Christelijke Theologie na Auschwitz (1)
1982-08-20
Een boek- Jaargang 26
- nummer 30
Deze keer wil ik onze rubriek 'kerkelijk leven' eens gebruiken om iets te vertellen over een boek da1 ik in deze zomertijd (gedeeltelijk, want het is erg dik!) gelezen heb en dat niet nagelaten heeft in brede kring grote aandacht te trekken. Het is van de hervormde predikant van Heemstede, dr Hans Jansen, en het heet 'Christelijke ' Theologie na Auschwitz'; deel I, met als ondertitel 'Theologische en kerkelijke wortels van het anti-semitisme'. Een tweede deel, getiteld 'Christelijke Theologie en de overleving van het Joodse volk' is in het vooruitzicht gesteld. In het Parool van 19-6 j.l. schreef de recensent: "Christelijke Theologie na Auschwitz kan tot de belangwekkendste boeken van de laatste jaren worden gerekend op een terrein waar de meeste theologen en talrijke christenen helaas haastig langs glippen". Om door dit verwijt niet getroffen te worden wil ik wat breder op dit boek en de daarin aangesneden werkelijkheid ingaan.
Auschwitz als keerpunt
Hoewel ik mij over veel dat in dit boek over de christelijke bejegening van het Joodse volk verteld wordt diep schaam, ben ik nochtans door de strekking ervan niet overtuigd.
Deze strekking wordt door de hoofden ondertitel van het boek bondig onder worden gebracht. Auschwitz - zo omschrijf ik - zou in de christelijke theologie, in het kerkelijk denken en in het christelijke Ieven in het algemeen een radicale omwenteling teweeg moeten brengen.
Hebben wij tot dusver als christenen geleefd en gedacht op een wijze die de gruwel van Auschwitz heeft mogelijk gemaakt en zelfs bevorderd, nu de verschrikking van deze moord op het Joodse volk in haar volle omvang openbaar en algemeen bekend is geworden moeten wij ons van dat denken en leven van vroeger totaal bekeren. Dit betekent dat wij de blijvende uitverkiezing van het Joodse volk volmondig hebben te beamen en de joodse identiteit volledig hebben te erkennen, hetgeen dan vooral hierin tot uitdrukking moet komen dat wij inzien dat de zending onder de Joden de meest tragische en rampzaligste dwaalweg van het christendom is geweest. (p. 27/28) En de vaak gehoorde conclusie hieruit: zo wij tot die zending ooit enig recht hebben gehad, - in Auschwitz is overduidelijk gebleken dat dit recht niet bestaat.
Recht?
Nu moet mij direct al van het hart dat ik ten aanzien van de christelijke zending (tot wie dan ook maar) nog nooit gedacht heb in de termen van 'recht'. Steeds 'is mij in mijn opvoeding en in mijn opleiding vanuit de Schrift de zendingstaak voorgehouden en deze taak werd zeker niet gebaseerd op de voortreffelijke kwaliteiten van ons christenen, die ons het recht zouden verschaffen... enz. Juist degenen die met die zendingstaak ernst maakten hebben dat gedaan in een sterk besef van eigen zondigheid en onwaardigheid (2 Kor. 3 : 5 v., 1 Tim. 1 : 15). Ze hebben zich verzet tegen hun roeping, hebben ermee geworsteld totdat Gods genade hun te machtig werd. Ik erken volledig dat dit vuur niet altijd even heilig gebrand heeft, zeker niet ten opzichte van het Joodse volk, maar als daaruit de conclusie getrokken wordt dat nu het recht tot evangelie-
verkondiging aan Israëlieten vervallen is, dan wordt alleen maar duidelijk dat bij wie zo spreekt die evangelieverkondiging nooit op een goed fundament gestaan heeft en dat ze inderdaad een uiting was van een hoogmoedige cultuur tegenover een minderheid in haar midden.
Christelijke (zendings)prediking is altijd zoiets geweest als het verhaal van de ene moordenaar aan het kruis tot de andere over de Man in het midden. Laten we dus over het recht tot die prediking maar zwijgen.
'Judenrein'
Trouwens, verwart de schrijver zichzelf niet in een innerlijke tegenspraak als hij even verder op die zelfde pagina 28 (en dat nog wel cursief gedrukt) schrijft: "De ontwikkeling van een 'Judenreine' kerk in Europa is onontwarbaar verwevenmet die van een 'Judenreine" samenleving, die Hitler en de zijnen beoogden". Hoe heb ik het nu?
Juist de zending onder de Joden was toch een poging om de kerk niet '[udenrein' te doen zijn? Stel je nu eens voor dat de christelijke gemeente vanaf het begin van haar weg door de geschiedenis gezegd had: wie we er nu ook bij werven - in ieder geval geen Joden! (Het is een vreemde gedachte juist omdat de stichters van de kerk Joden waren!) Maar goed, laten we 'het ons nier een 'Iudenreine' kerk gekregen hadden. Je zou je dán gemakkelijk eens voorstellen, dat we op die maar kunnen voorstellen dat er iemand was opgestaan die daaruit een politieke conclusie getrokken had en gezegd had: geen Jood in de kerk? - dan ook geen Jood in de samenleving! Met andere woorden: de boven aangehaalde zin van dr Jansen zou dan waar zijn. Maar het is juist de zending onder de Joden die deze zin tot een onzin maakt. En hiermee stuiten we op de alles beheersende strekking van dit boek, waardoor het ver over en ver naast zijn doel schiet: er wordt een veel te nauw verband gelegd tussen christelijk geloof (en theologie) en Auschwitz. Daardoor maakt dit boek deel uit van de eigenaardige soort van literatuur die na de Tweede Wereldoorlog onder de christenen is opgekomen: die van de zelfverguizing. En gek, het zijn juist de Joden zelf die in die christelijke zelfverguizing geen enkel vertrouwen hebben. Of is dat helemaal niet zo gek? Het is goed om na West-Beiroet (ja zeker, christelijke theologie na West-Beiroetl) scherp te luistern naar een kerk die haar getuigenis baseer op 'rechten' ...
Normatief
Is het eigenlijk wel waar en juist gesteld dat een feit als, Auschwitz de christelijke theologie tot in de wortel toe zou moeten beïnvloeden? Christelijke theologie is toch een normatieve wetenschap? (Het gaat me hier meer 'Om het woord 'normatief' dan om het woord 'wetenschap'; daarom verzoek ik degenen die tegen de theologie als wetenschap zijn, nochtans te blijven doorlezen.) Christelijke theologie oriënteert zich toch op de goddelijke openbaring en ze is toch te vergelijken met een gehoorapparaat dat ons helpen kan om de goddelijke openbaring zo duidelijk mogelijk te verstaan? Daarbij is het helaas zo dat ze in het luisteren en vertolken vrij diepgaand de invloed verraadt van de tijdgeest en de haar omringende cultuur. Maar zij bedoelt dat niet! Daarom is het een openbaar cynisme als we aan die beïnvloeding van tijd en cultuur een wettige plaats inruimen. Toch hebben we daar vandaag mee te maken. Ik las vanmorgen (11-8) nog in Trouw: "...werd duidelijk dat wij het christelijk geloof altijd via de cultuur van een bepaalde tijd doorgekregen
Hebben... Het verschil met vroeger is echter, dat de cultuurbepaaldheid er nu bij verteld wordt, terwijl dit vroeger niet gebeurde. Men dacht toen sterk vanuit een absolute stellingname..." (geciteerd uit een VUSA-publicatie). Ik geloof niet dat zo het verschil met vroeger correct weergegeven is. Men was zich ook vroeger het tijdgebondene van theologische uitspraken terdege bewust (zo stom was men nu ook weer niet), maar men streed ertegen, zoals men er aan leed. (Ik heb het over de besten van ons voorgeslacht.) Tegenwoordig evenwel heeft men die strijd opgegeven. Het is toch niet te vermijden, zegt men, dus laten we er maar 'eerlijk' voor uitkomen. Maar precies daardoor heeft de doorsnee-theologie van heden opgehouden normatieve wetenschap te zijn. Want het normatieve tracht aan tijd en toeval te ontstijgen; het zal nooit vrede kunnen sluiten met het ellendige gegeven dat wij bij het lezen van de Bijbel zo diep door de ons omringende cultuur beïnvloed worden. Goede, normatieve theologie namelijk gaat uit van het geloof dat de Here God ons zijn openbaring gegeven heeft opdat we niet stuurloos op de zee van de tijd zouden rondzwalken en niet willoos zouden worden meegesleurd door de stroom van de tijdgeest.
Gebruik en misbruik
Ik ben het daarom oneens met dr S. Schoon, die in zijn dissertatie van onlangs 'Christelijke presentie in de Joodse staat', Kampen 1982, op pg. 166 schreef: "Auschwitz gaat direct de exegese en hermeneutiek aan". Met behulp van deze stelling legt hij aan bepaalde passages uit" de brieven van Paulus het zwijgen op, waar deze scherp stelling neemt tegen het Jodendom van zijn dagen (bijv. 1 Thess. 2: 14 vv.). Zulke teksten zouden namelijk kunnen gebruikt worden om een antisemitische stemming in de christelijke gemeente te veroorzaken of aan te wakkeren.
Maar hoeveel teksten zijn er in de christelijke gemeente niet gebruikt om mensen in hun huichelarij te stijven? Is dat een reden om die teksten buiten spel te zetten? Sinds wanneer sluit misbruik gebruik uit? Wat bijbelse teksten uitwerken in de geschiedenis behoort methodisch niet tot de uitleg en de uitleggingsleer van de Bijbel. Vanuit die geschiedenis kunnen er vragen gesteld worden aan de theologie, dat is waar. Maar de antwoorden op die vragen komen van elders. Uit de openbaring zelf, Dat brengt het normatieve karakter van de theologie met zich mee. Stel je voor, straks komt er weer iemand en die zegt: "West-Beiroet gaat direct de exegese en de hermeneutiek aan". En geloof me, dat gaat gebeuren. Je zult het zien, je zult het zien. Een normloze theologie buigt onherroepelijk mee met het kerende getij in de houding tegenover Israël en de Joden.
Het boek van dr Jansen zou dan ook best eens de afsluiting van een bepaalde naoorlogse periode in de theologie kunnen zijn in plaats van (zoals het bedoelt) een nieuw begin.
Daarom zeggen we nu al vast: dit boek is niet vanwege de gegevens die het verstrekt maar vanwege de strekking waarmee het die gegevens geeft, af te wijzen. Wij zullen dit oordeel in het vervolg nog verder onderbouwen.