Een gewenste dood (1)
1982-07-09
- Jaargang 26
- nummer 27
Inleiding
Aan de reeks publicaties over euthanasie voegde dr H. M. Kuitert, hoogleraar in de ethiek en dogmatiek aan de theologische faculteit van de VU, in 1981 een boek toe dat hij noemde "Een gewenste dood". Hoewel hij er hier en daar blijk van geeft zich ook op de hoogte te hebben gesteld van de medische kant van het probleem, moet zijn publicatie uiteraard voor alles worden beschouwd als een bijdrage tot de theologische bezinning. Hetzelfde geldt voor deze bespreking van het boek; zij richt zich vrijwel uitsluitend op de levensbeschouwelijke en theologische uitspraken die de auteur doet.
Ervaringstheologie
Voor een goed verstaan van de positiekeuze van de schrijver is het noodzakelijk iets te weten van het grondpatroon van zijn theologisch denken. In eerdere boeken is hij. daar uitvoeriger op ingegaan (vgl. "Wat heet geloven?", Baarn 1977), maar ook in dit boek komt regelmatig om de hoek kijken dat hij een ervaringstheoloog is. Enkele citaten ter toelichting: "Het christelijk geloof haakt in op wat wij als mensen ervaren. Dat is ook het geval wanneer we over het geloof in God de Schepper spreken. Daar zit de' ervaring achter dat het goed is om te leven en het geloof dat die ervaring niet in de lucht hangt: het leven is een geschenk van God de Schepper." (82) "Het geloof in God is neerslag van menselijke ervaring. Zonder het woordje God heeft de menselijke ervaring zich niet uit kunnen drukken." (107) Uit uitspraken als deze blijkt, dat voor Kuitert de ervaringen die wij, de mensen in het leven en in deze wereld opdoen, bepalend zijn voor de inhoud van het christelijk geloof. Wat in de bijbel staat is dat niet zonder meer. "Anders dan de klassiek christelijke traditie - Paulus incluis - is de dood voor ons niet langer een binnendringer in een oorspronkelijk goede schepping, maar is hij een deel van de goede schepping." (89) Omdat onze ervaring op sommige punten een andere is dan die van Paulus, is volgens Kuitert dus ook de inhoud van het geloof op sommige punten voor ons anders dan voor Paulus. Het is duidelijk dat in deze visie het Schriftgezag een andere inhoud krijgt. Kenmerkend voor de wijze van argumenteren in dit boek is dan ook het terugvallen, niet zozeer op het "Er staat geschreven", als wel op het waardeoordeel dat mensen vellen O.g.v. hun gezamenlijke kennis en ervaring. Heel typerend spreekt Kuitert over het 6e gebod, "Gij zult niet doodslaan", als over "een regel die een besef onder woorden brengt dat in alle culturen van alle tijden levend is geweest en nog leeft" (33/34). De norm wordt, volgens deze formulering, niet van buitenaf opgelegd, maar komt bovendrijven op de ervaring. Let wel: daarmee is niet gezegd dat Kuitert vindt, dat wij zèlf onze normen scheppen. Hij stelt alleen, dat wij voor de bepaling van wat God wil zijn aangewezen op de inzichten en gevoelens die wij in onszelf aantreffen. Wat anderen zeggen en wat de bijbel zegt kan ons helpen, die inzichten en gevoelens te verdiepen, aan te vullen en te corrigeren. Maar voor een beroep op de Heilige Schrift als een instantie buiten ons is in deze theologie geen plaats.
Definitie
Genoeg voorlopig over dit grondpatroon in Kuiterts denken; in het verdere van deze bespreking zal er op worden teruggekomen. Nu eerst aandacht voor de definitie die hij geeft van het begrip 'euthanasie': "Euthanasie is een opzettelijk levensverkortend handelen (inclusief het opzetttelijk nalaten van handelen) door een ander dan de betrokkene, op diens verzoek." (29) In deze omschrijving valt allereerst op, dat de schrijver een levensverkortend handelen dat niet op verzoek van de betrokkene plaats vindt, geen euthanasie wil noemen. Hij verwerpt dan ook ten stelligste de gedachte, dat een pleidooi voor euthanasie het gevaar met zich mee brengt, dat het leven van oude mensen wel eens tegen hun zin bekort zou kunnen worden. Nee, het euthanasiedebat kan eenvoudig niet gaan over de mogelijkheid, dat levensverkorting door middel van een zachte dood niet op verzoek geschiedt, terwijl betrokkene wel in staat is zich te uiten." (63) Verder maakt Kuitert duidelijk dat hij alleen van euthanasie wil spreken, al~ het verzoek komt van iemand die zichzelf niet kan helpen (29); daarom acht hij toevoegingen aan de definitie als "in de stervensfase", "bij ongeneeslijke ziekte" of "bij ondraaglijk lijden" niet noodzakelijk. Tenslotte valt op, dat in de definitie de twee soorten euthanasie die wij kennen als actieve en passieve euthanasie, samen worden genomen. Dat gebeurt niet toevallig: "Laten is een bepaalde uitleg die wij aan doen geven. Niet de onderscheiding of iemand iets doet dan wel iets nalaat is beslissend maar veeleer wat hij met zijn handelen bedoelt - of we het nu een doen of een laten zullen noemen." (40) Maar ziet de auteur zo niet over het hoofd, dat er toch een verschil is tussen ophouden iemand te behandelen en iemands leven daadwerkelijk verkorten? Nee! "De onderscheiding (actief-passief, vdD) is zinvol omdat er grenzen aan onze bemoeienis zijn. We moeten van ophouden weten als het om ingrijpen gaat." (42) Kuitert wil alleen niet van euthanasie spreken als een arts de tijd gekomen acht om terug te treden. Door zo te definiëren bereikt hij, dat de vraag naar het geoorloofd zijn van het beëindigen van het leven van b.v. zwaar gehandicapte baby's, helemaal los komt te staan van de vraag naar het geoorloofd zijn van het beëindigen van het leven van mensen die daarom vragen. Achtereenvolgens zullen nu de antwoorden die de schrijver op beide vragen geeft, besproken, worden.
Zelfbeschikking
Eerst het laatste. Is het geoorloofd om iemands leven op diens verzoek te beëindigen, als hij/zij daar zelf niet toe in staat is? Ja, zegt Kuitert; wanneer vast komt te staan dat zo'n verzoek volkomen vrijwillig en na rijp beraad gedaan wordt, mag je het niet afwijzen. Wij mogen nl. niet beschikken over het leven en de dood van een ander, in het algemeen gesproken.
Een mens moet daar zèlf over kunnen beschikken. Daarmee valt het woord, dat in dit boek een voorname rol speelt - het is ook in de ondertitel opgenomen: zelfbeschikking. 1) "De vrijheid over mijn leven en dood te beschikken komt alleen mijzelf toe en is gebaseerd op het recht om over mijzelf te beschikken." (69) De schrijver hamert zo op het recht op zelfbeschikking, omdat hij zeer geducht is voor een samenleving waarin de mens zijn vrijheid kwijt raakt. "Er zou niet zo om zelfbeschikking worden geroepen als dokters niet zo over je beschikken." (32) Daarom: "Het woordje zelf in zelfbeschikking staat niet tegenover God (...) maar het staat tegenover de anderen." (68) De vraag, die een gelovige nu op de lippen brandt, is natuurlijk, of het recht op zelfbeschikking wel een plaats kan hebben in een christelijke levensbeschouwing. Als je belijdt, dat God de Schepper en Eigenaar van het leven is, en dat Hij in Zijn voorzienigheid onze dagen bepaalt, kun je dan volhouden dat wij het zijn die over ons leven en over onze dood mogen beschikken? Ja, zegt Kuitert, waarom niet? Die belijdenis heeft toch nooit uitgesloten de erkenning van onze verantwoordelijkheid? Schept God niet het menselijk leven langs de weg van het besluit van een man en een vrouw, om huwelijksgemeenschap met elkaar aan te gaan? Zelfbeschikking kàn ingaan tegen Gods beschikken over ons, maar dat hoeft niet. "Het geloof dat ons leven een gave van God is verzet zich niet tegen het beschikken over onszelf maar tegen willekeurige, niet zorgvuldig overwogen zelfbeschikking. Lichtvaardige zelfbeschikking is één ding; als mensen na beraad, gebed en gesprek tot de overtuiging komen dat ze niet verder willen en van God ook niet verder hoeven, is iets anders." (84) Door zo het element 'zelf' af te zetten, niet tegen God maar tegen de ander, maakt de auteur dat het begrip 'zelfbeschikking' inderdaad ingepast kan worden in de woordenschat van het christelijk geloof. Zoals prof. dr J. T. Bakker het formuleert in het Gereformeerd Weekblad (Kok) van 22-1-1982, hoeft het niet langer gewantrouwd te worden: "De zelfbeschikking zou verstaan moeten worden als een moment in Gods beschikken over mij." Hij blijft op deze wijze echter een formeel begrip. Inhoudelijk zegt het niets. Wannéér hoeven we van God niet verder? Hoe stel je Zijn beschikking vast? Anders geformuleerd luidt de vraag: wat zijn de normen waaraan wij ons inzake ons eigen leven en onze eigen dood moeten houden, wil onze beschikking deel uit maken van Gods beschikking?
(wordt vervolgd)
Noot
1) De ondertitel luidt: euthanasie en zelfbeschikking als moreel en godsdienstig probleem.