Onder de zon (3)
1985-02-15
En ik ontdekte iets, bitterder dan de dood: de vrouw die een valstrik is en wier hart een net is, wier handen boeien zijn. Hij die aan God welgevallig is, ontkomt haar; doch hij die niet welgevallig is, wordt door haar gevangen. - Jaargang 29
- nummer 7
...onder duizend heb ik één mens ontdekt, maar een vrouw heb ik onder deze allen niet ontdekt.
Prediker 7 : 26 en 28.
Prediker gaat in dit hoofdstuk opnieuw op weg om wijsheid te vinden (vs. 23), maar hij zegt merkwaardigerwijs al bij voorbaat dat die onbereikbaar is, want diep is het leven en er is niemand die tot op de bodem kan kijken (vs. 24). Hij richt zich hiermee opnieuw tegen de wijsheid die zich losgemaakt heeft van de vreze des Heren en op eigen benen staande meent, het leven in goede banen te kunnen leiden door haar voorschriften. Prediker is er fundamenteel Van overtuigd dat de wijsheid in het algemeen niet toereikend is om het leven te begrijpen en er niet in slaagt het te ordenen.
Dit keer richt Prediker zijn aandacht op de verhouding man-vrouw om daaraan illustratief aan te tonen hoe onmachtig de wijsheid is. Er is geen ander gebied waar wij zo kwetsbaar zijn. De zee van het bederf zoekt altijd het laagste punt in ons leven om binnen te dringen en vaak blijkt dat punt dáár te liggen. Er is geen ander gebied waar het leven zo kapot kan zijn en verminkt. De bijbel zegt dat heel sterk; je komt nergens zo dicht in de buurt van de dood aan de arm van de verkeerde vrouw; met haar daal je af naar het dodenrijk. Nog dieper kan niet (Spr. 5: 5). Tegelijk geldt dat nergens het leven nog zo dicht Gods bedoelingen kan naderen. De bijbel legt hier rechtstreeks verbindingen met de gunst des Heren (Spr. 18 : 22).
Ik verwees nu twee maal naar het boek Spreuken, waar we wijsheid vinden die haar aanvang heeft gevonden in de vreze des Heren. Dat is een wijsheid die ook de werkelijkheid geen geweld aandoet, Die het slechte ziet èn het goede, de wijsheid èn de dwaasheid. Daarom heeft het boek Spreuken zeer ernstige waarschuwingen tegen de verkeerde vrouw, maar ook uitbundige lofprijzing op de goede vrouw. Hier is de wijsheid, die niet alles over 'één kam scheert.
Maar de wijsheid die losgeraakt is van de vreze des Heren, die zichzelf overschat, doet ook de werkelijkheid geweld aan. Wij vinden binnen de bijbel nog wel een paar aanwijzingen die ons een indruk geven hoe de wijsheid in die dagen de verhouding man-vrouw probeerde te regelen. Let eens op de verwondering van 'de 'discipelen, waarvan we lezen in Joh. 4 vs. 27, als zij hun Meester in gesprek vinden met een vrouw alléén. En dan nog wel op een eenzame plaats. Zoiets doe je niet als man. In Joh; 8, waar ons de geschiedenis van de overspelige vrouw wordt verteld valt het op dat de vrouw tot Jezus wordt gebracht, maar de man wordt blijkbaar ongemoeid gelaten. Ze zullen toch samen op heterdaad betrapt zijn? Het algemene uitgangspunt zal geweest zijn: de begeerte van de man is een zaak, waar weinig aan te sleutelen valt, maar we kunnen de beschadiging van de openbare zedelijkheid tegengaan door de vrouw zoveel mogelijk uit de openbaarheid te weren en zelfs uit het blikveld van de man te houden. En overigens moet de vrouw door zich aan een fijnmazig net van bepalingen te houden een goede vrouw worden.
Prediker wil nu de onmacht van de wijsheid aantonen en begint met te zeggen hoezeer hij zelf doordrongen is van de verwording van het leven op dit punt: een zaak, hitterder dan de dood: de vrouw, die een valstrik is, wier hart een net is en wier handen boeien zijn. In een paar rake woorden staat hij zomaar voor ons: de man, die in de greep van de verkeerde vrouw is geraakt en daar niet uit weg te halen is al staat zijn hele omgeving aan hem te trekken.
Maar laat nu de wijsheid niet menen dat zij daartegen iets kan doen, wil Prediker zeggen, want alleen de man die aan God welgevallig is ontkomt aan haar en wie niet welgevallig is wordt door haar gevangen. Wie hier opmerkt dat je zo toch niet van God kunt spreken; omdat je niet alle lotgevallen van de mens maar kunt kortsluiten op het welgevallen van God, die heeft gelijk. Maar bedenk nu opnieuw dat Prediker beschrijft wat hij ziet onder de Zonen dat hij 'het wil doen met hetgeen van God kenbaar is uit zijn werken. Dat is een gebrekkige kennis. Deze woorden zijn 'Op zichzelf al een vlijmscherpe veroordeling van de wijsheid, maar Prediker voegt daar nog een argument aan toe: hij heeft onder duizend één (goed) mens ontdekt, maar een (goede) vrouw onder deze allen heeft hij niet ontdekt. Ik voeg hier 'het woordje 'goede' tussen haakjes toe. Voor het goed recht van deze toevoeging verwijs ik naar Spr. 18: 22 waar het woordje 'vrouw' zonder enige toevoeging ook staat voor 'goede vrouw'.
Prediker overdrijft als hij beweert dat er geen goede vrouw te vinden is: Zeg dat nu rustig en schrik niet alsof hier een bijbelschrijver wordt aangeklaagd. De wijze overdrijft en het is zijn privilege om dingen te
zeggen die niemand na kan rekenen. De zeggingskracht van zijn woorden wordt daardoor niet aangetast en wat hij zeggen wil is: wanneer een man door toedoen van God in handen van een slechte vrouw raakt en een goede vrouw niet te vinden is, waartoe zal de wijsheid dan het terrein van de man-vrouw verhouding betreden in de mening dat zij het leven gezond kan maken?
Dat zal naar Predikers overtuiging op een fiasco uitdraaien.
Is dit nu bruikbare wijsheid? De bruikbaarheid ligt dunkt mij inde ontdekking dat de wijsheid zo ontstellend weinig kan beginnen en dat zij de raadsels niet kan oplassen en de goede weg niet kan wijzen als zij las raakt van haar wortel: de vreze des Heren. Zoekt zij haar uitgangspunt weer in de vreze des Heren dan is zij niet tot alles in staat, maar wel tot veel. Ze ontdekt dan betrouwbare wegen, de goede richting. Naar die wijsheid houdt het boek Prediker de weg open. En naar de wijsheid in Persoon, onze Heer. Hoe radicaal pakte hij de zieke plek van de man-vrouw verhouding in zijn dagen aan door over de begeerte van de man niet te spreken als van een te aanvaarden zaak, maar als een zaak, waar genezing nodig en mogelijk was. Dat woord stond haaks op de wijsheid van zijn tijd.