In memoriam professor Veenhof – 3
1983-03-11
Toespraak van Prof. dr H. J. Jager in de dienst ter herdenking van Prof. C.Veenhof.- Jaargang 27
- nummer 10
Broeders en zusters in de Here Jezus Christus, familie, vrienden kennissen, van onze overleden broeder Cornelis Veenhof.
Wij zijn hier in een z.g. rouwdienst, we mogen 't ook wel noemen een dienst van troost, van vermaning, ook wel van dankbaarheid.
Want er is wèl verdriet. Er is een lege plaats in de familie en in breder kring. Maar er is ook dankbaarheid, dat hij rustig mocht heengaan. Dat we niet treuren als zij die geen hoop hebben.
We kunnen 't ook noemen een dienst van vermaning en troost, want we worden vermaand er elkander aan te herinneren dat we hier geen blijvende stad hebben en ook ons als kinderen des lichts voor te bereiden op 't einde van dit leven en op de wederkomst van de Here Jezus.
Wij zijn hier niet om een held te vereren. Wel om te gedenken wat hij geweest is voor velen. Want hij was een broeder van ons allen, maar een zeer begaafde broeder. En ais we spreken van begaafde mensen dan zijn we geneigd om die mensen in de hoogte te steken. Maar wanneer we erkennen dat hij grote gaven had, dan mogen we dankbaar zijn dat velen daarvan genoten hebben.
We zullen geen mens vereren, wel eren. Eren ook om hun werk, en hij heeft gewerkt zolang 't dag was. Hij heeft zijn gaven gebruikt. En ik kan nazeggen wat een vroegere dominee hier zei: 'Lui ben ik niet geweest'.
Wanneer we zijn vriendschap hebben genoten, dan mogen we daar dankbaar voor zijn. En wanneer we door hem getrokken zijn uit de duisternis, in het wonderbaar licht, door zijn prediking - en er zijn er geweest, misschien velen, dan zullen we dankbaar voor God, de gever van alle gaven, moeten danken.
Wanneer we als leerlingen van zijn lessen geleerd hebben, dan mogen we ook de gever van die gaven dankbaar zijn. En verder is er de beste gedachtenis van onze voorgangers dat we hun geloof navolgen en in praktijk brengen wat we van hen geleerd hebben.
Nu de vraag: Wat heeft dit ons te zeggen? Wij allen zullen wanneer de Here Jezus niet weerkomt tijdens ons leven, dezelfde weg gaan. En of we nu jong of oud zijn: er is maar één schrede tussen ons en de dood.
Ouderen zullen waarschijnlijk eerder sterven dan jongeren, maar we zijn allemaal mensen van de dag.
't Kàn vandaag de laatste dag zijn, 't kan ook nog jaren duren, maar we zullen enerzijds zó moeten leven alsof 't onze laatste dag is, anderzijds, of we nog een stuk van ons leven vóór ons hebben, om dan te leven als kinderen van het licht.
Wannéér de dood ons zal treffen weet niemand, en wanneer de Here Jezus weer zal komen is evenmin aan iemand bekend. Van tijden en tijdsgewrichten kunnen wij niet weten, zelfs de Zoon des mensen niet.
We zullen ons moeten voorbereiden, telkens weer, volhardend, op de doodsdag en ook op de komst van de Here Jezus, opdat die dag ons niet overvalt als 'n dief in de nacht. De ongelovigen zuilen daardoor overvallen worden, en zij zullen zeggen: 'vrede, vrede, geen gevaar, ',t gaat goed, 't gaat goed' of 't gaat slecht, 't gaat slecht, maar 't zal hun plotseling overkomen.
Dat mag ons niet gebeuren, want wij zijn kinderen van het licht, d.w.z. wij behoren bij het licht. Dat beeld kennen we uit de Schrift. Duisternis is een beeld voor al wat slecht, gemeen, onheilig, onrechtvaardig, goddeloos is. En licht is een beeld voor al wat goed, waar, zuiver, rechtvaardig, heilig is. Hoe wist Paulus dat die Thessalonicenzen kinderen van het licht waren?
Dat 't licht van het Evangelie hen had bestraald en ze in dat licht zich verheugden? Ze hadden dat met blijdschap áángenomen! Jezus Christus is hèt Licht der wereld en wie Hem volgt zal in het licht herleven en zal in 't duister niet geraken, staat geschreven.
En wanneer we ons kinderen des Lichts weten, dan mogen we dat weten door 't geloof in de Here Jezus en dan zullen we ook luisteren naar wat deze tekst ons verder te zeggen heeft.
Laten wij niet slapen gelijk de anderen. Het zou ons ook kunnen overkomen en dan roept de Here ons toe: "Ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zaI over u lichten."
We mogen echter niet slapen, maar moeten wakker zijn en nuchter, waakzaam en vastend.
Want nuchter zijn betekent hier niet, dat we als de Groningers nogal nuchter de zaken mogen aanzien, maar ‘t wil zeggen dat we niet moeten eten van de lekkernijen van de wereld. Wanneer we nuchter moeten zijn omdat een dokter onze maag wil onderzoeken, dan betekent dat, dat we niet moeten eten. En als hier staat dat we nuchter moeten zijn, dan wil dat zeggen dat we nuchter moeten blijven van wat de wereld ons biedt, ons dus onthouden van de wereldse begeerlijkheden, zoals in de Schrift staat.
Tevens moeten wij ons toerusten met 't harnas van geloof en liefde en met de helm van de hoop der zaligheid of de redding. Hier worden alleen verdedigingswapens genoemd. Een is 't zwaard des geestes, 't Woord Gods. Maar we hebben ons te verdedigen tegen aanvallen van de boze, de duivel, van de wereld en van onze oude natuur.
En daartegen hebben wij de wapens van geloof, liefde en hoop. Er worden op ons pijlen, vurige pijlen afgevuurd, staat er in de Schrift. Wij zijn daartegen immuun, veilig,als we gewapend zijn met 't harnas van 't geloof, dat zich vasthoudt aan Gods beloften.
Dat gelooft in de kracht van de Heilige Geest.
Wanneer we vol zijn van de Geest en van Gods geestelijke gaven, van Gods beloften voor dit, èn 't toekomende leven, dan heeft de duivel, niets over ons te zeggen, dan kan hij ons geen kwaad doen, en de wereld ons ook niet.
Dan zijn we zo vol van Zijn Geest, zo rijk in God en in al wat Hij beloofd heeft, dat 't kwaad er niet bij kan. Waar 't één is, kan 't ander niet zijn.
Als we leeg zijn, dan kunnen demonen ons huis beheersen. Maar als we vol zijn van de dingen van het Koninkrijk der Hemelen, dàn lopen we geen gevaar onder de voet gelopen te worden door de vijanden.
In de tweede plaats werd gesproken van het harnas van de liefde: de meeste van de drie.
Als wij God liefhebben met heel ons harten al wat in ons is, en de naaste als onszelf, dan is ons leven vol. Want hieruit blijkt dat we God liefhebben, wanneer we Zijn geboden bewaren. Zoals de Here Jezus ook de opdracht gegeven heeft aan de discipelen: in de eerste plaats verkondig het evangelie, opdat we mogen geloven. Maar in de tweede plaats: leert ze onderhouden, alles wat ik geboden heb. En wanneer we daar druk mee zijn, met liefdedaden, in afhankelijkheid van de Geest van Jezus Christus, dan hebben we 't daar zó druk mee dat er géén leegheid in ons leven is. We kennen allen de spreuk: Ledigheid is des duivels oorkussen. Wij zijn een makkelijke prooi voor de vijand, maar als we vol zijn van liefdedaden, van het onderhouden van Gods geboden, met gebreken en zwakheden, maar wèl daarmee bezig zijn, dan zijn we veilig voor de vurigste pijlen van de vijand.
In de derde plaats moeten we ons wapenen met de helm van de redding, van de zaligheid.
Dat wil niet zeggen dat we nu niet reeds zalig kunnen zijn, want de rechtvaardigen worden zalig geprezen in de Schrift. Maar 't wil zeggen dat de volle verlossing van alle schuld en macht en besmetting der zonde, die wacht ons aan 't einde der dagen.
Nu blijft nog de strijd tegen duivel, werelden eigen vlees, maar 't is een frisse en vrolijke strijd, want we hebben de belofte dat we meer dan overwinnaars zullen zijn, superoverwinnaars.
Welnu, wanneer we daar naar uitzien, met vàst vertrouwen - want de Bijbelse hoop is geen ,,t kan vriezen, 't kan dooien", maar een vast en stellig overtuigd zijn in de Heer, die doen zal wat Hij beloofd heeft.
We mogen ernaar uitzien met groot verlangen. We mogen weten dat we niet gesteld zijn tot toorn.
God heeft ons niet bestemd tot de ondergang!
Zeker, er zijn slachtoffers van Gods toorn, er zijn er die onder de toorn vergaan, want God kan toornen, maar Hij wil niet dat wij verloren gaan, Hij wil ons behoud.
God heeft ons niet gesteld tot toorn, staat er, maar tot 't verkrijgen van de volle zaligheid van onze Here Jezus Christus, van de levende Heiland die met z'n Geest en genade bij ons is en in ons meeleven kan, zelfs in onze zwakheden en gebreken, omdat Hij ook verzocht is geweest, doch zonder te zondigen.
Die levende Heiland heeft zich eens voor ons gegeven in de dood. Hij is voor ons gestorven, opdat wij, hetzij wakend, hetzij slapend, samen met Hem zouden leven.
"Hetzij wakend, hetzij slapend", dat betekent: als wij nog leven als de Here Jezus weerkomt, of dat wij ontslapen zullen zijn vóór Zijn wederkomst.
Maar dan zien we vooruit naar die heerlijke toestand waarin we met Hem zullen leven: altijd bij de Here zijn, dat is 't heerlijkste vooruitzicht dat ons mag strelen.
Niet alleen omdat 't zo ellendig en droevig is in deze wereld, een wereld vol van ellende , met recht 'n tranendal, 'n jammerdal. maar vooral positief, omdat we bij de Here mogen zijn in een toestand waarin geen dood meer zal heersen, waar geen leed meer zal gebeuren op de berg van Gods heiligheid, maar waar God zal zijn alles en in allen.
“Vermaant elkander en bouwt elkander op gelijk gij dat ook doet."
't Woord vermanen kan ook vertaald worden met troost elkaar hiermee.
't Betekent ook: erbij roepen, het kan troostend zijn en vermanend.
Zó zullen we elkaar opbouwen in 't geloof. Vervolgens zegt Paulus: gelijk gij ook doet. Doen wij 't? Als 't goed is, stellig.
Laten we daarin dan volharden. Ons voor die troost of die vermaning niet schamen maar eenvoudig doen wat de Here van ons vraagt. Een paar dagen geleden hoorde ik van iemand, die Cornelis Veenhof vaak had horen preken, de opmerking: 'Wanneer hij echt in vuur geraakte - hij was altijd vurig van geest in zijn preken, geloof ik - maar wanneer hij ècht in vuur geraakte, dan was hij vol enthousiasme, vol ontroering en verwondering.
Dan sleepte hij de hoorders mee op de vleugelen van het Woord.
Ik kan mij voorstellen dat hij eindigde met 't volgende: "U hebt misschien allemaal wel eens gewandeld in een herfstbos met die prachtige kleuren, als de zon er nog zinderend doorschitterde en dan zeiden we tegen elkaar: Als zó de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn, de bruiloftszalen, waar eeuwige vreugde zal zijn?"
Onuitsprekelijk heerlijk, verrukkelijk, dáárnaar mogen we uit zien met groot verlangen. Nog eens: "Zien we daarnaar uit of schuiven we 't van ons af? Als t goed is, dan zeggen wij, vooral met de lijdende en vervolgde kerk "Kom Here Jezus, ja, kom haastig"! Amen.