Wat zien de mensen bij ons?

1983-03-25
  • Jaargang 27
  • nummer 12
“Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest niet; al verheft zich een krijg tegen mij, nochtans blijf ik vertrouwen."

Psalm 27 vs. 3

Psalm 27 behoort tot de meest bekende en meest gezongen psalmen.
Als er in de eredienst 'verzoeknummers' opgegeven zouden mogen worden, dan zou deze psalm zeer dikwijls genoemd worden. Op hoogte- en dieptepunten van het leven wordt er ook graag naar gegrepen.
Ook bij huisbezoek blijkt het telkens weer een geliefde psalm te zijn. De reaktie is dan: "mooi, die psalm, hij spreekt me erg aan; ik herken in deze psalm veel van wat er in mijn leven speelt". Wanneer dan gevraagd wordt naar wàt er dan zo raak gezegd wordt in dit lied van David, dan is het antwoord meestal: "dat heel duidelijk uitgesproken vertrouwen in God onder alle omstandigheden.
Het onwrikbare geloof dat een werkelijk steun blijkt te zijn in alle wisselingen van het leven."
Echter, als je gaat bladeren in verklaringen van deze psalm, dan wordt er gewezen op allerlei moeilijkheden bij de uitleg. Zo duidelijk áánsprekend als deze psalm is voor de kerkganger, zo onverstaanbaar lijkt hij te zijn voor degene, die probeert heel precies te lezen wat er staat.
Bij voorbeeld: oorspronkelijk waren het twéé psalmen, de naad loopt nog duidelijk zichtbaar tussen vs. 6 en 7: een plotselinge overgang van een rustig vertrouwen naar een angstig vragen; het is moeilijk, eigenlijk onmogelijk, om aannemelijk te maken, hoe de twee tot één lied geworden zijn ...
Een ander: hier worden de wisselende stemmingen van de gelovige heel goed in weerspiegeld. Deze uitleg verklaart het geliefd-zijn van deze psalm. Het is immers hartverwarmend om eigen ervaringen te herkennen in oude psalmwoorden ?
Toch, hoewel de bijbel inderdaad laat zien, hoe ook het leven van een gelovige een afwisselend bestaan kan zijn - jubelend, maar ook treurend, vol vertrouwen, maar ook bang vragend - toch wil Psalm 27 ons dàt niet voorhouden. In Psalm 27 worden niet verschillende momenten uit een heel leven achter elkaar genoemd.
Zeker, er is verschil tussen vs. 1-6 en vs. 7-14. Het ene deel heeft een andere toonhoogte dan het andere: diep vertrouwen èn bang vragend ...
maar er is een ander onderscheid tussen die twee delen: eerst is de HEERE een Hij, dèrde persoon; later een U, tweede persoon. Eerst spreekt David óver de HEERE, dan tot de HEERE. In deze psalm treffen we niet verschillende stadia uit Davids leven aan, maar: twee kanten van een zelfde periode uit zijn leven. Naar anderen toe laat hij zien, hoe hij door het geloof steun ondervindt, tegenover God stelt hij zich op als een smekeling, die angstig is en het allemaal niet meer weet.
Gaat dat dan samen op? Als het er zo voorstaat in je leven, is er dan geen tweespalt? Aan de ene kant: al legert zich een leger tegen mij, ik vrees niet, want God is mijn sterkte ... aan de andere kant: HEERE, wees mij genadig, verberg Uw aangezicht niet voor mij - is dat geen aanwijzing van een volkomen gespletenheid?
Is deze psalm een aanmoediging, om van je geloof naar buiten toe een show te maken; tegen anderen te zeggen: de HEERE is mijn Helper, ik vrees niet, maar ondertussen een sterk twijfelend geloofsleven te hebben? Ben je dan nog eerlijk en geloofwaardig? Is dat de bedoeling van God met ons?
Maar ... ís David wel zo sterk in het eerste deel van de psalm?
Hert woord dat vertaald is met 'vertrouwen' draagt iets mee van: 'als een ongeboren vrucht je beschermd weten'. En dat Is heel wat anders dan: de geloofsheld uithangen. "Hij bergt mij in het verborgene van Zijn tent" - in de tent van vroeger was ook een soort slaapcabine, 'n privé-gedeelte, waar buitenstaanders niet naar binnen kwamen of gluurden. Als de vijand op zoek is naar David, dan is hij niet te vinden; hij is immers weggestopt in het slaapgedeelte van de tent.
In het eerste gedeelte van de psalm komen we David helemaal niet tegen in een heldenrol; hij is juist iemand, die, ais het spannend wordt bescherming zoekt. Niet David, maar de HEERE is de Held.
Deze psalm laat zich dan ook goed lezen tegen de achtergrond van de tijd waarin David door Saul werd achtervolgd. Hij moest telkens weer vluchten, Saul zocht hem immers om hem te doden. Toch hoor je David regelmatig sterke taal spreken tegenover Saul. Vanaf een hoge rots getuigt deze vluchteling van de helpende hand van de HEERE.
Het is met name in deze periode, dat David niet zichzelf zocht, maar voor alles bezig was met de zaak, het Koninkrijk van God; hij was bedacht op de heerlijkheid van de HEERE.
Van hieruit trekken we de lijn dan ook door naar de Zoon van David.
Jezus Christus, die van jongsaf aan bezig was in de dingen van God (vgl. Lukas 2 vs. 40-52). Deze Jezus ontmoeten we ook in Gethsemané.
Een heel opmerkelijk tafereel (Matt. 26 vs. 36-56). Enerzijds "begon Hij bedroefd en beangst te worden, tot stervens toe", anderzijds het Koninklijke "of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen ter zijde stellen?"
Dat is dezelfde Jezus, op hetzelfde moment. De zeer beangste Zoon van David zoekt Zijn toevlucht bij Zijn hemelse Vader, en treedt zó de soldaten tegemoet.
Ons leven, ons geloof, het is een verwijzing naar God. Het is de bedoeling, dat de anderen, om ons heen, zien, niet een tweespalt, ook niet dat wij helden zijn, maar: dat God de Held is in het leven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief