Prediken (2)
1985-02-01
Het spreekt vanzelf, dat in 2 artikelen alleen maar enkele punten kunnen genoemd wonden, die' voor de prediking van belang zijn. Slechts een paar hoofdzaken. Ergens in de Schrift is sprake van fijngevoeligheid om te onderscheiden waarop het aankomt. Naar mijn mening vallen 'daaronder ook de volgende onderdelen.- Jaargang 29
- nummer 5
Het zal' vooral ouderen onder ons bekend zijn, dat in de jaren na de vrijmaking er- nogal eens gesproken werd van "doorgaande reformatie". Van mij wem toen door sommige broeders en zusters verwacht, dat ik op de kansel zou voorstellen, wat vrijgemaakten moesten doen in alIerlei omstandigheden. Men wilde graag horen welke krant men moest 'lezen. Bij welke organisatie men zich moest aansluiten. Naar welke school men eigenlijk z'n kinderen moest sturen. Of iemand nog wel lid kon blijven van het C.N.V. of dat men zich moest aansluiten bij het G.M.V. Wat men moest kiezen op "het terrein des levens". 'k Heb daar stichtelijk voor bedankt. Dat was niet de taak van een dienaar van het Evangelie. Hij heeft de blijde boodschap te verkondigen. En wat Christus bevolen heeft.
Maar mondige gemeenteleden moeten en kunnen zelf kieren hoe zij dat in praktijk hebben te brengen op elk levensterrein. "Wanneer – zo zei ik - wij samen het zover brengen, dat wij de Here kennen in al ons doen en laten, moet elk op zijn terrein uitmaken wat hij lezen mag en welke organisatie hij moet kiezen. Hoe hij z'n kinderen heeft te laten onderrichten, hoe hij met z'n geld moet omgaan enz. enz."
En daarmee ben ik het nog eens. Geen dominee kan heel het leven overzien. Wat er in de handel en het bedrijf omgaat weet hij niet, van politiek en economie, van kernwapens en kernenergie heeft hij evenveel of evenmin verstand als een mondig gemeentelid Tégen oorlogen vóór vrede is ieder christenmens zeker. Evenals tégen honger en voor voldoende voedsel voor alle volken.
Maar hoe dat het beste te bereiken is, dát kan vanaf de kansel niet beslist worden. Een dominee kan en moet voorhouden, positief, wat de Here bevolen heeft, Zelf of door de apostelen en hij kan en moet waarschuwen tégen zonden op allerlei gebied, Maar de praktische toepassing moet getrokken worden door elk mondig gelovige.
Een preek moet schriftuurlijk zijn. Daarover zijn we het allen .wel eens. We lezen in 11 Tim.
3 : 15-17: "De heilige schriften kunnen wijs maken tot zaligheid (redding van ronde en dood) door het geloof in Christus Jezus. Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust". De Schrift leert 'ons niet hoe het heelal in mekaar zit. Niet hoe snel het licht gaat en of de aarde rond of plat is. Daarin spreekt ze de taal van alle mensen.
Ook de grootste geleerde op dat gebied zegt: de zon gaat op en onder. Als hij met een schip dicht bij de wal komt zegt hij: Het land nadert. Enzovoort. Ze geeft ook geen maatschappijleer.
Maar leert ons hoe wij van zonde en schuld bevrijd worden en wat het ware leven is. We mogen daarbij wel onderscheiden tussen hoofdzaak en bijzaken.
De mantel, die Paulus heeft achtergelaten is niet zo belangrijk als Joh. 3 : 16. De geslachtsregisters van het O.T. niet van zo groot belang als het leven en lijden van de Here Jezus. We mogen en moeten ook gelovig onderscheiden of een voorschrift voor een bepaalde tijd gold of voor immer. Onze vrouwen en meisjes hoeven niet met een hoed of hoofddoek naar de samenkomst der gemeente. Dat was in de tijd van Paulus wel nodig, omdat ze met losse haren geleken op dames van lichte zeden.
We mogen wel biefstuk eten, want dat de heidenchristenen zich moesten onthouden van “het verstikte" (Hand. 15) was om jodenchristenen niet tot zonde te verleiden. Want die waren nog niet vrij van het O.T-ische voorschrift. We mogen en moeten rekenen met de tijd waarin iets werd voorgeschreven. En met de gewoonten van die dagen. Dat Jezus geen vrouwen in zijn Apostel twaalftal opnam, is nogal vanzelfsprekend. Een vrouw hoorde in die dagen “in de tent" om zo te zeggen. Dat zegt niets over de vraag of een zuster een ambt mag bekleden. Een boodschap voor een bepaalde tijd is .
nog geen altijd en overal geldende. Wij in een westers land kunnen en mogen onze zendelingen niet voorschrijven, hoe zij hebben te handelen in heel andere omstandigheden onder Bantoes enz. Hoofdzaak bij al deze vragen en toestanden is: redding van zonde en dood en van alle boze machten in deze wereld. De wetten van het O.T. gelden zó niet meer voor ons, al is er wel veel uit te Ieren. Op allerlei gebied wel. Want het waren wetten ten leven.
Ik noemde daar het woord: leren. De prediking moet de gemeente
ook leren. Nu denken wij bij leren onwillekeurig "aan veel weten. Om te kunnen leren moet zowel de leraar, als de leerling een goed intellect hebben. Dat komt omdat ons onderwijs nog steunt op het Griekse onderwijs. Het was de Griekse wijsgeren niet zozeer om de levenspraktijk te doen. Maar om het bijbrengen van inzicht en het ontwikkelen van de persoonlijkheid . Dat was onder het O.T. heel anders. De rabbi's leerden de wet. En de leerlingen moesten horen en gehoorzamen. Het gehoorde in praktijk 'brengen. De leer was de aanwijzing wat men moest dóen, Natuurlijk kwam daarbij ook weten te pas. Maar dat weten was nodig voor de praktijk en was daarop gericht, Men moest weten wat men doen moest.
En dat is ook een belangrijk deel van de leer van Jezus en van de apostelen. Denkt maar aan de Bergrede. Daar beveelt Hij z'n leerlingen: "Laat uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken mogen zien". En als Hij allerlei voorschriften aan z'n discipelen heeft gegeven, die ze moeten onderhouden, dan eindigt hij met de waarschuwing om niet alleen maar hoorders te zijn en te zeggen: Here, Here, maar om te zijn dáders. Ze moeten doen de wil van de hemelse Vader en anders zijn ze werkers of daders der ongerechtigheid. En de opdracht voor de apostelen is: Preekt het Evangelie, verkondigt Gods grote daden. We moeten dus weten, wat God en wat Christus tot onze verlossing hebben gedaan. Maar dan volgt er het even belangrijke: Leert de volken onderhouden wat Ik geboden heb. Er is sprake van leringen, die geboden van mensen zijn. De Schriftgeleerden maakten daardoor het gebod Gods krachteloos. En de apostelen hebben in hun brieven tegen zulke menselijke overleveringen gewaarschuwd en aangedrongen om te leren wat in overeenstemming was met de godzaligheid. We spreken terecht van de praktijk van de godzaligheid. Het leven van de gelovigen in het doen en laten van alle dag. We komen in de kerk om getroost te worden door de blijde boodschap. Door te horen wat God en de Here Jezus en de Heilige Geest gedaan hebben en doen voor onze redding. Maar dan ook om vermaand te worden.
En ik kan me wei vinden in de uitspraak van iemand, wiens naam ik, vergeten ben: Als we uit de kerk komen moeten we in elk gevel ook geboord hebben, wat we in de week die voor ons ligt hebben te doen.
De, Schrift geeft ons geen dogmatiek, een systeem van waarheden: We' magen: dogmatici het plezier gunnen om te proberen zulk een systeem in elkaar te zetten. Dat mag ook geprobeerd worden in de Belijdenis. Maar tenslotte is die Belijdenis geen “gids" in het oerwoud van de Schrift. Dan wordt die gids eigenlijk belangrijker, dan de Schrift. Niet de Schrift moet verkilaard worden naar de Belijdenis, maar omgekeerd de Belijdenis naar de Schrift. Dat is althans mijn overtuiging.
Dan noem ik nog een eigenschap van de preek: Ze moet eenvoudig zijn. In de taal die elke hoorder verstaat. Dus geen speciaal theologische woorden die niet algemeen bekend zijn. Dus in de taal van het volk. Van Luther wordt gezegd of misschien heeft hij het zelf verteld, dat hij toen hij bezig was met z'n. vertaling van de Bijbel in het Duits, naar de markt ging om de volkstaal goed te leren kennen. Want voor dat volk schreef hij z'n vertaling.
Het is hem naar algemeen wordt erkend prachtig gelukt. Over een Duitse professor wordt het volgende verteld: Hij was hofprediker. Hij mocht dus preken voor keizer Wilhelm 11 en zijn hofhouding. In de vooraanzittingen zaten dus allerlei hoogheden. Aan de predikant werd eens gevraagd of hij niet zenuwachtig was, als hij voor die groten der aarde moest preken. Z'n antwoord was: Ik let niet speciaal op hen, maar ik preek zo, dat het keukenmeisje achter in de kerk me kan volgen: Als die het verstaan kan, dan moet de keizer en zijn gevolg het ook maar begrijpen . Een leerzaam verhaal. Een predikant moet de spraak van z'n gehoor kennen. Dat gehoor bestaat voor een groot deel uit wat wij noemen ongeleerde en onontwikkelde broeders en zusters. Maar al zouden zij ook een heel kleine minderheid vormen, dan moet er zo gepreekt worden, dat zij het gehoorde kunnen verstaan. Hoe zullen ze anders de gehoorde beloften geloven en de bevelen gehoorzamen? En als zij het kunnen verstaan dan toch zeker de ontwikkelden nog beter. Dát heeft mijn preken, zeker in latere jaren beheerst. Ik dacht en denk: Als m'n moeder onder mijn gehoor zat, moest zij die preek van a tot z kunnen volgen. Mensen, die alleen de lagere school hebben doorlopen zijn heus niet dom, Vaak wijzer dan professoren. Maar ze hebben geen schoolse kennis.