Christelijke Theologie na Auschwitz

1982-09-10
  • Jaargang 26
  • nummer 33
Godsmoeder en Godsmoord
We zouden het ditmaal hebben over de zware beschuldiging van 'deicide' .
of 'Godsmoord' die in de loop van de geschiedenis door de christelijke kerk tegel). het jodendom is ingebracht. De beschuldiging is al zeer oud en dateert uit de tijd van de grote concilies in de vierde en vijfde eeuw. Pas in onze dagen is ze op het tweede vaticaanse concilie ingetrokken.
Ze stamt namelijk vooral uit rooms-katholieke kring. Deze kerk heeft altijd een zekere hang naar het monophysitisme gehad, al was dan ook deze leer officieel veroordeeld.
Wat is het monophysitisme? Dat is de leer volgens welke er in de persoon van Christus niet de twee naturen van God en mens te onderscheiden zijn, maar dat onze Here slechts één godmenselijke natuur heeft. Dit leidt gemakkelijk tot voorstellingen die een ontoelaatbare vermenging van het goddelijke en het menselijke tot kenmerk hebben. Zo is het bij de rooms-katholieken gebruik van Maria te spreken als over de moeder Gods. 'Theotókos', 'zij die God gebaard heeft', 'Godsmoeder', - deze titel kreeg Maria voor het eerst officiëel op het concilie van Efeze in 430 n.C. Hij is een zuivere parallel van de beschuldiging 'Godsmoord' die vanaf diezelfde tijd tot de Joden gericht werd. En al is er toen ook een paus geweest die het 'moeder Gods' van Maria heel intelligent en juist corrigeerde tot 'moeder van Hem die óók God is', het volk bleef Maria zo noemen en het protest verstomde. De beschuldiging 'Godsmoord' heeft echter bij mijn weten zelfs deze slecht doorgevoerde correctie nooit mogen ondergaan. Ze is vele eeuwen ongeschokt in haar volle zwaarte overeind blijven staan en sloot naadloos aan bij het opkomende machtsdenken in de kerk. Want dat is het monophysitisme eigenlijk: een machtsdenken. Het is de opvatting dat Christus met zijn godmenselijke natuur via Maria die Hem als ZOdanig gebaard had de kerk verhief tot een bovenmenselijke status. De kerk was zo zèlf een mengeling van het goddelijke en het menselijke, zèlf monophysisch, half en half goddelijk.
Daardoor kon ze zich opwerpen als de goddelijke wreekster van wat de Joden Jezus hadden aangedaan. Daarom zegt het mij niet zoveel dat de R.K.-kerk op het tweede vaticaanse concilie de beschuldiging van Godsmoord uit de circulatie genomen heeft, want zolang de titel 'Godsmoeder' voor Maria daar opgeld doet, kan op elk moment de beschuldiging 'Godsmoord' voor de Joden weer opduiken. De voorwaarde ervoor is aanwezig gebleven. Gerustgesteld word ik pas als de R.K.-kerk, zoals trouwens alle kerken, van hun machtsdenken afstappenin welke vorm zich dat ook maar presenteert. Want van dit machtsdenken is de bekende beschuldiging een product.

Machtsdenken
Maar wat schieten we er mee op als we die correctie van zopas overnemen, Maria niet langer de moeder Gods noemen maar de moeder van Hem die óók God is, en de Joden niet langer van Godsmoord beschuldigen, maar hen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor de dood van Hem die óók God is? Dat verschil moet toch niet onderschat worden. De beschuldiging Godsmoord berust op de volgende redenering:
a) De Joden hebben Jezus 'vermoord' (even dit te emotionele woord overnemend):
b) Wij geloven dat Jezus Gods Zoon is en dus God is;
c) De Joden hebben God 'vermoord'.

Wat we ons nu evenwel zeer goed moeten realiseren is dat de redenering onder b) een geloofspremisse is en dus niet op algemene instemming kan rekenen. Bovendien behoort ze tot de grote mysteries van ons geloof en maakt ze (zoals Paulus in I Tim. 3 : 16 schrijft) deel uit. van het geheimenis der godsvrucht. Daarom zijn de voorzichtige formuleringen als hierboven, aangegeven meer geschikt om het openbaringsmysterie te hoeden tegen platitudes als conchisie c). Met deze conclusie c) namelijk begeven wij ons als christenen ten onrechte op algemeen menselijk niveau en zoeken wij de instemming en bijval van ieder die ook maar het geringste religieuze besef heeft. Wie immers zou het willen opnemen voor iemand die God vermoordt? Terwijl nu juist op dit algemeen menselijke niveau ieder moet inzien dat de Joden God helemaal niet willen vermoorde maar integendeel Hem met ijver willen dienen. Daarom is ook wanneer we de zaak van deze kant benaderen de beschuldiging 'Godsmoord' een typische uiting van een machtsdenken: ervan uitgaan dat wat een gelóófsbewering is zomaar door Jan-en-alleman beaamd wordt.
Dit met elkaar laten samenvallen van het christelijke en het algemeen menselijke ligt ook ten grondslag aan veel christelijke politiek van vandaag, bijvoorbeeld. die van het IKV, die Christus' voorschriften, zoals die van de weerloosheid, tot politiek statuut maakt. De weerloosheid van de Bergrede echter, die evenzeer tot het geloofsgeheimenis behoort, leent er zich niet toe om met politieke (dat wil zeggen: oneigenlijke) middelen gepropageerd te worden.
Voor geloofsgeheimenissen kan .alleen maar geworven worden in de kwetsbare kracht van de Heilige Geest. Zo mogen ook de Joden om hun schuldaandeel in de dood van Hem van wie wij geloven dat Hij óók God is, niet lastig gevallen worden met - zoals in het verleden wel gebeurd is - .werelds aandoende zaken als proces en beschuldiging zelfs met inschakeling van het publieke gezag en onder tehulproeping van algemeen godsdienstige beseffen.
Het enige middel dat ons hier ten dienste staat, is het geloofsgetuigenis, niet zonder ophouden maar wel in elke tijd opnieuw. Luther heeft, zoals we gezien hebben, in zijn dagen de hoop en de verwachting gehad dat nu het christelijke geloof van de middeleeuwse aangroeisels ontdaan was, de Joden er gemakkelijker voor te winnen zouden zijn. Laat mij ook een hoop uitspreken. Dat' nu de christelijke kerk steeds meer van haar macht verliest, het geloofsgetuigenis tot Israël in omgekeerde evenredige zin vruchtbaar zal worden.

Hoe de Schrift het doet
Het is goed om in alle duidelijkheid te constateren dat de beschuldiging 'Godsmoord' aan het adres van de loden in het Nieuwe Testament niet voorkomt. Het is wel zo dat de geloofspredikers van het begin het Jodendom van toen hebben geconfronteerd met de feiten van Jezus' terechtstelling, maar niet met hun geloofsconclusies uit die feiten, tenminste niet met die diepste en meest intieme geloofsconclusie dat deze ter dood gebrachte Jezus waarlijk God is. Van dat geheimenis namelijk schrijft Paulus .in 1 Cor. 2 : 8: "En geen van de beheersers dezer eeuw heeft daarvan geweten, want indien zij, ervan' geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid (aanduiding van Christus in zijn goddelijkheid) niet gekruisigd hebben". Met deze 'beheersers dezer eeuw' bedoelt de apostel trouwens niet enkel de joodse overheden, maar ook Pilatus en de zijnen en misschien zelfs wel de boven die beiden staande machten uit de geestelijke wereld. Maar dat maakt het argument alleen maar sterker: Paulus houdt hier degenen die voor Jezus' dood verantwoordelijk zijn ten goede en schrijft hun de diepste afmeting van hun daad niet toe. Het is dezelfde toon als welke Petrus aanslaat in Hand. 3 : 17: "En nu, broeders, ik weet dat gij, gelijk ook uw oversten, uit onkunde gehandeld hebt ..." (Ik vind dus dat 'gelijk ook uw oversten' niet met 'weten', maar met 'hebben gehandeld' aangevuld moet worden.) Maar betekent dit nu dat Paulus en Petrus zoetsappig met de Joden keuvelden over de dood van Jezus? Zeker niet! Petrus zegt in die zelfde toespraak van Hand. 3 (: 14 v): "Doch gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en begeerd dat u een man die een moordenaar was geschonken zou worden; en de Leidsman ten leven hebt gij gedood".
Dat zijn geen geringe beschuldigingen. Toch wordt hier het Jodendom aangesproken op zijn messiasverwachting die het uit het Oude Testament had en met behulp waarvan zij Jezus enigszins hadden kunnen herkennen. Waarom hebben ze zelfs niet gezegd: misschien...?
Maar dat ze nu echt wisten en beseften wat ze deden, - nee, daar wil Petrus niet aan. Daarvoor herinnerde hij zich ook te goed, hoe traag zelfs bij de jongeren het inzicht in Jezus' identiteit was doorgebroken.
Was dat eigenlijk niet pas ná Pasen geschied? Pas ná de opstanding die immers het bewijs leverde dat Jezus Gods Zoon was in kracht (Rom. 1 : 4)? Dus kónden de Joden zich, vóór de opstanding niet eens bezondigen aan de godheid van Christus. Eigenlijk kunnen dat alleen maar afvallige christenen doen die Jezus Christus in zijn Paaskracht hebben gekend. Van hen zegt de Schrift dat zij niet maar Jezus, niet maar de Heilige en Rechtvaardige van wie de profeten spraken, maar 'de Zoon van God' opnieuw kruisigen (Hebr. 6 : 6) en met voeten treden (Hebr.10 : 29).

'Voor' en 'door'
De beschuldiging van 'moord op Hem die óók God is' wordt dus in het Nieuwe Testament alleen gericht tot de afvallige christenen, ongeacht of zij van joodse of niet Joodse afkomst zijn. Maar wat de Joden en hun aandeel in de historische kruisiging betreft, hun wordt niet weinig 'verweten,' zij worden zwaar beschuldigd, maar zij krijgen niet het onderste uit de kan. Om ons tot de zo even genoemde toespraak van Petrus te beperken, plotseling breekt hij ,zijn requisitoir af en maakt zijn betoog een zwenking. Hij wil niet de hoofdnadruk laten vallen op de vraag door wie Jezus is gedood; veel belangrijker is het hem voor wie Christus is gestorven. Precies zoals Jozef op het eind van het boek Genesis (50 : 20) zich niet verstrakt in een verwijtende houding ten opzichte van zijn broers, maar integendeel hen probeert te winnen voor een hogere visie op het gebeuren: "Gij hebt wel kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht...". Ik ben wel door jullie naar Egypte gevoerd, maar ik ben toch vooral voor jullie naar Egypte vooruit gestuurd om jullie in leven te houden! Dit is een heerlijk gezichtspunt! Het verdoezelt niets van de menselijke verantwoordelijkheid en wijst die toch een beperkte plaats aan. Gods heilsplan overstijgt het kwaad, kàn er zelfs iets mee. Alle dingen, zelfs schuld, moeten medewerken ten goede! Het vergrijp aan Jozef en de terdoodbrenging van Jezus hebben meegewerkt tot het zeer goede, ja het' beste dat geschieden kon. Zo was de prediking van het begin beslist niet gevuld met rancune en de kerk was er verre vim zich op te werpen als de goddelijke wreekster van hetgeen de, Joden (en de Romeinen) hadden gedaan. Ze zei tot Israël wat Jozef tot de broers zei: "vrees niet, want ben ik in Gods plaats?" Ben ik aangesteld tot goddelijke wreekster? Laten we er liever sámen op letten dat we door deze gebeurtenissen en menselijke handelingen heen een Heiland gekregen hebben! "Zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt 'had, dat zijn Christus móest lijden"
(Hand. 3 : 18). Het is waar dat toen de Joden deze toegestoken hand van de verzoening afsloegen, de toon van de christelijke prediking feller is geworden. Wat dr Jansen op pg. 160 over Calvijn schrijft dat deze namelijk bij de Christusverwerping door de Joden niet enkel aan de kruisiging, maar ook aan het niet willen aanvaarden van zijn boodschap dacht, geldt ook voor het Nieuwe Testament. Eigenlijk werd de kruisiging pas tot echte zonde in de weigering om aan het evangelie gehoor te geven. Maar ook als dat wordt geconstateerd wordt nergens de beschuldiging van 'Godsmoord' aangeheven. Dat is namelijk een finade, afsluitende beschuldiging. In plaats daarvan heeft de getuige Stephanus het over een wederstaan van de Heilige Geest' (Hand. 7 : 51). En dat is de Heilige .Geest van de evangelieverkondiging.
Hoe zwaar daarom dat verwijt van Stephanus ook is, er zit toch in opgesloten dat deze evangelieboodschap blijft gelden. Bij elke volgende generatie en in elke nieuwe situatie mag Israël ermee benaderd worden. Dit is de zachte weg van het evangelie: Christus blijft, zijn oude volk niet achterna zitten met zijn dood dóór hen maar met zijn dood vóór hen. De moderne theologie à la Wiersinga en anderen lijkt een overstapje te maken van 'voor' , naar 'door'; niet langer vreugde over Jezus' dood voor de mensen, maar enkel woede over Jezus' dood door de mensen. Ik vrees dat deze theologie bij het aanbreken van een nieuw getij van antisemitisme' geen olie op de golven maar op het vuur zal gooien. De beschuldiging 'Godsmoord' ligt dan ook niet enkel achter ons, maar in eigenaardige nieuwe vormen ook weer vóór ons, is mijn indruk. Van de theologie der woede heeft het Jodendom niets goeds te verwachten. Want die is alleen maar een variant op datzelfde oude machtsdenken van weleer. Tot zover over de 'Godsmoord' . Ik ten ook nu nog niet klaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief