Langs de oude weg

1982-07-16
  • Jaargang 26
  • nummer 28
Onlangs stond in het blad "Actie" van Youth tor Christ een serie artikelen over het Griekenland van nu en de reizen -van Paulus. We vroegen Pieter van Kampen, de schrijver ervan, deze artikelen iets te willen verkorten voor "Opbouw". We hopen dat deze artikelen ook voor wat jongere lezers, aantrekkelijk zullen zijn. H. de Jong

“Egnatia hodos". Het bordje staat wat verloren in de berm. Naast de weg de gladde stenen van de Via Egnatia, de Romeinse heerbaan, die dwars door Griekenland en door het tegenwoordige Joegoslavië liep. Hij begon hier kilometers :verderop.
We zijn de bergkam over. De helling is steil en de bochten zijn scherp. Op meerdere plaatsen zien we huisjes, van gietijzer gemaakt. We weten dat er meestal een foto instaat van iemand die op die plaats verongelukt is; verder een icoon van de Heilige Maagd en een flesje olijfolie. Langs een vijftiental van zulke getuigen van te roekeloos afdalen, komen we aan in Kavala. Toen we net de berg overkwamen, zagen we de blauwe zee schitteren in de middagzon. Ver weg het eiland Thassos en daarachter, nauwelijks zichtbaar, moet Samotraké liggen. En dáár weer, ver achter, buiten ieders gezichtsbereik, weten we de Turkse kust. Ginds ergens lag het oude Troas, waar Paulus zich eens inscheepte voor zijn eerste Europese reis.

Kavala, de stad die Paulus (niet zo) zag
Kavala is het oude Neapolis, de stad waar hij eens aankwam. Hij kwam, gehoorzamend aan een "gezicht"; waarin hij een Macedoniër zag die, hem dringend vroeg naar zijn land over te steken. We lezen erover in Handelingen 16. Een schitterend zandstrand. Tamelijk brede boulevards, een paar ruime pleinen. Palmbomen en een soort bomen met rose bloem; ze doen me denken aan de staarten van papieren pauwen op kinderijsjes. Heel wat verkeer. Ook nog scooters - die zie je bij ons niet meer. In de vissershaven wiegen veelal houten vissersboten op de zachte golfslag.
Onder de "skyline" met de gekartelde muur van het oude Turkse fort zit men netten te herstellen.
Ergens achteraf zijn maruien een vissersboot aan het bouwen. De houten hulk wordt riet in de' menie gezet. Op een dek zit een soortement hippie sieraden te vervaardigen.
Allerlei vis, ook inktvis wordt bij een visafslag verhandeld. Wil je exotische schelpen hebben: ze zijn te koop. Zie je ze liever tot (nogal kitscherig aandoende) ezeltjes met karretjes verwerkt? Dat kan ook.
Dé boulevards kent nu vele terrasjes en af en aan lopende obers. Op de hoek van een steil oplopend straatje staat een oude Turkse moskee uit te rusten in de zon. Er woont praktisch geen islamiet meer in Kavala. De Turken zijn anderhalve eeuw geleden verdreven. Men verlangt niet naar een weerzien.

Op het grote plein van de stad staat een fotograaf die met apparatuur klungelt die in 1900 al ouderwets moet zijn geweest. Allerlei bakjes met vloeistof moeten eraan te pas komen, wil het beeld, dat hij naarstig onder een zwarte doek heeft staan nemen, ook te voorschijn komen.
Een bleke foto is het resultaat, maar we vinden het ritueel dat ermee gemoeid is fascinerend.
Van al die dingen heeft Paulus ongetwijfeld weinig gezien.

Niets van wat we er zagen stamt uit Paulus' dagen. Er is alleen een aquaduct, dat volgens onze reisgids Romeins is. Het is een indrukwekkend gebouw, dat wel. Bejaarden nis ten heerlijk uit in de schaduw. Een bordje vermeldt echter dat het bouwsel uit de veertiende eeuw stamt. Zo Romeins is dat niet. Wie weet is mijn nieuwtestamentisch Grieks te beperkt en staat er wel degelijk dat het gebouw uit het jaar nul dateert.

Filippi, waar de aarde beefde
Met onze rug staan we naar de rotswand. Hier ergens hebben Paulus en Silas in de gevangenis gezeten. We kijken uit over het grote theater van de oude stad. Het is grotendeels gaaf. Beneden zijn werklieden bezig; ze plaatsen een podium, voor de uitvoeringen van een toneelstuk van een oude Griek. De akoestiek is perfect... we horen hun woorden uitstekend, begrijpen ze alleen niet.
Een eind verderop loopt de provinciale weg, die Filippi in twee ruïnevelden verdeelt. Het is de oude Via Egnatia, met een asfaltlaag eroverheen.
In de grote vlakte erachter steken pilaren en oude muren boven het hoge gras uit. Ergens in de verte moet een riviertje lopen, de Strymon. Vermoedelijk ergens rechts in het beeld, waar ook veel bomen staan. 'Ver weg staan bergen, gehuld in een blauwachtig waas. De lucht zindert, het is neet. Straaltjes zweet lopen over m'n rug. Zelfs een dochtertje van twee jaar op je rug is teveel, als het ruim veertig graden is.

Burgers van twee werelden
Er is hier heel wat gebeurd. Veel heeft te maken met de geschiedenis van Rome, niet van Griekenland zelf. Rond veertig voor Christus vond een stel vooraanstaande Romeinen dat Julius Caesar wel erg veel macht begon te krijgen. Een dode Caesar was voor Rome beter dan een levende. Na de moord vluchtten Brutus en Cassius, de voornaamste samenzweerders, naar Griekenland, op hun hielen gezeten door de partij van Caesar. Bij Filippi vond de veldslag plaats.
Brutus en Cassius verloren en kregen weinig tijd om over de nederlaag' te treuren. Octavianus, een van de twee leiders van het winnende leger, ging later als keizer Augustus de geschiedenis in. Augustus heeft .dus ook op dit plekje gestaan, dacht ik, rondkijkend over het bijna vlakke terrein.
Het vruchtbare gebied van Filippi (op de heenweg zagen we veel groen op de velden, met name mais) werd een "stekkie" voor veteranen' uit het Romeinse leger. En dat ze Romein waren dat wilden ze weten! Ver van hun vaderstad, staken ze bij wijze van spreken in de snikkende hitte een paraplu op, als het in Rome regende. Veel Latijnse inscripties in Filippi, meer dan we elders opmerkten .Men was trots op het Romeinse, burgerrecht - ze zaten in Filippi, ze hoorden in Rome. Daar doelt Paulus mogelijk ook op, als hij zegt dat Christenen op aarde leven, maar hun "burgerrecht" in de hemel hebben. (hoofdstuk 3 vers 30 van de brief van Filippenzen). Juist in Filippi zou men zo'n uitspraak goed kunnen begrijpen. Filippi was erg Romeins. Zozeer dat er kennelijk ook weinig joden woonden. Waar Paulus ook heenreisde, overal kwam hij wel joden en synagoges tegen. In 'Filippi géén synagoge; men kwam bij elkaar "op een plaats bij de rivier", een paar kilometer buiten de stad. Het was maar een klein clubje, maar later zou Paulus met veel liefde over hen spreken. Hij noemt hen "mijn blijdschap en mijn kroon" (hoofdstuk 4, vers 1). Mogelijk dat hij geen andere gemeente gesticht heeft, waar hij met zoveel dankbaarheid aan terugdenkt.

We lopen de treden van het open luchttheater af. Achter het podium liggen allerlei stenen opgestapeld.
Gewone grauw-grijze stenen, sommige met oude inkervingen. Vlakbij een schitterende platte steen met een stierekop, met zijn horens omkranst. Ik denk tegelijk aan Hand. 14 vers 13 en wenk mijn neef Wim om een dia te maken. Vervolgens de weg over. We lopen een trap af en komen bij het oude forum, de markt. Het was omzoomd door pilaren; sommige ervan staan nog overeind. Waar de zuilengalerijen voor gediend hebben, ik weet het niet. Stalde men er koopwaar uit? Of luisterde je er naar lezingen? Pilaren, omgevallen of nog overeind, steken ook elders boven het hoge' gras uit. Een soort klaprozen en geelachtige bloemetjes vormen een kleurig alternatief voor het overheersende groen. Een diepe stilte ligt over de ruïnes - misschien zijn er twintig bezoekers in de hele stad. Onze jongens springen van de ene steen op de ander. Rosanneke laat zich niet langer opzadelen en schreeuwt zo aanhoudend in mijn oor dat ik haar maar neerzet en laat lopen. De grond is hier en daar nogal ongelijk; elke valpartij wordt met een seconde vervaltijd luid brullend gemeld.
Bij het zoeken naar ontoeristische voorwerpen vindt mijn neef een platte steen, met onbeholpen inkervingen. Een Romeinse soldaat, of een schoolkind? Boter, kaas en eieren op' z'n Romeins? Of meer hinkelen? We weten het niet. Bij het zoeken naar andere stenen klinkt her en der geritsel in het gras. Een hagedis of zoiets. die zich in z'n klassieke rust gestoord voelt.

Het grootste· gebouw is een oudchristelijke kerk, een. basilica, gebouwd in de vorm van een gerechtsgebouw. Bij dateert uit de vijfde of de vierde eeuw, zegt de meegebrachte gids. Een grote kerk, waar de hele gemeenschap, moet hebben in gekund.

Dat had Paulus moeten zien! Toen hij kwam, had hij praktisch niemand aangetroffen, die zelfs maar een denkwijze had waarbij hij zich kon aansluiten. Wel een ineisje dat bezeten was; haar eigenaars waren van het tragische van haar situatie nauwelijks doordrongen; ze hadden alleen oog gehad voor de winst die het waarzeggend vermogen van hun slavin kon opleveren. Paulus had toen die geest - in de naam van Jezus - gezegd dat het uit moest zijn. En het was uit! Het kind was weer normaal. Haar eigenaars niet, die waren zogezegd des duivels. Paulus en Silas waren voor de stadsraad gesleept, nogal geslagen en vervolgens secuur in de gevangenis opgeborgen. Hun voeten werden in een soort blok gedaan - dan liep je minder gauw weg. "Daar zat Paulus in de kerker met zijn medewerker". De uitdrukkingskracht van het kinderliedje is onovertrefbaar. Met pijn over hun hele lijf, een opengeslagen rug, hun voeten onbeweeglijk in boeien die niet als eerste doel hebben de drager comfort te verschaffen, gaan ze zingen, "Rond middernacht waren Paulus en Silas aan het bidden. Ze zongen liederen tot eer .van God! En de andere. gevangenen luisterden ernaar." Allicht. Het moetonmogelijk zijn geweest het te zien en het was wel iets dat. de aandacht trok! Opeens staat de gevangenis op haar fundamenten te trillen. Op dat moment springen de deuren open en de boeien. van de gevangenen gingen los. Je leest het in Handelingen 27 vers 25 en 26.

Filippi, waar de mensen beefden
Het vervolg laat zien hoe ook de mensen beefden. Eerst de cipier die met zijn leven voor zijn gevangenen borg moest staan. Vervolgens ook de leiders van de stad, als ze horen dat Paulus Romeins staatsburger is, die je niet zomaar mag aftuigen.

De cipier wil zelfmoord plegen, hoort dat iedereen er nog is, begint te beven en vraagt iets dat merkwaardig genoemd moet worden: hoe kan hij worden gered? Paulus en Silas spreken met hem over Jezus en hij en zijn gezin worden gedoopt.
Allemaal in één nacht. De avond tevoren ben je nog (misschien verontrust) heiden, en 's morgens ben je een christen die ook al gedoopt is. Ondertussen ben je ook nog bijna dood gegaan, door je eigen hand. Die man had een bewogen etmaal!

De leiders hebben reden persoonlijk Paulus te verzoeken of hij zo goed wil zijn. te vertrekken. Romeinse burgers zonder vorm van rechtspraak beurs slaan, is iets waarmee je last kunt krijgen. Paulus .geeft in zijn goedheid gehoor, aan het verzoek - maar doet het op zijn gemak. Zoekt iedereen, die hij ontmoet heeft nog eens op. En gaat dan weg

Afscheid
- Lydia. Heeft een ommekeer in haar denken meegemaakt. Is christin geworden, heeft zich laten dopen, heeft het gezelschap een poos in huis gehad.
- een slavenmeisje. Bijzonder om niet meer te merken dat je persoonlijkheid "overgenomen" wordt door een macht buiten je beheersing.
Heerlijk om niet meer, dwangmatig achter mensen als Paulus te hoeven aanlopen en hem dan na te schreeuwen. Bijzonder om jezelf te zijn, hoewel haar bazen niet bemoedigend hebben gereageerd.
- een gevangenbewaarder. Wat een emoties, en dat allemaal in één nacht. Bijna dood, toen héél erg levend!
- zijn gezin. Bijna zonder vader. Die aardschok, die consternatie, toen die vreemde gevangene bij hen thuis die gesprekken over Jezus, hun doop. De blijdschap. Maar als ze maximaal zes uur lang geloven, moeten ze op eigen benen staan.
Paulus en Silas moeten vertrekken.
- de mensen die een slavenmeisje hadden, dat eens goed geld waard was en nu...
- de stadsbevolking. Die moesten nu naar een andere zaak uitzien om kwaad over te worden...
-stadsbestuurders. Voortaan toch wat voorzichtiger zijn. Dè rechtsgang is niet zomaar iets om met de pet naar te gooien.
- de werklui die de scharnieren van de gevangenisdeuren eens moeten nakijken. En de boeien zijn ook ondeugdelijk. Trouwens, wat zeg je van de muren?

Paulus en Silas gaan verder. Verder, de Via Egnatia af, richting 'Thessalonica. Het was me de nacht wel geweest. Lopen of rijden met een zeer lijf valt niet mee. Maar goed, dat meisje, hè, dat was belangrijker. En als je je moet laten geselen om een cipier te kunnen bereiken, dan moet dat het je waard zijn, nietwaar? Dag cipier. Dag Euodia en Syntyche. (Zie Filippenzen 4 vers 2) We weten alleen van hen dat ze ruzie maakten en nuttig werk konden doen.

Dag Lydia. Als je je nu in de rivier had laten dopen, had je een infectie opgelopen. Mooi plekje, dat wel. Al die laaghangende boomtakken.
Maar die afvoerpijp (van het klooster vlakbij") heeft aan de helderheid van het water geen goed gedaan. We keren de wagen, rijden nog een keer Filippi door. "Jullie zijn mijn vreugde en de kroon op mijn werk", zei Paulus eens.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief