Liturgie en gemeente (1)

1982-09-17
  • Jaargang 26
  • nummer 34
Betekenis van het woord liturgie
Wanneer wij ons met liturgie gaan bezighouden, moeten .we allereerst vaststellen wat er onder het woord liturgie verstaan wordt. Het Griekse woord “leitourgia" is samengesteld uit “leitos" (dat wat het volk aangaat) en "ergon" (werk, daad). We zouden dus kunnen spreken van: werk voor het volk, volksdienst, prestatie voor de gemeenschap, b.V. het betalen van de kosten van openbare volksspelen. In het Oude Testament wordt het 'woord “leitourgia" gebruikt om de priesterlijke dienst van de tabernakel aan te geven. In het Nieuwe Testament komt het woord ook in deze betekenis voor. Denkt u maar aan de priesterlijke dienst van Zacharia in de tempel.
Verder krijgt "leitourgia" in Hebr. 8 : 2, 6 de betekenis van de eeuwige priesterdienst van Christus die aan de rechterhand Gods zit en de liturgie uitoefent in de hemelse tempel.
Hand. 2: 13 geeft een andere betekenis, nl. het gebed van een kleine gemeenschap.
Paulus gebruikt het woord in Rom. 15 : 27 en 2 Cor. 9 : 12 voor de collecte ten behoeve van de Jeruzalemse gemeente. Het woord “leitourgos" komt voor in Rom. 15 : 16. Paulus noemt zich een "dienaar" ten behoeve van de evangelieprediking onder de heidenen. De engelen worden in Hebr. 1 : 7 “leitourgci" (werktuigen) genoemd. In Rom. 13 : 6 worden de overheidsdienaren liturgen Gods genoemd.
Resumerend kunnen we zeggen dat de bijbelse betekenis van het woord “leitourgia" = liturgie gebruikt wordt voor allerlei dienstwerk van de gemeente, apostelen en ambtsdragers.
In ons spraakgebruik wordt met het woord liturgie de orde van dienst aangeduid. In het vervolg van dit artikel houden we ons aan de laatste betekenis. Toch moet ons daarbij voortdurend voor ogen staan dat de bijbelse betekenis van liturgie een oerbeginsel is van waaruit liturgische handeling en bezinning zich kan ontplooien.

Samenkomst der gemeente
Het Griekse woord synasis (samenkomst) is de bijbelse term voor wat wij kerkdienst noemen. Het is veeleer een samenkomst in de Naam van Jezus Christus, een samengeroepen zijn door God Zelf. Elk gemeentelid heeft daar mee te maken. Liturgiek (= methodische bezinning op de gang van zaken in de samenkomst der gemeente) gaat niet alleen theologen en kerkmusici aan, maar verdient ruimere aandacht. Het gaat in de samenkomst immers om de ontmoeting van God met Zijn Volk. De vormgeving ervan is daarom van het grootste belang. De gemeente heeft m.i. te veel langs de liturgie heen geleefd. De gemeente is het lichaam van Christus. Als zodanig treden de leden toe in het geheel van Gods Volk. "Particulier geloven op z'n eentje" is onmogelijk en ondenkbaar, zo schrijft Dr. J. van der Werf in zijn boek "Oefeningen in het leerhuis" (6e oefening). God roept een gemeente, waarvan de enkeling lidmaat is. Voor individualisme is geen plaats in de liturgie. De orde van dienst dient het geheel. Het Woord Gods wordt centraal gesteld in de samenkomst der gemeente. Achter de bediening van Zijn Woord staat de levende en sprekende God Zelf. De mens wordt gedrongen om op dat Woord te reageren in schuldbelijdenis, lofprijzing, aanbidding, offerande, deelname aan de maaltijd des Heren, dienstbetoon in kerk en wereld.
Zo ontstaat een levende relatie van God met de mens. Teveel wordt de kerkgang (nog) gezien als het beluisteren en beoordelen van een preek. De gemeente van Christus wordt gedevalueerd tot ”hoorgemeente" en de samenkomst wordt "luisterdienst" terwijl het daar gaat om Woord en antwoord.
In de volgende hoofdstukjes hoop ik het hierboven gestelde nader uit te werken.

Wat zegt de Bijbel?
Het Oude Testament wordt beheerst door de lofprijzing. Israël bezingt de daden Gods b.v. in het lied van Mozes, Debora, Hanna, de psalmen enz.
Deze werden in de synagoge op een responsoriale wijze gezongen: het volk zong in antwoord op de voorzanger. Het gebruik van instrumenten was normaal volgens Num. 10 en 2 Kron. 29. De psalmen werden bij snarenspel gezongen (zie bv. ps. 54 en 55).
Ook de feesten spelen een rol in het Oude Testament, zoals Pascha (bevrijding uit Egypte), Sjawoeoth (Wekenfeest, wetgeving Sinaï), Soekkoth (Loofhuttenfeest).' Deze feesten werden telkens weer door Israël gehistoriseerd. Gods daden worden op deze wijze uit het verleden in het heden gezet. Het Nieuwe Testament geeft aanwijzingen omtrent de eerste christelijke gemeente. Veel gebruiken uit de synagoge werden overgenomen: lezing van wet en profeten (Luc. 4 : 16-22, Hand. 13 : 15 e.v.v.), de uitleg en de toepassing, de psalmen en Joodse hymnen (lofliederen) bv.
het trisagion: Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige (Openb. 4; Jes. 6: 2). Een nieuw element was het bezingen van de opstanding van Christus (Openb. 5, 9 en 12). Een nieuw gedeelte van de Schrift ontstaat wanneer Paulus zijn brieven aan de gemeenten schrijft. Hij wekt ze zelf op om zijn brieven in de samenkomsten voor te lezen (Thess. 5: 27 en Col.
4 : 16). Zo ook zijn de Evangeliën ontstaan om in de gemeentesamenkomst te worden gelezen.
In het Oude Testament werd de sabbat als rustdag gevierd. Nu komt men echter op de eerste dag der week bijeen, de dag van de opgestane Heer. De Oude Testamentfeesten krijgen een andere inhoud.
Paschen getuigt van kruis, graf en opstanding van Christus, Pinksteren van uitstorting van de Heilige Geest. Opmerkelijk is dat Paulus in zijn brieven plotseling overgaat tot de lofprijzing, bv. in Rom. 11 : 33-36. Hymne, geloofsbelijdenis en gebed liggen uiterst dicht naast elkaar.
Paulus spreekt in Col. 3: 16 van psalmen, hymnen en geestelijke liederen. Hymnen zijn liederen in plechtige stijl voor God, die tegenwoordig is en geestelijke liederen zijn ontstaan onder directe inwerking van de Heilige Geest. 1 Cor. 14 geeft aan dat profetie en tongentaal een plaats hadden in de gemeentesamenkomst. Bovengenoemde liturgische momenten vormden het eerste hoofdbestanddeel, terwijl de viering van het Heilig Avondmaal het tweede hoofdbestanddeel vormde (vgl. Hand. 2 : :42,20: 7-11; 1 Cor. 11 : 17-34; Col. 3 : 16).
Bronnen uit de liturgiegeschiedenis Nadat ik de Bijbel als hoofdbron heb aangeboord; wil ik toch ook met u nagaan wat in de historie van de kerk van belang is voor de liturgie.
Het eerste geschrift is:

a. De Didachè, leer der twaalf apostelen (± 100 na ChristusSyrië). Men heeft hier te doen met een lekencatechismus ten behoeve van gemeente en catecheten. De gelovigen worden er o.a. in opgewekt om op de dag des Heren samen te komen, brood te breken en te danken. Er is een nauw verband met de joodse maaltijd met de dankzegging over brood en beker.

b. Plinius, stadhouder van Bithynië, schrijft een brief aan zijn keizer Trajanus in 112. Hierin staat te lezen dat de christenen op een bepaalde dag voor het opgaan van liet licht beurtelings een lied zongen ter ere van Christus en de eucharistie (dankzegging) vierden, 's avonds kwam men samen voor de agase, de liefdemaaltijd.

c. Justinus Martyr (± 165 - Rome) beschrijft in zijn eerste Apologie een zondagsliturgie: lezing uit de geschriften der profeten en apostelen, prediking, gebeden, wederzijdse begroeting met de heilige kus (naar Rom. 16 : 16, 1 Cor. 16 : 20) binnenbrengen van brood en wijn, dankzegging door de voorganger, door het volk beantwoord met amen, gebed om het woord Gods over de gaven, woorden der instelling, uitdeling van brood en wijn door de diakenen.

d. De Apostolische Overlevering van Hippolytus ± 215 - Rome) bevat de volledige teksten voor de viering van de eucharistie. De gaven worden door de diakenen gebracht, de handen worden door de priesters op de gaven gelegd en de dankzegging begint. Dit gaat als volgt: "begroeting": "de Heer zij met u en uw geest", sursum corda: "omhoog de harten, wij verheffen ze tot de Heer", de dankzegging: "laten we de Heer dankzeggen, het is betamelijk en goed" (dignum et justurn est). In de dankzegging worden de instellingswoorden gezegd, gedachtenis gaat over in offerande, de aanroeping van de Heilige Geest (epiclese) krijgt een plaats. Bij Hippolytus missen we de synagogale overlevering dat de Schepper om zijn schepping geprezen wordt, wat in de Didachè juist zo belangrijk is.
Het verlossingswerk van Christus neemt een grote plaats in, wat in de 'Didachè ontbreekt.

e. Het 8e deel van de Apostolische Constituties, 380, een kerkrechtelijk verzamelwerk van paus Clemens I) de zgn. Clementijnse liturgie begint met vier lezingen: wet en profeten - naar synagogale overlevering-, handelingen en evangelie. Dan volgt de prediking, de wegzending der catechumenen en boetelingen. De gebeden der gelovigen worden gezegd.
Na de vredeskus, de handwassing en het aanbrengen der gaven volgt het grote dankgebed.
De dankzegging voor de' schepping en onderhouding wordt afgesloten met het driemaal heilig. Dan volgen de dankzegging voor de verlossing, de inzettingswoorden, de gedachteniswoorden waarbij dood, opstanding en wederkomst van Christus worden herdacht. Hierop klinkt het gebed om de Heilige Geest en de voorbeden. Onder de communie wordt psalm 34 gezongen, een oudchristelijk gebruik.

Uit de eerste eeuwen na Christus zijn drie sacramentaria (onderdelen voor prieester of bisschop bewaard gebleven: het Leonianum(6e eeuw), het Gelasium (± 500) en het Gregorianum (± 600). , Het laatste geschrift is belangrijk en bevat de vorm van de pauselijke feest- en statiediensten.
Dit sacramentarium komt binnen het bereik van Karel de Grote. Met het oog op de wekelijkse eredienst stelt diens theoloog een aanhangsel op. Er ontstaat een schriftelijk vastgelegde orde van dienst, die van invloed Was op de westerse ontwikkeling. De volgende opsomming kan gegeven worden:

1. Het introïtuslied (intochtslied) ontleend aan de psalmen, wordt gezongen, terwijl de Paus zijn intocht houdt in de statiekerk.

2. Afsluitend volgt het Klein-Gloria: Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en immer en van eeuwigheid tot eeuwigheid.

3. Kyrie eleison (Heer erbarm u onzer). Uit het verslag Gaar 390) van een Gallische pelgrim Ägeria, die Jeruzalem bezocht, horen we hoe een diaken een aantal voorbeden zegt, terwijl kinderen er tussendoor roepen "Kyrie eleison". Ongeveer in de Se eeuw dringt deze gewoonte in het westen door.

4. Het Groot-Gloria" eerst door Paus en daarna door gemeente aangeheven, is ontleend aan de engelenzang en werd in het oosten het eerst gezongen in de getijdediensten, als morgen-hymne. In het westen komt het in de 6e eeuw voor.

5. Gebed - Dit wordt oratie genoemd en in het openbaar door de priester gezegd. Soms wordt ook gesproken van collecta-gebed. De uitvoerige benaming is nl. "oratio ad colleetam plebem" (openbaar gebed tot het verzamelde volk). De kleur van de zondag bepaalt de inhoud van dit gebed.

6. Epistel-brieflezing vanaf de lessenaar, de ambo, door de subdiaken. Het lezen uit het Oude Testament is uiteindelijk weggevallen.

7. Graduale-lied, het van de trappen (gradus) gezongen lied, ook ontleend aan de psalmen.
8. Evangelielezing.
9. Credo - Dit gaat terug op allerlei belijdenisfragmenten uit het N.T. (1 Cor. 5, 2 Tim. 2, Fil. 2 : 5-11, 1 Petr. 3 : 13-22). Later ontstaat het apostolicum, oorspronkelijk een doopbelijdenis. Op de synode van Constantinopel (381) wordt een nieuwe formulering van de geloofsbelijdenis gegeven. De tekst daarvan verschijnt in de acta van het Concilie van Chalcedon (451). De benaming is: Nicaenum-Chalcedonense.

10. Offertorium - het geven van gaven door het volk. Het Offertoriumlied wordt gezongen.

11. Het grote dankzeggingsgebed met Sanctus en Benedictus.
12. Het Onze Vader.
13. De vredesgroet en vredeskus.
14. Het breken van het brood, terwijl het Agnus Dei (Lam Gods) gezongen wordt.
15. Communie.

In de ge eeuw komen de apologieën op, de schuldbelijdenissen van de dienstdoende priesters voordat de dienst begint. In het oosten worden dit grote gebeden, in het westen ontstaat het "confiteor" (belijdenis) van de priester wat hij in beurtspraak met zijn- diakenen spreekt aan de voet van het altaar.

(volgende week het slot)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief