De verzoeking in de woestijn (1)
1982-08-27
De woestijn in- Jaargang 26
- nummer 31
Tezus is met de Heilige Geest gezalfd. De Vader heeft Hem aangesproken als de Vorst, die Hij zijn volk geven wil. Nu komt zijn eerste koninklijke werk. Voor dat werk drijft de Geest Hem uit naar de woestijn. Niet bepaald een vorstelijk verblijf.
De woestijn is de plaats, waar bijna niets groeit; wat er nog groeien wil is hard en stekelig.
Mensen kunnen er geen bestaan vinden: ze trekken er door, maar zijn blij als ze dat gebied weer achter zich kunnen laten. Dieren wonen er - maar ook niet zo veel.
De woestijn is de plaats, waar sterk op je af komt: de aarde zij om Uwentwil vervloekt, Ze is de plaats van Gods oordeel over de mens - een oordeel, waardoor ook al het geschapene aan de vruchteloosheid is onderworpen (Rom. 8: 20,21). De plaats waar het zuchten van die schepping hoorbaar wordt. Hoe Gods gericht van de woonplaats van mensen een woestenij kan maken, lezen we in Jes. 13 : 19-22: Babel, het sieraad der koninkrijken, de trotse luister der Chaldeeën, zal worden als Sodom en Gomorra, toen God ze onderstboven keerde; het zal in eeuwigheid niet meer bewoond worden, noch bevolkt zijn van geslacht tot geslacht: geen Arabier zal daar zijn tent opslaan, geen herders zullen er legeren; maar hyena's zullen er legeren en hun huizen zullen vol uilen zijn: struisvogels zullen daar wonen en veldgeesten daar rondhuppelen, wilde honden zullen huilen in de burchten en jakhalzen in de paleizen van wellust. Een woestijn met wilde dieren: plaats van gericht.
Huisvesting voor demonen. De plaats waar de Here niet is. Moest daarom misschien ook de zondebok, de bok voor Azazel (met die naam wordt mogelijk een demonische macht aangeduid, wonend in de woestijn), op de grote verzoendag de woestijn ingestuurd worden? En zo de zonden van het volk weggedragen worden van het aangezicht des HEREN? Jezus, die in zijn doop zich vereenzelvigde met onze schuld - die zichzelf tot zonde maakte, hoewel Hij de zonde niet kende - wordt naar de plaats gestuurd, waar Gods toorn over de zonde zo duidelijk is.
Wonderen in de woestijn
Onder dit opschrift "wonderen in de woestijn" komt niet een beschrijving à la Walt Disney van de schoonheid van woestijnplanten en -dieren, Die is er, ondanks de vloek. De doornen en distels hebben een eigen schoonheid. De gedachte aan de vloek van Gen. 3 : 18 lijkt nauwelijks met die schoonheid te combineren. Nog eens: het is niet mijn bedoeling, daarop verder in te gaan. Ik wil alleen in Uw herinnering terugroepen, wat bij vs 3 e.v. over de woestijn is geschreven.
Ze is het gebied, waar de HERE Zich zijn volk tot bruid werft! Dat doet de HERE juist in het oord van de vloek. Of het verbond van de HERE dan ook verlossing brengt!
In die verlossing van mensen mag al het geschapene delen. Ik wees er zo even opdat de woestijn de plaats is, waar het zuchten van de schepping hoorbaar wordt. Rom. 8 : 21, 22 spreekt over de hoop van het geschapene. Er komt bevrijding van de schepping. De slavernij van de vergankelijkheid gaat voorbij. De vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods komt. Ook voor de schepping!
Dit uitzicht nemen we waar in de woorden van Jes. 35: De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis, zij zal welig bloeien en juichen, ja juichen en jubelen. De genade van de HERE opent een wijd perspectief: Hij heft de vloek op, gaat alle tranen van de ogen afwissen. Wie er over nadenkt, gaat meezingen met de dichter van Psalm 139: o God, hoe diep verwonderd ga ik Uw volmaakte wijsheid na en: Gedachten ongeëvenaard hebt Gij, O God, geopenbaard in al de werken van Uw hand.
De strijd in
Eén van de taken van een koning is: oorlog voeren. Niet omdat oorlog voeren een romantisch bedrijf is, een spel voor grote mensen, maar omdat een koning zijn volk moet beschermen. U vindt dat onder woorden gebracht door de oudsten van Israël als ze David koning maken: Reeds vroeger, toen Saul nog koning over ons was, waart gij het, die Israël deed uittrekken en weer terugbracht. En de HERE sprak tot U: gij zult mijn volk Israël weiden en vorst over Israël zijn (2 Sam. 5 : 2). De Geest, waarmee Jezus is gezalfd, drijft Hem de woestijn in. En dat betekent: Hij drijft Hem de strijd in.
Markus zegt: En Hij werd in de woestijn veertig dagen verzocht door de satan. Het zal niet voor niets zijn, dat de evangelist juist deze naam gebruikt: satan. Mattheüs en Lukas spreken van de "verzoeker" en van de "duivel". Markus van de satan - dat betekent: van de' tegenstander. De aartsvijand van God en mensen. Jezus moet die vijand tegemoet op zijn eigen terrein: de woestijn (zie boven).
Om die oorlog te voeren, is Hij gezalfd. Toegerust met de Geest van God.
Het is de strijd, die in de moederbelofte al is aangekondigd. Hij is hèt zaad van de vrouw, gekomen om de vijand de kop te verbrijzelen. Hij had zich laten dopen; zo vereenzelvigt Hij zich met onze schuld. En nu gaat Hij onze oorlog voeren. Ook zo neemt Hij onze plaats in, wordt Hij de tweede Adam.
Vooruitgrijpend op wat nog volgt, kunnen we nu al denken aan het gebed na de doop van de kinderen. We bidden voor die kinderen "dat ze in alle gerechtigheid onder onze enige Profeet, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven, en moedig tegen de zonde, de duivel en zijn gehele rijk strijden en overwinnen mogen..." Dat kunnen we bidden, omdat Jezus voorop ging: de strijd tegemoet. En dat nog wel in de woestijn: moeilijker kon het haast niet.