Christelijke Theologie na Auschwitz (2)
1982-08-27
Luther- Jaargang 26
- nummer 31
Het boek van dr Jansen is verwerpelijk niet vanwege de gegevens die het verstrekt maar vanwege de strekking waarmee het die gegevens biedt, zo eindigden we de vorige week. Ik wil nu een voorbeeld geven van dat eerste en iets doorgeven uit de overstelpende hoeveelheid materiaal die de schrijver over ons heenstort. Diep beschamende dingen .zijn daaronder . Wat heeft de christelijke kerk inderdaad vaak gefaald in haar houding tegenover het Joodse volk! Ik ga een voorbeeld geven uit Luther's 'Tischreden' (misschien het best te vertalen als 'borrelpraat'), gezegden van hem aan de maaltijd die niet alleen door overijverige leerlingen van de grote meester zijn opgeschreven maar later zelfs ook nog zijn uitgegeven. Ik moet de lezer wel verzoeken zich bij wat nu komt aan zijn stoel vast te houden, want er heeft nog nooit zulke bonte taal in ons fatsoenlijke blad gestaan. Hier komt het: "De duivel heeft in zijn broek gescheten en zijn darmen nog eens ontlast.
Dat is het echte heiligdom dat de Joden en al wat Jood wil zijn, moeten kussen, vreten, zuipen en aanbidden". Of: "Er is hier in Wittenberg in onze parochiekerk een zeug in steen uitgehouwen, daar liggen jonge biggen en Joden onder te zuigen. Achter de zeug staat een rabbijn die de zeug bij haar rechterpoot optilt en met de linkerhand de schaamspleet over zich heentrekt, zich dan bukt en met grote ijver de zeug onder haar schaamspleet door in de Talmoed kijkt... Want zo spreekt men bij de Duitsers van iemand die ongemotiveerd grote schranderheit voorwendt: Wáár heeft hij het gelezen? Om maar eens grofweg te zeggen: in het achterwerk van de zeug!" (pg. 152 van dr Jansen's boek).
Roddel?
Het lijkt pure roddel om dit van de grote Luther door te geven. Maar het is toch maar gezegd over het Joodse volk en het is ook na blijven klinken. De Hitlertrawanten hebben dit en meer van dit soort grove schimpliteratuur keer op keer herdrukt. Eén zo'n voorbeeld kan ons schokken en maken dat wij. wat de christelijke houding tegenover het Joodse volk betreft niet lichtvaardig over de achter ons liggende geschiedenis heenlopen. Ik zeg niet dat er doorgaans zo gesproken en geschreven is, maar wel dat dit voorgekomen is. Er is werkelijk reden tot schaamte en berouw.
Maar ik heb nog een reden waarom ik dit doorgeef. Het is een internchristelijke reden. Ik merk bij mijzelf wel eens dat ik als calvinist tegenover Luther en het Lutherdom een minderwaardigheidsgevoel heb. Die Calvijn ook altijd met zijn eeuwige ingetogenheid! Nee, dan Luther!
De ronde Duitser, die het zo sappig kan zeggen! Wat een heerlijke man! Nu, versta mij goed, die bewondering voor Luther, ook op dit punt, blijft bij mij recht overeind staan. Maar hier zie je nu toch de schaduwzijde. Er is uit Calvijn's geschriften niets vergelijkbaars naast deze tafeluitbarstingen van Luther te stellen. Ook dr Jansen moet dat toegeven (pr. 154, al moeten wij op zijn oordeel over de Franse reformator nog terugkomen). Nu, dit voorbeeld kan ons afhelpen van een misplaatst minderwaardigheidsgevoel als volgelingen van de grote droogstoppel uit Genève.
Calvijn
Calvijn is evenwichtiger geweest dan Luther. In het algemeen en ook op het punt van de verhouding met het Joodse volk. Hij heeft niet als Luther een grote ommezwaai doorgemaakt.
Luther begon met een boek 'Dasz Jesus Christus ein geborener Jude ist' en hij dacht dat nu het evangelie gezuiverd was van middeleeuwse dwalingen het Jodendom veel toeschietelijker op de christelijke geloofsprediking zou reageren. Toen hij zich daarin bleek te vergissen, schreef hij 'Von den Juden und ihren Lügen', waarin hij aan al zijn rancuneuze gevoelens tegenover de Joden de vrije loop liet. Calvijn krijgt van dr Jansen na enige bladzijden van overweging op pg.
161 dit oordeel na: "Hij was radicaler in zijn theologisch anti-judaïsme dan al zijn voorgangers, maar in zijn kerkelijk anti-judaïsme was hij milder dan al zijn voorgangers." Vanuit mijn achtergrond voel ik aan dat de schrijver dit oordeel terecht velt: zo ben ik inderdaad opgevoed en opgeleid. In het religieuze is mij een zeer diep 'nee' tegen het. Joodse geloof bijgebracht, maar tegelijk in het burgerlijke een ruime mate van tolerantie met - net als alle andere minderheden (onszelf incluis)recht op een georganiseerd godsdienstig leven.
Goed onderscheiden!
Maar tot mijn verbijstering gaat de auteur even na het boven gegeven citaat als volgt verder: "Maar hieruit mag men niet de conclusie trekken... dat zijn (d.i. Calvijn's) geschriften niet op Hitler preludeerden en geen progromstemming hebben bevorderd. Want de diepste wortel, de 'radix' van het racistische antisemitisme van de 19de en de 20ste eeuw is het anti-judaïsme van de officiële kerken in Europa.
De religieuze legitimatie vond men in deze officiële theologie van de kerken, waarin het jodendom als een volstrekt anachronisme naar voren komt en in de analyse van dit anachronisme was Calvijn radicaler dan alle anderen voor hem". Hier staat toch eigenlijk dat Calvijn, die in het praktische niet op haat of vervolging van de Joden heeft aangedrongen maar zich juist door mildheid en gematigdheid van zijn tijdgenoten onderscheidde, niettemin met zijn leer de grootste bevorderaar van het antisemitisme geweest is. Volgens de hoofdstelling van het boek dat 'Auschwitz' de uiteindelijke logische toepassing van' negentien eeuwen christelijke prediking met betrekking tot het Joodse volk geweest is (pg. 429). Ik wil me hier met alle kracht tegen verzetten, omdat ik vind dat hiermee een pijler vanonder onze beschaving wordt weggetrokken. Dit zou immers betekenen dat wij niet kunnen en dus ook, niet meer mogen onderscheiden tussen personen en zaken; tussen verwerpelijke opvattingen en de dragers van zodanige opvattingen. Wie het communisme met degelijke argumenten afwijst, is of wordt een comnunistenvreter en moet ervoor verantwoordelijk worden gesteld als er kampen voor hen worden ingericht. Daar komt het toch op neer? Met kracht wijs ik dit af. Het is met het discretie-vermogen in onze tijd toch al bar slecht gesteld en de jaren des onderscheids lijken wel voorbij in onze cultuur, maar het is zeker dat met zulk geschrijf aan de restanten van dit kostbare goed een geduchte slag wordt toegebracht. Vooral als je overweegt dat deze 'wijsheid' in de naaste toekomst van veel kansels af over het kerkvolk zal neerdruppelen.
Calvinistische prediking
Zou ik niet mogen zeggen dat ik het Jodendom zeer grondig afwijs? Ik zeg het luid en duidelijk en met redenen omkleed. Wanneer ik preek, wanneer ik catechisatie geef, ik zeg het. Maar ik zeg het zo dat er geen spiertje antisemitisme inzit. Ik zeg bijvoorbeeld dat de Joden in het Evangelie als spiegels staan opgesteld opdat wij die het lezen onszelf daarin zouden zien en herkennen.
Ik zeg Luther achterna dat als je een. mens wie het ook is open snijdt er een farizeeër uitspringt.
Calvijn gaat met zijn 'nee' tegen het Jodendom dezelfde kant op, zoals Jansen trouwens ook schrijft (pg. 157). Veroordeling met de spits naar' de gemeente toegekeerd. Heeft deze prediking nu echt antisemitisme gekweekt? "Wees niet hooggevoelende maar vrees!" - dit woord van Paulus (Rom. 11: 20) geeft precies de geestelijke sfeer aan van de calvinistische prediking als het ging om de afwijzing van het Joodse geloof. "Als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen". Mensen die in de 'Oorlogstijd onder deze prediking zaten hadden tegelijk Joodse onderduikers in huis. Degenen (ook Jansen, pg. 446) die zeggen dat dit laatste veel te weinig gebeurd is hebben gelijk. Inderdaad: "Er is geen enkele reden voor de Christenheid zich hier te beroemen", (H. C. Touw in 'Het verzet der Hervormde Kerk"). Toch stak calvinistisch Nederland relatief gunstig af bij de rest. En let wel, we hebben het er nu over of dat het calvinisme voor het antisemitisme het meest verantwoordelijk zou moeten worden gesteld.
Dat is niet waar te maken en deze beschuldiging behoeven we ons dan ook niet te laten aanleunen.
Schuld
Schuld is namelijk een menselijk gegeven waar met uiterste zorgvuldigheid mee moet worden omgegaan. Het is gevaarlijk daarvan ook maar voor een gram teveel onterecht op zich te nemen. Men doet dat wel eens in een vlaag van rouwmoedigheid vermengd met gemakzucht: "ik neem alle schuld op me!", maar men moet het wantrouwen; er komt nooit iets positiefs uit voort. Ongezonde zelfhaat is er het gevolg van en er treden daardoor psychische wetmatigheden in werking met gevolgen die tegengesteld zijn aan wat men bedoelt. De schrijver van het onderhavige boek heeft daar ook oog voor, getuige het woord van Franz Rosenzweig dat hij op een van de voorpagina's aanhaalt: "De diepste grondslag van de christelijke haat tegen de Joden ligt in de zelfhaat van de christenen, in de haat tegen zijn eigen onvolmaaktheid, tegen het eigen nog niet". Als dat waar is, moeten we oppassen met alles wat die zelfhaat aanwakkert. Daarom bestrijd ik met hand en tand iedere onzorgvuldige beschuldiging die tegen het calvinisme wordt ingebracht, want mensen die zich daardoor onterecht laten belasten, kunnen gevaarlijk worden. Wij moeten het als christenen met de Bijbel mee vaak over onze schuld hebben, maar laat het alsjeblieft nooit slordig gebeuren. Daar komen ongelukkigen van. Ook naar Israël toe.