Rond het predikantschap
2008-06-06
Net als in de PKN en de Vrijgemaakte kerk is ook in onze kerk een bezinning op gang gekomen op het predikantschap.- Jaargang 52
- nummer 12
De Landelijke Vergadering stelde een commissie in die moet gaan nadenken over het beroepsprofiel van de dominee. De redactie stuurde mij twee boekjes toe die bezinningsmateriaal voor dit onderwerp geven. Met het verzoek ze van commentaar te voorzien.
Principiële uitgangspunten
Het eerste boekje heet Dominee of tentenmaker. Het is een deeltje uit de bijbels-theologische en dogmatische reeks ‘Om het levende woord’ en bevat een reeks opstellen rond het ambt van predikant. Voor de kenners: de auteurs staan in de theologische traditie in de lijn Barth-Noordmans-
Miskotte-Breukelman.
De bijdragen zijn erg principieel bepaald. Dat is de kracht van het boekje. De preek van Breukelman waarmee het opent, laat niet na indruk te maken. Hij maakt dezelfde indruk die Kohlbrüge in de 19e eeuw moet hebben gemaakt. Tegenover het heiligheidstreven van veel preken laat hij met kracht en overtuiging horen dat door het Woord het licht van God over ons armzalige leventje opgaat.
Maar naast een kracht is dat ook een zwakte. Want een principiële stellingname is mooi, maar als daarbij concrete ervaringen en problemen niet serieus genomen worden overtuigt het niet echt. Overigens: dit gezegd zijnde, vind ik dat er in Dominee of tentenmaker toch dingen worden gezegd die we slechts tot onze eigen schade kunnen verwaarlozen bij de bezinning rond het predikantschap.
Ingekapselde dominee
De titel is het ontleend aan het opstel van W. Klouwen, die de vinger legt bij de verkerkelijking en verburgerlijking van het predikantschap. Predikant zijn wortelt volgens hem in vrije roeping van Godswege, naar het model van de profeten. En daarom stelt hij de goede vraag: is de predikant niet in de loop der tijd te veel ingekapseld in het kerkelijk instituut? Is de positie van Paulus, die tentenmaker was, en dus financieel onafhankelijk, niet verre te verkiezen?
Dat dit bepaald geen theoretische kwestie is, is op te maken uit een citaat dat wél de concrete werkelijkheid van het predikantschap raakt.
J.D. Wassenaar geeft een citaat van dr. Bernard Luttikhuis door: ‘Er is inmiddels 30 jaar agogie (welzijnswerk) over ons vak heengegaan.' Het keurslijf is daar allengs strakker van geworden en we beginnen nu te voelen, dat het hier en daar ook daadwerkelijk gaat knellen.
Predikanten klagen ook zonder in een CAO-verhouding tot hun kerkenraad te staan: ik ben tot klusjesman van de gemeente geworden. Predikanten knappen af op de organisatiemodellen waarbinnen ze moeten functioneren en de veelheid van tegenstrijdige eisen die aan ze gesteld worden.’
Thema- en doelgroepdiensten
Dit is voor mij wel herkenbaar. Ook al hebben we in de NGK nauwelijks expliciete organisatiemodellen, impliciet bestaan ze wel degelijk. In de wijze waarop ouderlingen de kerk bestuurlijk benaderen, weerspiegelt zich vaak het beeld van de organisatie van hun dagelijks werk. Mijn indruk is dat er steeds minder besef is van de subtiele wijze waarop de kerkorde (AKS) de relatie predikant en kerkenraad regelt, waarbij beiden hun eigen bevoegdheden en speelruimte hebben.
Ook moest ik denken aan de veelheid aan feest-, thema- en doelgroepdiensten, die soms georganiseerd worden.
Deze diensten moeten niet zelden een vooraf opgesteld doel dienen in het kader van een bepaald gemeenteopbouwprogramma.
Ik heb me wel eens afgevraagd: hoe vaak kan ik mij nog neerzetten om in vrijheid mijn tekst te kiezen om te vernemen wat de Geest tot de gemeente zegt? Ik zal niet zeggen dat doelgroep- of themadiensten zich daarmee niet verdragen, maar ik heb gemerkt dat je daarvoor wel een behoorlijke druk - zowel van binnenuit als van buitenaf - moet weerstaan.
In de lijn van Mozes
Een bijdrage vanuit de Bijbel leveren R. Zuurmond, K.A. Deurloo en A.G.L.
van Nieuwpoort. Ze spreken respectievelijk over de voorgangers Mozes, Jozua en Paulus. De rode draad in dit gedeelte is de centrale plaats die de woorden van de Schríft innemen bij hun manier van leiding geven. Wat men zich van Mozes herinnert is niet zijn durf en krachtige manier van leiding geven – zo krachtig was die niet - maar wel dat hij als profeet vertrouwelijk sprak met God en Diens woorden doorgaf. Jozua moet het land veroveren met de Thora in zijn hart en mond. En Paulus manier van leiding geven was als het leidinggeven van een rabbijn in de synagoge.
De vraag is wel in hoeverre je deze gegevens kunt gebruiken als model voor de leiding van de gemeente van vandaag. Ik ken uit de geschiedenis ook hele nare voorbeelden van een kerk of samenleving, die geleid wordt door schriftgeleerden. In het geval van Mozes en Paulus is het denk ik een belangrijk gegeven dat ze anderen naast zich hadden die met ze meedachten. Ik denk dat we er mee geholpen zijn om in de kerk te onderscheiden tussen een geestelijk leiderschap en een bestuurlijk leiderschap.
In het Oude Testament moesten de ambten van profeet, priester en koning ook onderscheiden blijven. Er is er slechts één geweest, bij wie deze ambten heilvol in één persoon samenkwamen.
En dat is in onze Heer. En wat bij Jezus samenviel in één persoon, wordt door de Geest uitgedeeld over heel de gemeente. Daar hebben we dus meerdere personen voor nodig. Maar toch, het pleidooi dat uit het boek naar voren komt onderschrijf ik volledig, namelijk, predikant, doe waarvoor je geroepen bent. Wat je ook opgedragen krijgt, vraag je daarbij telkens af: hoe kan ik deze taken vervullen als dienaar van het Woord van God?
Inspelen op trends
Het tweede boekje heet ‘Dichtbij de hoorder’ en is opgebouwd rond de twee lezingen die op de themadag voor de beweging ‘Passie voor Preken’ zijn gehouden. De twee lezingen vormen een duidelijk contrast. De eerste lezing is van Jaap Versluis, communicatiedeskundige en docent media en communicatie aan de Hogeschool InHolland in Rotterdam. Hij betoogt dat wie een boodschap wil overbrengen zijn hoorders moeten kennen.
‘De’ hoorder bestaat niet. De hoorders vormen een dynamische gemeenschap.
Ze denken, voelen en beleven de dingen op een bepaalde manier en dat verandert ook telkens. Daarom is het goed om de trends die gaande zijn te ontdekken, te onderzoeken en erop in te spelen. Op een aansprekende manier onderscheidt hij negen trends: technologisering, rationalisering, grensvervaging (globalisering), flexibilisering, individualisering, dematerialisering, feminisering, vergrijzing en conservering. Wie aan het bestaan van deze trends voorbijgaat en doet alsof er een abstracte hoorder in de kerk zit, of – nog erger – een hoorder met het profiel van de vorige of voorvorige eeuw, praat dus langs de mensen heen. Wie dat doet is er zelf mede verantwoordelijk voor als de boodschap wordt misverstaan of zelfs afgewezen. Een beroep op de dwaasheid en tegendraadsheid van het evangelie is dan niet ter zake, en slechts een verhulling voor onvoldoende inleven in de mensen voor wie je er bent.
Tegendraads evangelie
De tweede referent, dr. Henk Bakker, onder meer docent historische theologie aan de Evangelische Theologische Hogeschool te Ede, begínt juist bij de tegendraadsheid van het evangelie.
Hij spreekt over de storende stem van God. In Deut. 6 staat: ‘Hóór Israel….’ Daarmee wordt gezegd dat de stem van God ons stoort in ons persoonlijk ritme, onze eigen agenda en onze eigen ambities. Hij haalt daarbij Luther aan die zei: ‘Gods Woord is onze tegenstander’. Gods geluid zet ons leven volgens hem eerder op zijn kop, dan dat het ons kalmeert. Gods gedachten over de hoorder zijn blijkbaar, dat deze gestoord en bij de les gehouden moet worden. Hij die de harten kent, weet dat wij complexe mensen zijn, die ons telkens weer verstoppen, die telkens weer de waarheid over ons eigen leven en over de wereld ontwijken. God breekt door zijn boodschap onze harten open. Hij laat ons zien, wat wij zelf niet willen zien, dat wij als het ware naakt voor God staan. (vgl. Hebr. 4:12). Dat is de levendmakende kracht van Gods Woord. Een mens, ontdekt dat hij als het ware naakt voor God staat. Het Woord schépt zich een hoorder. Het wederbaart een mens.
Goed richten
Deze gedachten zijn vanuit Bijbel en theologie zeer te beamen, al kun je je afvragen of het accent op de ontmaskerende functie van het Woord niet te eenzijdig is. Grijpt het evangelie ons alleen aan in onze weerstand, of ook in ons verlangen? Belangrijk vind ik dat Bakker deze kwalificaties toeschrijft aan het Woord met een hoofdletter: het ‘Woord Gods’. Maar wat aan het Woord wordt toegeschreven geldt nog niet automatisch voor de woorden van de prediker op de kansel. Het zou heel goed kunnen dat die ontmaskerende en scheppende werking van ‘het Woord’, zich juist realiseert doordat de predikant zich intensief inleeft in de wereld van de mensen tegenover hem. Als je het Woord vergelijkt met een pijl die raakt, of een zwaard dat treft, dan moet er iemand zijn die die pijl afschiet en het zwaard hanteert. En dan is het zaak om goed te richten. En zo kun je dan toch weer niet heen om wat Jaap Versluis te berde brengt. Het pleidooi voor ontmaskering en voor aansluiting sluiten elkaar niet uit.
Ik hoop dat niet alleen predikanten en deskundigen zich bezig houden met het wezen en werk van een predikant, maar dat ook binnen de gemeenten een kritische bezinning op gang komt. Deze twee boekjes geven er handvatten voor.
Wouter Klouwen, e.a., Dominee of tentenmaker; de predikant als tolk en getuige. Kampen, 2007. 143 pag. €16,50. Wim Dekker, Jos Douma (red.), Dichtbij de hoorder; Prediking en trends. Kampen, 2007. 106 pag. €12,95.
Ds. J.D. Smit is verpleeghuispastor in Heerde.