Wil het wél zijn in de toekomst
1982-08-20
Ir. v. d. Graaf publiceerde in "De Waarheidsvriend" - wekelijks orgaan van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerkzijn toespraak, die hij hield ter gelegenheid van zijn afscheid als voorzitter van de Gereformeerde Sociale Academie "De Vijverberg" te Ede d.d. maandag 28 juni 1982. Daaruit knipten wij het volgende: - Jaargang 26
- nummer 30
Toen ik dit onderwerp had opgegeven schoot mij een zinsnede te binnen van de socialistische dichteres Henriëtte Roland Holst. Ze schreef ergens: 'toekomst kan heden niet verlossen'.
Zij gaf aan deze stelling wèl een uitwerking naar de kant van die christenen, die een wissel trekken op de toekomst - de eeuwige toekomst - en die dan met het heden een loopje nemen.
Ze heeft natuurlijk gelijk als ze beweert, dat er christenen zijn, die zó hoog opgeven van de eeuwige toekomst, dat ze vandáág niet meer schijnen te (kunnen) leven en alleen maar gericht zijn op evangelieverkondiging voor het heil van de ziel, in verband met die eeuwige toekomst.
Op zich is natuurlijk deze nadruk op onze eeuwige toekomst een eerste vereiste.
Maar nog dezer dagen was er een congres van evangelicals , Grand Rapids, waarin serieus de vraag aan de orde was of het in onze tijd, nu het tóch met onze wereld steeds meer bergafwaarts gaat, mogelijk is om hoop op verbetering te geven door onze sociale inspanning. Er is namelijk een categorie onder de evangelicals, die elk streven naar een rechtvaardiger politieke en sociale structuur in onze tijd tijdverspilling acht en die zich ook passief opstelt in het maatschappelijke leven. Vanuit zo'n visie is een sociale academie niet te bouwen. Prof. Van Ruler zou zeggen dat het in zo'n visie louter gaat om zoveel mogelijk vissen te vangen voor de eeuwigheid uit de visvijver van deze wereld en de rest van de wereld laten zwemmen.
Anderzijds, hoezeer keert de kritische opmerking van Henriëtte Roland Holst zich juist Dokniet naar socialistische kring, in toegespitste zin naar marxistische kring, waarin wel sprake is van hoop op een betere toekomst, naar een betere maatschappij van de toekomst maar waar geen Verlosser aan te pas komt. Wil het wel zijn in de toekomst dan moet er sprake zijn van een belofte, waarvan de vervulling niet van ons mensen afhangt maar van een Belover, die méér is dan een mens. We mogen als christenen belijden dat er een onlosmakelijke verbinding is tussen verleden, heden en toekomst, vanwege God. Er is belofte van een betere toekomst, omdat Christus in het unieke verleden van Kruis en Opstanding, de toekomst definitief bepaald en open legde. Toen heeft Christus de machten in het openbaar ten toon gesteld. Daarom kunnen we vandaag naar de toekomst leven.
Daarom mag en kan ook vandaag de strijd tegen de machten worden aangebonden omdat ze reeds overwonnen zijn.
Bouwen aan de toekomst is een gevleugelde term geworden! Maar als twee mensen dezelfde uitdrukking gebruiken is het daarom nog niet altijd hetzelfde wat zij wezenlijk beogen.
Bij alle nostalgie, die heden ten dage moet worden gesignaleerd, zit het de mens in het bloed betrokken te zijn op de toekomst. Zo heeft God hem geschapen. Maar de beheersende vraag blijft wel HOE wij het verlangen naar de toekomst inbouwen in het patroon van ons denken. Worden wij steeds meer het slachtoffer van het horizontalisme of kennen wij de beleving van die verticale relatie tot God, die in de Bijbel gekarakteriseerd wordt als de vrees van de Naam der HEREN? Dat is: het bang zijn om tegen Goden zijn gebod in te gaan! Hebben we daarvoor echt álles over? Dan is er vanuit de vastheid van het belijden, dat wij IN Christus superoverwinnaars zijn en wordt onze verwachting niet afgesneden. (Spr. 23 : 18).