Toeristen en Pelgrims
1982-07-30
De vakantie van Kringelein- Jaargang 26
- nummer 29
In het bekende boek van Vicky Baum "Mensen in 't hotel" komt een heer Kringelein voor. Hij is een boekhoudertje, die zucht onder de dwingelandij van zijn werkgever en de nukken "van zijn vrouw. Op een dag hoort hij van de dokter dat hij ongeneeslijk ziek is en nog maar een maand te leven heeft. Hij besluit dan in die laatste weken van zijn leven het er nog eens goed van te nemen. Hij neemt vakantie, gaat in een duur hotel wonen in een grote stad en doet alles waar hij zin in heeft. Eindelijk is hij volkomen vrij. Nu leeft hij pas echt. Kringelein is uit het leven gegrepen.
Voor velen is de vakantie het echte leven. Dan kunnen we onze schade inhalen. Dan zijn we vrij om te doen wat we willen. Als we dan van vakantie terugkomen en weer aan het werk moeten is de overgang wel moeilijk. Zo graag houden we de vakantie nog wat vast. We hebben nog vakantiefoto's waar we met een tikkeltje weemoed naar kijken. We praten nog wat na over de' vakantie, maar toch: de vakantie is voorbij. Je kunt de tijd nu eenmaal niet vasthouden.
Toeristen
Ja, nu is het ook voor ons weer zover. De vakantie is aangebroken.
Wat hebben we er vol verlangen naar uitgezien en naar toegeleefd. Sommigen zijn al met vakantie. Anderen zullen spoedig volgen. In de vakantie zwerven we alle kanten uit. Sommigen zoeken het dicht bij huis. Anderen gaan ver weg. In de bossen of aan zee. Velen geven de voorkeur aan buitenland. Oostenrijk is altijd zeer gezocht. En de laatste tijd ook Frankrijk. Door de herwaardering van franc en gulden nog goedkoop ook. Wil je zeker zijn van mooi weer dan ga je zuidelijker. Naar Spanje b.v. Beschik je over een ruimere beurs, dan kun je naar IJsland, Egypte of Ceylon gaan.
Velen gaan per auto. De wagens vaak overvol beladen met dingen, die je niet nodig hebt. Anderen, meer sportief, trekken er per fiets of zelfs lopend op uit. Zij passen er wel voor op overtollige bagage mee te nemen. , Ook onze vakantie-idealen zijn erg verschillend. Voor sommigen is het hoogste genot om in de vakantie een zo donker mogelijke huidskleur te krijgen. Ze hebben er uren lang bakken in de zon voor over. Dan heb je ook nog de kilometervreters, wier ideaal het is op één dag zoveel mogelijk kilometers af te leggen. Thuis gekomen kan men dan met trots vertellen, waar men zo al geweest is. Gezien heeft men meestal niet veel. Het valt niet mee om dé techniek de baas te blijven.
Daar zijn gelukkig ook veel anderen, die met vakantie gaan om uit te rusten, nieuwe kracht op te doen, te genieten van de schoonheid van andere streken of zich geestelijk te verrijken' met andere culturen.
Alles heeft zijn tijd
Elk ding onder de hemel heeft zijn tijd, zo zegt de Prediker. Daar is een tijd om vakantie te houden, maar ook een tijd om te werken. Zowel die vakantietijd als die werktijd zijn geschenken van God. Immers de tijd is niet van ons, maar van God. Met vakantie zijn we vrij van ons dagelijks werk, maar ook dan zijn we geroepen tot de dienst van God. God is zo genadig voor ons, dat Hij aan de meesten van ons vakantie geeft van ons dagelijks werk, opdat we kunnen rusten en ons verheugen in het werk van Zijn handen. De Engelsen hebben. een mooi woord voor vakantie: .”Holydays", heilige dagen.
Vakantiedagen zijn heilige dagen, dagen die op God betrokken zijn. Wij moeten niet de vakantiedagen en werkdagen tegen elkaar uitspelen. Ze hebben beide hun betekenis. Beide hun tijd. Beide zijn een geschenk van God. Als we zo vakantie beleven is het ook weer fijn om na de, vakantie weer aan het werk te kunnen gaan.
Ja, de tijd is niet van ons, maar van God. Gebruiken we die tijd dan ook in Zijn dienst, zo lang Hij ons het leven geeft?
Dat gebruiken van de tijd zal natuurlijk niet altijd bestaan in "normale" arbeid. Velen zijn daartoe nog niet of niet meer in staat, terwijl steeds meerderen door werkloosheid uitgeschakeld zijn. Maar in de dienst van God is geen sprake noch van vakantie, noch van werkloosheid. Laten we Zijn tijd goed gebruiken.
Pelgrims
Het is prachtig om af en toe een toerist te kunnen zijn. Laten wij allen, toeristen en thuisblijvers, er wel aan denken, dat we allen, waar we ook zijn, ook nog een ander soort reiziger zijn, nl. pelgrims.
Pelgrims, want we zijn op reis, op weg naar een beter vaderland. Niet, dat we daarom ons aardse vaderland moeten minachten of geen vakantievreugd mogen hebben. Integendeel, ons aardse vaderland mag ons zeer ter harte gaan. Ook echter in de vakantie, als we ons gaan ontspannen, mogen we toch niet vergeten, dat we op weg zijn naar ons hemels vaderhuis. Teveel hebben we de neiging ons meer als toeristen dan als pelgrims te gedragen.
Het liefst reizen we, ook als pelgrims, met volgeladen auto's. Veel kleren en proviand bij ons. En liefst nog een dikke portefeuille ook. Je kunt nooit weten. We vergeten zo vaak, dat ons laatste hemd geen zakken heeft. Bij ons sterven kunnen we niets meenemen. Pelgrims moeten zonder bagage wandelen. Hen ontbreekt niets, als ze maar in de voetstappen van hun Heer wandelen. Die heeft immers gezegd, dat Hij het brood is van het eeuwig leven.
Hoe pelgrims moeten reizen lezen we in psalm 121. Dat lied zongen de pelgrims, als ze naar Jeruzalem trokken. Als ze door gevaarlijke bergen trokken, zongen ze van hun vertrouwen op God. En het afscheidslied van de thuisblijvers was: de Here zal uw uitgaan en uw ingaan bewaren van nu aan tot in eeuwigheid. Ons hele leven dus, tot de laatste uitgang, als we dit leven moeten verlaten. Daarom moeten we ook niet krampachtig leven. Niet als we thuis zijn en niet als toerist met vakantie.
We mogen onbezorgd leven als de leliën van het veld.
Van kracht tot kracht gaan zij steeds voort.
Hun lied weerklinkt van oord tot oord,
tot zij Jeruzalem betreden,
waar alle pelgrims binnengaan
om voor Gods aangezicht te staan.