Een gewenste dood (2-slot)

1982-07-16
  • Jaargang 26
  • nummer 28
Het zesde gebod
Het ligt voor de hand om ter beantwoording van deze vraag te verwijzen naar het 6e gebod. "Gij zult niet doodslaan" - hebben wij daar niet in alle duidelijkheid de norm voor ons, waaraan wij ons hebben te houden in vragen aangaande euthanasie? Volgens de auteur niet. Hij betwist de duidelijkheid van het gebod, door te wijzen op de vele uitzonderingen die erop gemaakt worden. Als dit gebod b.v. niet geldt in het kader van oorlogsvoering, waarom zou het dan wel een absolute veroordeling van euthanasie inhouden? (35 v.) Nu is dit een wel wat karige, om niet te zeggen vluchtige bespreking van zo'n kardinaal bijbelgegeven. Er valt warempel meer over te zeggen dan de schrijver doet. Je zou van een theoloog van zijn formaat ook meer verwáchten. Of is het juist typerend voor zijn denkwijze, dat dit gebod slechts een zijdelingse rol speelt in zijn boek? Het ligt inderdaad in de aard van de ervaringstheologie, dat zijde normen voor ons leven nergens anders verwacht zichtbaar te worden' dan in 6nze overwegingen o.g.v. onze ervaringen. Wanneer je, zoals Kuitert, in het 6e gebod een universeel besef. onder woorden gebracht acht, is het misschien alleen maar logisch dat je minder geïnteresseerd raakt in de bijbelse lijnen die erin- samen komen dan in de algemeen menselijke ethische gevoelens. Deze lijn tekent zich in elk geval scherp in het boek af.
Er valt op een tweede reden te wijzen, waarom de auteur niet zoveel doet met het 6e gebod. De Here God roept hierin ons mensen op om Hem te volgen in Zijn afkeer van de dood en Zijn keuze voor het leven. Welnu, die schrille tegenstelling wordt door Kuitert afgezwakt. Hij volgt Karl Barth in diens these, dat de dood bij het leven hoort. "Het begin van een mensenleven en het einde ervan - in de vorm van het sterven - behoren beide tot de schepping, en kunnen dan ook beide aanvaard worden als goed, als weldaad die uit Gods hand ontvangen wordt." (90) Zeker, Paulus' betiteling van de dood als een vijand (1 Cor. 15 : 26) strookt tot op zekere hoogte met onze ervaring. "Hoezeer ook een gegeven dat tot onze geschapen werkelijkheid behoort, wij kunnen er niet tegen en weten.
er geen raad mee." (89/90) f\1aar de angst voor de dood kan, op welke gronden ook, overwonnen worden (85, 90). En omgekeerd, het leven kan een vriend in een vijand verkeren. Er zijn situaties waarin het leven geen vreugde meer is, het lijf geen geschenk, waar .God nog eer mee kan behalen (85). Zo gezien staan leven en dood niet meer tegenover elkaar als Gods goede schepping en de straf op de zonde, maar gaan ze samen als natuurlijke gegevens, ondanks de enorme spanning die tussen beide .bestaat. De theoloog spreekt hier van 'dialectiek'.

Leven-dood
In deze visie kan geen sprake meer zijn van een eenzijdig en tot het laatste toe hardnekkig verzet tegen de dood. Stellig, de dood moet bestreden worden) en Kuitert oefent scherpe kritiek uit op hen die passief de dood willen afwachten (92/93). Maar niet minder stellig geldt, dat wanneer men zich met de dood verzoend heeft omdat het leven geen vreugde meer is, er geen reden is om halsstarrig aan dat leven vast te houden en de dood zolang als maar mogelijk is weg te duwen. Ziehier het antwoord dat de schrijver geeft op de vraag, wat de norm is waaraan wij ons in de beschikking over ons leven en onze dood moeten houden. Omdat de dood z.i. deel uit maakt van de goede schepping van God, kan het geheel i.o.m. Gods wil zijn als een mens zèlf zijn leven aan God teruggeeft. "Voor zover het in het helpen aan een zachte dood om een weldaad gaat waarom gevraagd is omdat de betrokkene voor deze laatste weldaad op anderen is aangewezen, is euthanasie een moreel geoorloofd daad." (60) Het is van belang in te zien, hoezeer deze stellingname bepaald is door het ervarings-theologisch uitgangspunt. De belangrijkste beslissing bij de beoordeling van dit boek moet dan ook genomen worden m.b.t. dit uitgangspunt. Voor wie op de klassiek reformatorische wijze de openbaring van God en Zijn wet niet verwacht binnen de eigen ervaringen en gedachten, maar zich daarvoor verlaat op de Heilige God, zal de weg waarlangs de moeilijke vragen rond euthanasie beantwoord, moeten worden, een geheel andere zijn. Wie vasthoudt aan de onverzoenlijke, niet-dialectische tegenstelling tussen leven en dood, zoals de bijbel ons die voorhoudt, zal zich veeleer herkennen in wat de medicus dr. D. J. Bakker schrijft in het blad "Beweging" (oktober 1978) dan in de beschouwingen van dr. Kuitert: '"We strijden ons hele leven tegen de zonde, waarvan we weten dat Christus haar overwonnen heeft, terwijl we weten dat we in dit leven nooit geheel zondeloos zullen worden. Op dezelfde wijze; meen ik, hebben we te strijden tegen de dood, die door Christus overwonnen is, in het besef hier op aarde nooit geheel 'doodloos' te zullen worden." Een stelling, waaraan Bakker de conclusie verbindt, dat actieve euthanasie (in het spraakgebruik van Kuitert eenvoudig 'euthanasie' genoemd) door christenen moet worden afgewezen. Het bovenstaande heeft betrekking op levensverkortend handelen op verzoek. Gescheiden, daarvan gaat het boek van dr. Kuitert, zoals gezegd, in op de vraag naar het geoorloofd zijn van de beëindiging van het leven van mensen die tot zo'n verzoek niet in staat zijn. Is er sprake van een plicht om allen, die zich niet meer of nog niet kunnen uiten, in leven te houden (denk b.v. aan mensen in langdurige coma, .zwaar gehandicapte pasgeborenen, demente bejaarden)? Ja, zegt de schrijver volmondig. "Alleen 'op verzoek' iemands leven beëindigen is geoorloofd, 'niet op verzoek' is niet geoorloofd." (64) En hij laat daarop volgen: "Alleen de trouw aan dit uitgangspunt kan verhinderen dat oma bang wordt voor haar kleinzoon die arts is en lid van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie."

Zinloos medisch handelen
Toch is daarmee de kous voor hem niet af. Vanouds is de medicus geconfronteerd met de grenzen van zijn kunnen, en zo ook met de zinloosheid van medische handelingen. Prof. dr G. A. Lindeboom schrijft in zijn brochure Euthanasie en Euthanasiasme: "De arts kan te lang, verbeten, doorgaan met een belastende behandeling, waarvan het uitzichtloze voor hem duidelijk zou moeten wezen." (30) Het zijn deze zinloze medische handelingen waarbij Kuitert aanknoopt als hij toch een uitzondering wil doen gelden op de regel, dat alle mensen die zich niet kunnen uiten, in leven moeten worden gehouden. Er kan een moment komen "waarop medische behandeling zinloos wordt omdat alles wat verder nog geprobeerd kan worden, niet meer bijdraagt aan het welzijn van de betrokken patiënt. In dat geval wordt de behandeling gestaakt." (65) Dekt dit standpunt het traditionele inzicht, dat het nalaten van levensverlengend handelen onder bepaalde omstandigheden niet a priori onverantwoord mag worden genoemd (Lindeboom, 32/33)? Nee. Kuitert vult nl. het begrip 'zinloos medisch handelen' anders in. "Een medische behandeling is zinloos wanneer er van die handeling geen resultaat te verwachten is dat het welzijn van die bepaalde patiënt dient." (45) En het welzijn van de patiënt hangt z.i. samen met de kwaliteit van het menselijk leven dat in het geding is. (47) "Menselijk leven kan door de bodem van wat nog menselijk is, heen zakken en niet meer de kwaliteit van 'menselijk' vertonen." (49) Wanneer nu een arts tot het oordeel komt dat het leven van een patiënt niet (meer) beantwoordt aan, de maatstaven van menselijkheid, moet hij de behandeling staken; die is dan immers zinloos geworden. Maar hoe kan een arts dat beoordelen? "In de kennis en kunde van de arts ligt een waardeoordeel over wat menselijk leven is en wat niet (meer) opgesloten, en aan dit waardeoordeel komt heel de samenleving te pas." (65) De auteur is er zich van bewust, dat dit waardeoordeel niet in alle tijden en in alle culturen gelijk uitvalt. (49/50) Niettemin meent hij dat er niet aan te ontkomen valt als samenleving een 'onderste grens van welzijn' vast te stellen als criterium voor het staken van een behandeling (48, 50). Daarmee neemt hij veel, zo niet alle geruststelling weg, die besloten lag in zijn stelling, dat alle mensen die zich niet meer of nog niet uiten kunnen, in leven moeten worden gehouden. Uiteindelijk hangt het volgens hem toch van de inzichten van de samenleving af, of de medische behandeling van zwaar gehandicapte baby's of zwaar demente bejaarden 'zinvol' is of niet, d.w.z. toegepast zal worden of niet. Onmiskenbaar een uitvloeisel van zijn ervaringstheologie: de normen voor zinvol leven en welzijn worden openbaar in de ideeën die culturen en samenlevingen zich vormen, afgaande op hun ervaringen. Ook in dit opzicht doet wat ds D. J. Bakker schrijft in het genoemde nummer van "Beweging" veel meer recht aan de krachtige bescherming van het leven waartoe het 6e gebod oproept: "Het be- dan wel veroordelen van een andermans leven valt buiten onze competentie." Maar betekent een aldus bepleite onthouding van de beoordeling van de kwaliteit van andermans leven dan in de praktijk niet de plicht, het leven van en stervende tergend lang te redden? Allerminst. Medici van alle tijden delen de mening, dat we van ophouden moeten weten als het om ingrijpen gaat, om het met Kuiterts woorden te zeggen. Dat levensverlengend handelen zinloos kan worden, is vanouds erkend. Maar die zinloosheid wordt niet bepaald door de zinloosheid van het te behandelen leven, maar door de onmacht de dood nog wezenlijk te bestrijden, Is van zo'n onmacht sprake, dan dient de arts van terugtreden te weten. Niet omdat het leven dat hij trachtte te verlengen niet meer de vereiste minimumkwaliteit bezit, maar omdat een eindspel dat totaal verloren staat niet moet worden doorgespeeld.
Stervensbegeleiding
Tenslotte nog één onderwerp uit het boek van prof. Kuitert, dat zeker niet buiten deze bespreking mag worden gehouden, De auteur schenkt nl. ook aandacht aan de stervensbegeleiding, en in het bijzonder aan de troost die de christelijke kerk stervenden te bieden heeft. Hij doet in dit gedeelte uitspraken die behoren tot de meest markante en warme van het hele boek.
"Sterven betekent niet dat de band met God vernietigd wordt maar veeleer vereeuwigd." (108) "We vallen (bij het sterven, vdD) dan wel als verwelkte bladeren, maar er is dan altijd nog Een die zijn handen oneindig teder eronder houdt." (90) "Vriendschap met de' eeuwige God is eeuwige vriendschap die ook door de dood niet ongedaan gemaakt wordt." (101) "Een kerk die niet in het hiernamaals gelooft kan niet troosten met een christelijke troost." (103)
Nergens in zijn boek doet de auteur zich duidelijker als gelovig christen kennen dan hier. Echter: wel als modern christen. Ook dit gedeelte draagt de sporen van een theologie, die het bijbels getuigenis slechts tot gelding wil laten komen binnen onze eigen ervaringen en de verwerking daarvan in het geloof. De scherpe kanten van het spreken van het evangelie over dood en hiernamaals zijn er afgevijld; de toonzetting is er een van romantische mildheid. Maar geen woord over wat de bijbel noemt 'de tweede dood' (Op. 20: 6, 14). Kuitert spreekt wel over het eeuwig wel en wee van een mens, maar zegt daarvan: "Het eeuwig wel en wee van een mens is nog wat anders dan onze denkbeelden over zijn wel en wee. Daarom laten wij een stervende mens tenslotte met een rustig hart uit onze handen gaan." (100/101) Dat de vriendschap met de eeuwige God er niet vanzelf is, maar dat een mens door het geloof in de Verzoener Jezus Christus vijand-af moet willen zijn, wordt evenmin genoemd. Daarmee is niet gezegd dat de auteur van de werkelijkheid daarvan niet wil weten. Wel is opmerkelijk, dat hij zich fel keert tegen het "overvallen van strevende mensen met de evangelieboodschap": "Stervende mensen met de evangelieboodschap overvallen, lijkt mij gebrek aan respect voor een medemens. Zelfs iemands eeuwig wel en wee kan geen reden tot pressie worden." (100) Hij motiveert die uitspraak niet alleen met de waardevolle overweging, dat de evangelieboodschap op het stervensuur mogelijk alleen maar mechanische bevestigingen ,of paniekreacties oproept (99), maar ook vanuit de eis van respect voor de medemens: we moeten "stervende mensen helpen sterven, zonder hen met onze problemen onrustig te maken, hen alleen vragen waar ze behoefte aan hebben, en henzo over de drempel heen helpen." (100) Maar als je werkelijk overtuigd bent van de realiteit van de toorn van God, die volgens de Heilige Schrift blijft op wie aan de Zoon ongehoorzaam is (Joh. 3 : 36), laat je een stervend mens toch niet aan het verkeerde front 'strijden?

Bezinning
Er staan nog meer tot bezinning prikkelende uitspraken in dit gedeelte van het boek, b.v. over de ontkoppeling van organisme en persoonlijke geest bij het sterven (106; vgl. de kwestie Telder!), en over de versmalling van de betekenis van een mens tot zijn politieke en maatschappelijke rol. Maar deze bespreking kan niet op alles ingaan. Afrondend is nu alleen nog de vraag te stellen, wat wij van dit boek kunnen leren. Allereerst moet genoemd worden de ernst die Kuitert maakt met de waarheid, dat God niet altijd blinde gehoorzaamheid vraagt. Bij het bekend maken van Zijn wil negeert de Here de menselijke vermogens tot inzicht niet. Een van de heel mooie kanten van de bijbelse wetgeving is, dat het gebod zo vaak wordt gemotiveerd. Denk maar eens aan de reden die Deut. 5 : 15 geeft voor het gebod, ook de dienaren op de sabbat te laten rusten. Talloze andere voorbeelden kunnen worden aangevoerd om duidelijk te maken, dat de Here er naar streeft dat wij al nadenkend instemmen met Zijn geboden. Dit boek stimuleert ertoe, om aangaande het euthanasievraagstuk niet simpelweg te verwijzen naar wat geschreven staat als een norm waaraan wij ons nu eenmaal hebben te houden, maar om al denkend tot op zekere hoogte de zinvolheid van de bijbelse normen te pogen in te zien. In de tweede plaats kunnen we van dit boek leren, dat een simpelweg zich beroepen op de bijbelse geboden niet toereikend is voor een verantwoorde beslissing inzake euthanasie. Het is te gemakkelijk om met een beroep op het 6e gebod elke discussie over euthanasie te smoren. De toepassing van de geboden vraagt bezinning, doordat God van ons wel kinderlijke, maar geen kinderachtige gehoorzaamheid vraagt: Hij bakent onze gangen niet tot op de centimeter nauwkeurig af, maar roept ons bij monde van Paulus op te trachten te verstaan wat Zijn wil is (Ef. 5 : 17) Prof.' Kuitert gaat ons voor in de volle inzet van het menselijk verstand, die onmisbaar is voor het gehoor geven aan die oproep. In de derde plaats drukt dit boek ons er met de neus op, dat God binnen Zijn voorzienig bestuur over leven en dood aan de mens enorme verantwoordelijkheden gegeven heeft. Psalm 8 bezingt de hoge positie van de mens - "Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt" (vers 6). Bijna goddelijk.
Van dáár, dat wij de grens tussen leven en dood als maar kunnen verleggen. Prof. dr P. J. Roscam Abbing publiceerde over de onderhavige problematiek een boek dat hij zeer treffend noemde "Toegenomen verantwoordelijkheid". Het boek van dr. Kuitert Ieert ons die zo onvoorstelbaar toegenomen verantwoordelijkheid niet te willen ontwijken. Het doet een poging haar te erkennen, zonder daarmee het bestuur van God 'te miskennen. Als zodanig heeft het ons iets te zeggen. Want het is waar: de verwijzing naar Gods, beschikking over ons leven ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid waarvoor de moderne medische macht ons stelt.

God-mens
Samenvattend kan gezegd worden, dat dit boek terecht gepakt is door de mondigheid waardoor het christelijk leven gekenmerkt wordt. De vraag is echter aan prof. Kuitert te stellen, of wij niet veel meer met de begrensdheid van die mondigheid hebben te rekenen dan hij doet. Als het erom gaat dat God niet altijd blinde gehoorzaamheid vraagt, moet dan ook niet erkend worden dat de Here ons óók geboden op kan leggen die wij niet beredeneren kunnen? En wordt de oproep, om te trachten te verstaan wat de wil des Heren is, niet voorafgegaan door de openbaring met zoveel woorden: dit wil God... (vgl. Micha 6 :8; 1 Thess. 4 : 3)? En is het niet wezenlijk voor Gods beschikking, dat dit zich wel vaak heenvlecht door onze beschikking, maar misschien nog wel vaker daar dwars door heen slaat (vgl. Spr. 16 : 9)? Van die soevereiniteit van God, in Zijn wetgeving en in Zijn bestuur, komt in dit boek weinig over. Vanuit zijn ervarings- , theologisch uitgangspunt kàn de auteur daar ook weinig van over laten komen; dat klinkt immers elk spreken over God vast aan de menselijke ervaring van Zijn heiligheid, en die ervaring is in onze tijd van secularisatie aan het verschrompelen. Voor wie gelooft dat onze, door de zonde verduisterde, Godservaring geijkt dient te worden aan de inhoud van de Heilige Schrift, en Gods Zelfopenbaring dus niet op die wijze ingebed acht in de menselijke ervaring als Kuitert doet, moet de conclusie dan ook zijn dat zijn boek te weinig eer geeft aan God en teveel er aan de mens.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief