De voorzeide leer

1982-08-27
  • Jaargang 26
  • nummer 31
Jeremia en Ezechiel, deel 1H b uit "De voorzeide leer" door ds C. Vonk

Ds Vonk heeft in deze reeks weer een nieuwe bespreking gegeven van enkele bijbelboeken. Hij is als een gids, die je rond leidt en zegt: let hier eens op en heb je dat al opgemerkt. Hij is in het land van de bijbel thuis en maakt ons er in thuis en dat is toch de bedoeling.
Eerst een paar opmerkingen uit Jeremia, die me troffen.
Vonk bespreekt in par. 31 op pag. 330 de passage 4: 9-17, waar voorkomt de tekst: ze zeiden: Gij hebt dat volk en Jeruzalem ten zeerste misleid. Wie zeggen dat en is het niet erg, te zeggen dat God zijn volk bedriegt? Onder zij die dit zeggen verstaan sommigen de valse profeten, die omdat hun profetieën niet uitkomen, de HERE verwijten dat Hij het. volk bedriegt.
Maar Vonk kiest voor de lezing, die de St. V. al had: ik zeide, dat is dus de profeet. En hoe het dan met het bedriegen door de HERE zit, waaraan God schuld heeft, wel, de bedoeling is, dat God dat bedrog door de valse profeten als een straf over het volk heeft doen komen.
Op pag. 380 gaat Vonk in op de kritiek, die op Jeremia is uitgeoefend, omdat hij de HERE gevraagd heeft zijn tegenstanders hun gerechte straf te geven, 18: 18-23.
Moest Jeremia zijn vijanden niet liefhebben? Matt. 5: 44, Luk. 23: 34, Hand. 7: 60. Aalders in de K.V. Jeremia 1, pag. 164: Jeremia laat zich toch te ver voeren door zijn eigen toorn, het komt hem niet toe het onheil over zijn tegenstanders in te roepen. Dat behoorde hij over te geven in 's HEREN hand. Terecht wijst Vonk er op, dat zijn tegenstanders niet Jeremia's woord verwerpen, maar Gods Woord. En hij wijst o.a. ook op het feit, dat Gods oordeel over zijn ontrouwe verbondsvolk van deze bedeling niet lichter, maar zwaarder wordt genoemd (Hebr. 10: 29-31).
Als er in Jer. 23 : 1-4 over de goede herders gesproken wordt, die God geven zal, is het waarschijnlijk te mogen denken aan Christus 'apostelen'.
Deze opmerking lijkt me juist. Wat Vonk schrijft over de profetieën tegen de verschillende volken zoals Edom, Moab, Ammon, Egypte en Babel, dat die door Jeremia niet rechtstreeks aan de volken gericht zijn, maar aan Israël, ter waarschuwing en troost en om te laten weten, dat God de Heer regeert, is ter zake.
Wat Ezechiel aangaat, mij trof de verklaring op pag. 499, hst. 8: 17, waar de N.V. heeft: en zie, zij houden een wijnrank bij hun neus. Vonk wijst er op, dat het hebreeuwse woord zemora door Eichrodt vertaald wordt met 'stank'. En eigenlijk staat er niet 'hun neus', maar 'mijn neus', namelijk die van de HERE. Sommige verklaarders vonden het oneerbiedig over Gods neus te spreken. Maar dat hoeft, aldus Vonk, niet, als je maar bedenkt bij het voorkomen van passages over Gods hand, voet en dergelijke, de Heilige Schrift spreekt over een Goddelijke hand, een Goddelijke voet enz. Het gaat er dus om dat zij God een stank bezorgen in zijn neus.
Vonk is ook voorzichtig en wijst het gegoochel, dat door sommigen gemaakt wordt met profetieën als bv. Ezech. 3 (een rad in een rad) en Ez. 38 en 39 af. Als in het hoofdstuk 38 : 1 in plaats van de 'grootvorst' gelezen wordt de 'vorst van Rosj', van Mesek en Tubal, en sommigen in dat Rosj Rusland zien, dan is dat larie. C. v. d. Waal noemt in deel 2 van zijn boek 'Sola Sriptura' bij deze tekst ook wonderlijke verzinsels, om de tekst zogenaamd actueel te maken, als ze van Mesek of Mesech Moskou maken of van Magog mongolen. Beiden, Vonk en v. d. Waal wijzen bij Gog en de vervulling van deze profetie (aanvankelijke vervulling) op de antichrist van het oude testament Antiochus Epifanes, 175-164 voor Chr.: Diens legers leden gevoelige nederlagen tegen de Maccabeeën, 1 Marcc, 2 en 2 Macc. 4 : 7. Over de laatste hoofdstukken 40-48 worden ook schone dingen gezegd, over de nieuwe stad en haar naam, met haar vervulling in Openbaring 21 en 22. In beide boeken gaat het over de worsteling van de HERE God met zijn verbondsvolk, over de verbondswraak, waarmee het wordt gestraft, als het de oproep tot bekering weigert tot het uiterste. Het gaat ook over de vernieuwing van het verbond, als God zich over zijn geslagen volk ontfermt. Jer. 31-34, Ezech. 33-39. Vele verbondstermen worden verklaard, hoe actueel zijn deze bijbelboeken voor vandaag. Vonk wijst er op, hoe een afvallige Christenheid door evangelisatie terug te roepen op grond van het eens met de vaderen gesloten verbond en over het uitzicht, dat er ook vandaag is. Al met al een prachtige studie. Rest ons nog te melden dat de uitgave goed verzorgd is met een prettig leesbare letter.
Complimenten aan de uitgever, Liebeek en Hooijmeijer B.V., Barenrecht 1981.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief