rab was een ijverig man, voor wie geen werk te vuil en geen afstand te ver was. Een vriendelijke, vrolijke, ongeschoren vrijgezel, in het afgedankte pak van zijn broer, die priester is in Ierland.
En vandaag hebben we ons zwarte schaapje begraven. Met een rouwdienst in het kerkje, waar onze dominee en een priester beurtelings voorgingen. Op de kist stond de naam van de overledene geschreven en zijn leeftijd. Bovendien was er een klein crucifix op de deksel geschroefd. Er waren tien bloemstukken voor Rab. Aan elk hing een kaartje met namen. Maar op een ervan stond geschreven: To an old pal, from his mates: voor een oude vriend, van zijn kornuiten. Geen namen - het was blijkbaar de zangclub.
Aan een plotselinge hartaanval overleden. Wel op zaterdagmorgen, dus in de staat van zonde, zal de priester hebben gedacht. Maar ook hij bad: Heer, geef hem vrede. En onze predikant sprak van Rabs Vader en onze Vader, die Dezelfde is.
Dat heeft vroeger onze Haarlemse predikant ons geleerd: Hij blijft Onze Vader, al liggen we ook in de goot.