Een eigen geluid
1982-07-02
Vlak voor zijn dood in 1633 zond de Engelse dichter George Herbert een pakje met verzen naar zijn vriend Nicholas Ferrar. Hij vroeg hem, de gedichten te publiceren - dan wel te verbranden. "Ze zijn", schreef hij erbij, "een beeld van de vele geestelijke worstelingen, die tussen God en mijn ziel hebben plaats gevonden, voor ik mij kon onderwerpen aan de wil van Jezus, mijn Meester - in wiens dienst ik nu volkomen vrijheid heb gevonden".- Jaargang 26
- nummer 26
Nog in hetzelfde jaar werden zijn verzen gepubliceerd in een bundel "De Tempel", welke later vele malen herdrukt is. Het waren meest gedichten - maar diverse waren uitgesproken kerkliederen. Zijn bekendste zijn in Church Hymnary opgenomen: "Teach me, my God and King" en "Let all the world ..." welk laatste u onder nr. 424 ook in ons nieuwe Liedboek aantreft; verder zijn bekende "The God of love my Shepherd is" en het· verrukkelijke gezang .King of glory", waarover wij het vandaag graag willen hebben.
Wie was deze George Herbert eigenlijk?
Herbert leefde zijn korte leven tussen 1593 en 1633. Hij was geboren uit een aristocratische familie en zou, als er niets gebeurd was, stellig een hoge post aan het Britse hof hebben verworven. Daar legde hij ook op aan. Maar er gebeurde inderdaad iets met hem; iets dat zijn carrière omboog en hem op hoger niveau bracht.
Herbert was niet slechts administratief lid van de kerk - maar hij kende de God van het verbond; kende ook Jezus Christus, de Heiland. Kreeg persoonlijk contact met zijn "koning der ere", die hem zachtmoedigheid en nederigheid leerde; dingen die voor hovelingen moeilijk verenigbaar waren met hun hoogwaardigheid.
Om kort te gaan: Jezus Christus heeft hem overmocht, heeft hem op de knieën gekregen. En Herbert nam het besluit, "zich op een nederige wijze te verliezen". Hij zei de tegenwoordige wereld vaarwel en begaf zich tot de dienst des Woords. In 1630 werd hij predikant in Bremerton, bij Salisbury, welke plaats hij drie jaar lang heeft gediend. Hij gaf daar een voorbeeld van zachtmoedigheid en nederigheid, want in aanzien stond hij allerminst.
Mensen die uit hun mileu stappen brengen het nooit ver. En zijn worstelingen met God zijn in de binnenkamer gevoerd; als Nicholas Ferrar het andere besluit had genomen zouden wij er nooit iets over hebben vernomen.
Maar Ferrar heeft zijn verzen onmiddellijk gepubliceerd. Ze kwamen hem namelijk als boventijdelijk en belangrijk voor. Hij herkende het eigen geluid van George Herbert, dat juist op tijd kwam. Want ze brachten in de gereglementeerde kerkzang een subjectief vroom element, dat in de Britse Reformatie onvoldoende aanwezig was. Hoe belangrijk ook de Schriftuurlijke psalmen voor de kerk van alle tijden en landen is er zijn tal van vacatures, waarin de kerken naar het "nieuwe lied" zouden willen grijpen; en dit op aansporing van de psalmen zelf.
Was het niet Calvijn, die al in 1539 aan zijn eerste rijmpsalmen enkele "nieuwe liederen" toevoegde? Was het niet zijn medewerker Beza, die in 1595 een bundeltje Schriftberijmingen aan het psalter toevoegde? En was Luther hierin niet voorgegaan, met zijn vrije psalmdichten en zijn liederen van persoonlijk geloof? Was er niet alle ruimte aanwezig voor het eigen geluid van de gelovigen, zowel in gebed als kerkzang? Zo ging het ook in Engeland. Naast de presbyterianen en baptisten, die uitsluitend psalmen zongen, ontstond in de niet-officiële kringen van independen tisten en nonconformisten het eigen geluid, het nieuwe lied, de hymn.
Ferrar zag in George Herberts verzen meer dan in zijn vroegere psalmberijmingen; hij hoorde het eigen geluid, de beleving van en geloof, dat op de profeten en apostelen was gegrond maar in persoonlijk contact met de Heiland tot bloei was gekomen. Juist tevoren in 1623 was het bundeltje "Hymns and Songs of the Church" van George Wither verschenen. Herbert ging op dit thema verder. Na hem zouden Charles Wesley en Isaac Watts de schatten van de hymn verder exploreren. In die wereld van ”hymns", die wij gereformeerden in het Liedboek voor de Kerken leren kennen, was George Herbert een der vroegste pioniers. We geven u zijn "Koning der ere", zowel in de oorspronkelijke versie als in onze vertaling:
King of glory, king of peace,
I will love thee; and, that love
may never cease I will move thee.
Thou hast granted my request,
thou hast heard me; thou didst note
my working breast, thou hast spared me.
Wherefore with my utmost art
I will sing thee, and the cream
of all my heart I will bring thee.
Though my sins against me cried
thou didst clear me, and alone,
when they replied, thou didst hear me.
Seven whoIe days, not one in seven,
I will praise thee; in my heart,
though not in heaven I can raise thee.
Small it is, in this poor sort to enrol thee;
E'en eternity 's too short to extol thee.
------
Koning der ere, Koning des vredes,
u wil ik beminnen;
en u met eindeloze liefde bewegen.
U hebt mijn bede toegestaan,
u hebt mij verhoord;
u hebt op mijn zwoegen gelet,
u hebt mij gespaard.
Waarom ik met mijn hoogste lied
u wil bezingen
en het beste van mijn hart u wil bieden.
Hoewel mijn zonden tegen mij riepen
hebt u mij verschoond,
hoewel zij niet zwegen hebt u mij verhoord.
Niet een, maar zeven volle dagen
wil ik u prijzen; in mijn hart,
zo niet in de hemel u verheffen.
Het is gering, uw naam op deze wijze te noemen,
zelfs de eeuwigheid is te kort
om u naar waarde te loven.
In het Compendium, de achtergrondinformatie bij het Liedboek voor de Kerken, wordt Herbert een metafysisch dichter genoemd: in die zin dat in zijn poëzie sterk intellect schuil gaat. Dat is wat kort gezegd. Misschien was zijn intellect inderdaad sterk aanwezig - maar dat intellect hield zich wijsgerig bezig met de bovenzinnelijke betekenis van dingen en werkingen; hij zag in "alles Vergängliche nur ein Gleichnis", zoals Goethe het uitdrukte. Hij zag deze stoffelijke wereld parallel gaan met een onstoffelijke, bovenzinnelijke wereld.
Wat George Herbert bij de grote Engelse dichters doet behoren was hetzelfde, wat wij in moderne kerkzangdichters als Willem Barnard en Jan Wit en anderen zo waarderen: dat zij in het geloof door de dingen heen zien en de "andere betekenis" blootleggen. Dat is meer dan kunstig woordenspel of het dichten met een dubbele bodem. Dat is het herkennen van stoffelijke gegeven als van "dingen, die andere betekenis hebben", zoals de brief aan de Hebreeën eens zegt.
Iemand heeft eens beweerd, dat alle zienlijke dingen drie bodems hebben: een aardse, een geestelijke en een hemelse betekenis. U mag deze uitspraak laten voor wat hij is - maar het gaat hier om iets dergelijks. In een andere hymn zegt dezelfde Herbert: "iemand kan een verrekijker bezienhij kan er ook d66r zien en de hemel afspeuren". En met het stempel "om Gods wil", zegt hij, kan een dienstbode van saai werk een Goddelijk beroep maken; kan schoonmaak tot welzijn van de mens en tot eer van God worden. En, doordenkend op dit thema, eindigt hij: "dit is de wondersteen, die alles in goud verandert; want wat God aanraakt en zich toe-eigent kan niet voor minder doorgaan".
Deze dichter stortte in zijn "Koning der ere" zijn hart uit voor God, die hem had welgedaan. Hij dacht als de dichter van psalm 138, maar had een eigen toon. Hij had zijn eigen noden doorleefd, was daar bijna aan bezweken - maar hij werd gespaard. Toen betaalde hij zijn geloften in het midden van Jeruzalem.
Hij miste net de moed, om de kerk zijn woorden in de mond te leggen. Hij liet dat aan zijn vriend over. Diens oordeel viel na dato - Herbert zelf was toen al opgeroepen. Nu spreekt hij nadat hij gestorven is en overal ter wereld zingen dankbare mensen met hem mee. God heeft hem overwonnen, was hem te sterk. Toen heeft hij volkomen vrijheid gevonden.
Ook iets om over na te denken: niet gekneveld te worden door de Sterke, maar volkomen vrij te zijn. Zo vrij, dat alles je gestolen mag worden. Zo vrij dat je zingt: delf vrouwen kinderen het graf, neem goed en bloed ons af, het brengt u geen gewin -wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken!
Dat ongeveer moet Herbert hebben bedoeld, toen hij "zich op nederige wijze wilde verliezen". Dat ongeveer moet ook Franciscus van Assisi vier eeuwen voor hem hebben bedoeld, toen hij bad: al gevende ontvangt men, zichzelf vergetende vindt men, vergevende ontvangt men vergiffenis en stervende wordt men wedergeboren tot eeuwig leven.