Onder de zon (1)
1985-02-01
Ik, Prediker, was koning over Israël te Jeruzalem; en ik zette er mijn hart op om na te vorsen en onderzoek te doen naar de wijsheid in alles, wat onder de hemel geschiedt.- Jaargang 29
- nummer 5
Dat is een kwade bezigheid, die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te kwellen.
Pred. 1 : 12 en 13
Aan de paar stukjes die ik mij voorneem te schrijven over het boek Prediker geef ik één titel mee: "Onder de zon". Zo geef ik aan dat ik deze door Prediker in zijn boek bijna dertig maal gebruikte uitdrukking sterk wil benadrukken. Het zijn woorden die je bij het lezen in dit bijbelboek eigenlijk permanent bij je moet hebben en die dan soms ineens een bruikbare sleutel blijken te zijn om op wat ontoegankelijke plaatsen in dit boek toch binnen te komen. Ik moet er van af zien om in dit eerste stukje rechtstreekse stichtelijkheid te leggen want ik heb de mij toegemeten ruimte nodig voor achtergrondgegevens en uitleg. In de volgende artikelen za! dan, hoop ik, blijken dat we daar voordeel van hebben.
Tegenwoordig schrikt geen bijbellezer meer als hij hoort dat Salomo niet de schrijver van het boek Prediker is en ook niet beweert te zijn. Hij is een beroepswijze die zijn woorden, naar een in zijn dagen ook door anderen gebruikte literaire methode, in de mond van een meer bekende wijze legt, in dit geval de meest wijze koning, die Israël ooit gehad heeft.
Wat nuttigheid heeft dit, te weten dat wij hier niet koning Salomo horen? Zo kunnen we luisteren naar argumenten voor het feit dat wij in het Prediker te maken hebben met een van de jongste boeken van het oude testament. Dat betekent dat het grensgebied tussen het oude en nieuwe testament Ongeveer bij het boek Prediker op z'n smalst is. Er kunnen zich tussen Prediker en Johannes de doper geen fundamentele verschuivingen meer hebben voorgedaan in het geestelijk klimaat.
Er is een breed raakvlak tussen Prediker en Job. In beide boeken komt de vraag aan de orde die opgeroepen wordt als het kwaad goede mensen treft. Opvallend is, dat de toon bij Prediker totaal anders is dan bij Job. Dat is wel te begrijpen. Job wordt door het lijden verrast, overrompeld. God is hem een raadsel, want zo kende hij God tevoren niet, Daardoor raakt Job hevig geëmotioneerd. Hij zegt tot God dingen, waarvoor hij later de hand op de mond moet leggen en moet door God terecht gewezen worden als een bediller en aanklager" Bij Prediker is de toon anders. Minder hoog: minder fel. Hij zegt wel sterke dingen en zijn woorden zijn inderdaad als prikkelen, zoals het nawoord zegt (12 : 11), maar toch hebben ze steeds iets afstandelijks. Het zijn in alle nuchterheid gekozen woorden, waar nadenken aan voorafgegaan is en een spoor van onbeheerstheid aan ontbreekt. Dat komt doordat Prediker op een radicaal andere wijze op het kwaad stuit. Job wordt er door verrast, maar Prediker niet. Integendeel: Prediker zette zijn hart er op om na te vorsen en Onderzoek te doen (13), maar hij weet al tevoren wat hij zal ontdekken.
De bewering dat .hij het plan heeft opgevat om een onderzoek in te stellen is min of meer retorisch. Hij zou bij wijze van spreken zijn boek hebben kunnen schrijven op dezelfde dag dat hij deze woorden schreef. Dat het (zo te zien!) niets uitmaakt of je rechtvaardig bent of niet, dat je van het werk van God niets kunt ontdekken, dat goddelozen in een praalgraf liggen en dat rechtvaardigen uit de heilige plaats zijn weggestuurd, dat een zondaar honderd maal kwaad doet en toch oud wordt, hij weet het allemaal at Hij heeft er al lang over nagedacht. Geen ellende, geen bende, geen toestanden kunnen hem meer verrassen.
Wat nu het meest verrast in dit boek is, dat een wijze, die het leven tot op het bot heeft bekeken, de gang van zaken (onder de zon!) tot op de draad heeft gevolgd, die meer onrecht heeft gezien dan de meest negatieve ombudsman bij elkaar kan telefoneren, zich nergens rechtstreeks tot God richt om Hem aan te klagen. Niemand, die in deze tijd een hoge toon tegen God aanslaat kan zich daarvoor op Prediker beroepen. Hoe anders is dat binnen het boek Job, waar we de klachten van een geslagen mens horen overgaan in aanklachten tegen God, al worden die herroepen. Zou het mogelijk zijn, het is natuurlijk maar een veronderstelling, dat Prediker dit gesprek met God al achter de rug heeft? Dat hij al bij God geweest is met zijn klachten? Zou dat geen prachtige verklaring zijn voor het feit dat hij zich nergens rechtstreeks met een aanklacht tot God richt, en I dat God ook niet aan het Woord komt in zijn boek?
Spaart hij juist zo geen ruimte uit voor een laatste woord van Gods kant? Geeft hij zo niet tekenen dat hij op zo'n laatste woord hoopt en er op rekent dat er ergens een diepe wijsheid is, die 's levens raadsel kan verklaren? Het is toch ondenkbaar dat iemand, die deze dingen niet met God heeft uitgepraat, zijn ogen wagenwijd open houdt naar eenwereld die bol staat van onrecht en dan zijn lezers toch voortdurend verwijst naar de vreze Gods?
Toch is zijn boek één doorlopend protest. Niet tegen God, maar tegen de gangbare wijsheid van zijn dagen. De wijsheid in de dagen van Prediker overschat zichzelf gruwelijk en is ZO geen echte wijsheid meer, maar verworden tot dogmatisme waarmee het leven, de gang van zaken onder de zon geweld wordt aangedaan. Zij leeft bij gestolde waarheden, die de werkelijke gang van zaken op aarde en dus onder de zon, geen recht doen. De meest uitgesproken vertegenwoordigers van deze verworven wijsheid ontmoeten we in de woorden van Job. Zij zijn zonder twijfel waarheid op het spoor als zij menen dat oprecht en dwaasheid rampspoed tot gevolg behoren te hebben. Wil het onder de zon allemaal een beetje redelijk verlopen dan moet het kwaad gestraft worden. Maar nu hebben zij dat stuk waarheid in systeem gegoten en opereren met de omgekeerde stelling: als wij op lijden stuiten moet de mens die door het lijden getroffen wordt een dwaas, een zondaar zijn. In Job 22 horen we Elifaz de meest absurde aanklachten uiten tegen 'Job" hun theorie moet feilloos zijn, dus is Job een zondaar. En zo maken zij de gang van zaken onder de zon kloppend. Op een uiting van deze wijsheidsvorm stuiten we ook in het evangelie van Johannes. Daar blijkt het geestelijk klimaat fundamenteel niet zo sterk veranderd te zijn. De discipelen zien een blinde (Joh. 9: 1v.) en trekken daaruit zonder aarzeling, naar de wijsheid van hun dagen, de conclusie dat hier van zonde sprake is. De vraag is alleen: bij de blinde of bij zijn ouders? Het antwoord van de Heiland bedoelde geen ontkenning te zijn van het verband russen schuld en straf, maar de Meester richt zich tegen de wijze waarop de wijsheid gebruikt wordt: ze is in systeem gebracht en in stelling gebracht om de gang van zaken onder de zon op onbarmhartige wijze restloos te verklaren!
Tegen deze verstarde wijsheid keert Prediker zich. Hij verweert zich daartegen niet door nu op zijn beurt de hele vergeldingsleer maar los te laten, maar wijst met de meest sterke woorden aan dat je ‘onder de zon’ rondkijkend merkt dat het niet naar deze wijsheid toegaat en dat een mens, hoezeer hij zich ook aftobt onder de zon kan niet ontdekken dat God zich aan deze regel houdt. In 8:17 keert Prediker het ganse gewicht van zijn ervaringen rechtstreeks tegen de wijze van zijn dagen: wanneer soms een wijze mocht zeggen (en ongetwijfeld hééft Prediker het horen zeggen) dat hij het weet; hij kan het niet ontdekken. De wijsheid, die zich houden moet aan wat zij onder de zon waarneemt is ontoereikend om de raadsels van het leven op te lossen.
Het fijne van het boek Prediker is dat de weg naar een antwoord toch eigenlijk zo eerbiedig open wordt gehouden. Dat gebeurt vooral in de voortdurende herhaling van de woorden ‘onder de zon’, waarmee Prediker zijn slotconclusie dat alles ijdelheid is, sterk relativeert. Alles is ijdelheid! Ja, onder de zon, zo is te zien. De wijze kan met zijn wijsheid niet boven de zon uitkomen. De zon is wel niet zijn kennishorizon, maar wel de grens van zijn ervaring. Maar wie weet van ‘onder de zon’ weet ook van boven de zon. Als er een antwoord is moet dat dáár vandaan komen. Vanuit de hemel. Daarom moet de ware wijsheid zijn wortels boven de zon hebben, in de vreze Gods.