Christelijke Theologie na Auschwitz (6, slot)

1982-09-24
  • Jaargang 26
  • nummer 35
Efraïm-Juda
Misschien heeft iemand er wel vreemd van opgekeken dat ik de vorige maal een vergelijking opstelde en uitwerkte tussen enerzijds de relatie kerk-Israël en anderzijds de verhouding Israël-Edom. De bedoeling daarvan zal ik nogmaals verduidelijken.
Het is eigenlijk gemeend als een argument in het gesprek met Israël. Hebben jullie zèlf, Israëlieten, in jullie lange geschiedenis niet ook zware conflicten doorgemaakt waarin jullie posities hebben ingenomen - en ook van Godswege móesten innemen - die vergelijkbaar zijn met die der Iatere christenen? Behalve de geestelijke worsteling met Ezau/Edom is er dan nog meer te noemen. Wat bijvoorbeeld te denken van de grote wending in Israëls geschiedenis, toen tijdens het leven van Samuël de goddelijke verkiezing van Efraïm afgenomen werd om op Juda over te gaan? In Ps. 78 : 67 v.v. wordt daarover gesproken: "En Hij versmaadde de tent van Jozef j en verkoos Efraïms stam niet (langer).
Maar Hij verkoos de stam van Juda/ de berg Sion die Hij liefheeft; Hij bouwde zijn heiligdom als de hoogste bergen / als de aarde die Hij voor altoos grondvestte. Hij verkoos David zijn knecht / en nam hem weg van de schaapskooien: van achter de zogende schapen haalde Hij hem I om Jakob zijn volk te weiden/ en Israël zijn erfdeel." De stam Efraïm had tot dan toe aan het Israëlitische twaalf -stammenverband leiding gegeven, omdat hun vader Jozef de uitverkorene (Gen. 49 : 26) en de eerstgeborene (I Kron. 5: 1, 2) onder zijn broeders was. Betekende nu de wending waar psalm 78 van spreekt van totale verwerping van Efraïm? Nee. Wel moest Efraïm voortaan de voorrang van Juda en David erkennen en zo zijn algemene verkiezing vastmaken in die bijzondere verkiezing van Juda, de tempel en David. Dan zou er heil voor hem zijn. Op precies dezelfde wijze nu is er na Christus voor het 'Israël naar het vlees' (de uitdrukking is uit I Kor. 10: 18) een schaduw van verkiezing overgebleven: "naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil" (Rom. 11 : 28). Maar om uit deze algemene verkiezing nu echt heil te putten, moet Israël die verkiezing vastmaken in die van Christus. Helaas doet dit slechts een klein gedeelte van Israël. Paulus typeert hen als het 'overblijfsel naar de verkiezing der genade' (Rom, 11 : 5). (Let er dus op dat Paulus in tweeërlei zin van Israëls verkiezing spreekt: in een algemene en in een bijzondere zin. Deze twee verkiezingen mogen niet tegen elkaar uitgespeeld worden. Beide zijn tegelijk waar en er bestaat tussen beide een onopgeefbare spanning die pas tot rust komt in het geloof in Christus.
Men vindt deze spanning en dit tot rust komen bijvoorbeeld ook in de meest bekende tekst uit de Bijbel, Joh. 3 : 16: "Alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe." Enfin, de lezer moet me deze - al te korte - opmerking maar vergeven . In ander verband kom ik daar misschien nog wel eens op terug.)

De naam Israël
Terug nu naar het conflict binnen het oude Israël zelf tussen Efraïm en Juda, want ik ben daarover nog niet uitgepraat. Deze scheiding tussen noord en zuid heeft sindsdien diepe voren in Israëls geschiedenis getrokken. Zelfs de latere vijandschap tussen Joden en Samaritanen hangt er ten nauwste mee samen. Neem nu bijvoorbeeld het feit dat de naam 'Israël' na de ballingschap op het judese deel van het volk is overgegaan, Het behoort tot een der meest voorkomende verwijten aan de christelijke kerk dat zij zich zelf het nieuwe of ware Israël is gaan noemen. Het Nieuwe Testament is daarmee begonnen, bijvoorbeeld in Filipp. 3 : 3: "Wij zijn de besnijdenis ... " Dr Jansen hekelt dit, bijvoorbeeld ook in Calvijn (pg. 155). Maar heeft het joodse volk niet hetzelfde gedaan in de tijd na de rijksscheuring, met name na de ballingschap? En was het door de profeten niet gerechtigd dat te doen? We lezen dar toch bijvoorbeeld in Jes. 49 :3, waar de profeet-knecht, samen. met het overblijfsel dat hij om zich heen verzameld had, van Godswege Israël genoemd wordt: "mijn knecht Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken"? Misschien werpt iemand hier tegenin dat de Samaritanen van na de ballingschap toch geen bloedzuivere Israëlieten meer waren, - en ongetwijfeld is dat juist; en dat op grond daarvan de naam Israël door hen niet kon worden opgeëist, - wat even ongetwijfeld onjuist is. Het is in feite een racisme om dit argument in het· midden te brengen. Want hóór hen nu toch tegen Zerubbabel zeggen: "Wij zoeken uw God evengoed als gij" (Ezra 4 : 2). Of ze ook pretendeerden van Israël te zijn! Wat machtigde Zerubbabel dan om niettemin hen hun rechten te ontstrijden?
Wat anders dan het profetische woord, dat zwaard des Geestes, dat al van ouds gewend was in het vlees van Israël te snijden en in het bloed van Abraham te schiften?
Onze Here heeft trouwens in zijn gesprek met de Samaritaanse deze keus van Zerubbabel met zijn gezag gedekt. Weliswaar stelde Hij bij die gelegenheid (Joh. 4) een nieuwe tijd in het vooruitzicht waarin de ware Godsvereerders in Geest en in waarheid zouden aanbidden, dat wil o.a. zeggen: noch op de berg Gerizim (zoals de Samaritanen deden) noch in Jeruzalem (waar de joodse tempel stond), maar dat betekende niet dat Jezus nu een 'schop gaf tegen die oude tegenstelling of het voorgeslacht in een belachelijk daglicht stelde, bijvoorbee1d met de hautaine opmerking dat men zich vroeger de weelde van kerkscheuring meende te kunnen veroorloven.
Jezus bracht de nederigheid op om in dat oude conflict te kiezen:”Gij aanbidt wat gij niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want het hen is uit de Joden" (Joh. 4 : 22).
Maar de keerzijde van dit joodse gelijk is geweest dat het zich ook tegen hen kon keren. En dat is wat na hun Christusverwerping gebeurd is.

Het Oude Testament
Een volgend verwijt aan de christelijke kerk is dat zij het gewaagd heeft de Schriften van wet en profeten als het Oude Testament over te nemen. Men bedient zich daarbij van een eigenaardig spraakgebruik. Laten we naar dr Jansen luisteren: "De theologen van de Oude Kerk hebben op een manier die in de geschiedenis van' de mensheid zijn weerga niet kent, zich alle heilige geschriften van de hebreeuwse bijbel toegeëigend, overgenomen en in het Oude Testament veranderd. Israëls door God beschikte status van het 'uitverkoren volk' werd tezamen met zijn unieke geschriften ingelijfd bij het christendom" (pg. 74). En op pg. 155 is sprake van 'annexatie' en 'onteigening'. Dr Jansen staat helaas niet alleen in deze aanvechtbare wijze van spreken. Je stuit er ook op als je theologen hoort spreken over de Bijbel als een joods boek. Eigenaardig genoeg tref je dit spreken met name aan bij theologen en in kerken die zeggen dat ze veel van Karl Barth geleerd hebben. Toch is hier van diens waardevolle onderscheid tussen Openbaring en christendom geen schijn of schaduw overgebleven. En om nu Barth maar verder te laten rusten - hoe kán men zo spreken wanneer men in zijn belijdenis eerbiedig nazegt wat in 2 Petr. 1 : 21 geschreven staat:"Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar door de Heilige Geest gedreven hebben mensen van Godswege gesproken".
Bij zo'n getuigenis kan er toch van woorden als 'eigen', 'toe-eigenen' of 'onteigenen' in verband met de Heilige Schrift geen sprake zijn? Wat is hier 'eigen' of 'van ons'? Trouwens - om met de argumentatie tot algemeen menselijk niveau af te dalen - als we de Bijbel een Joods boek noemen, welke Joden bedoelen we dan: Jeremia of zijn tegenstanders, Jezus of de Farizeeërs? Ze waren toch állen Joden?
Zo is dit een spraakgebruik dat niet tot grote duidelijkheid leidt. Bovendien zouden we het in de taal van de Barthianen 'n echte christendommelijkheid moeten noemen. Toeeigenen of onteigenen van Gods Woord? Kom nou! 'Niet náár de mens en niet ván een mens', zegt de apostel (Gal. 1 : 11 v.)! Maar nadat ik ben ingegaan op dit spraakgebruik, heb ik op het verwijt zelf nog niet geantwoord. Het ontvangen dan van de hebreeuwse canon als Woord Gods en Oude Testament ( deze laatste term zelf is geen kerkelijke vinding maar komt voor in het Nieuwe Testament: 2 Kor. 3 : 14 - al schijnt dat voor dr Jansen geen verschil te maken), - dit overnemen dan, hoe moeten we daarover oordelen? Ook hier moeten we zeggen: heeft Israël dat voorheen zelf ook niet gedaan? Zijn de dialogen van Job en zijn vrienden soms binnen Israël gevoerd?
Verplaatsen ze ons niet in het land...Edom? En de Samaritanen, die beweerden in de erfenis van het noordelijke Israël getreden te zijn, konden die soms ten aanzien van een boek als de profetie van Hosea of van sommige psalmen (zoals de tachtigste) en van wie weet wat nog meer, niet zeggen: die behoren ons toe? Als we dan toch op de racistische toer gaan en de Heilige Schrift willen funderen op 'ras, bloed en bodem', waarom zullen we het verwijt van onteigening dan pas inbrengen tegen de christelijke kerk? We kunnen dan toch veel eerder aan de gang? Maar we moeten zo dan ook helemaal niet praten. Het Woord van God is ook in zijn wording zijn soevereine gang gegaan. En het heeft zijn woning gezocht en zoekt die nog bij de mensen van Gods welbehagen. De Schrift zelf vergelijkt het Woord met een verplaatsbare kandelaar (Opb. 2 : 5). Niemand heeft het in pacht: het kan ook uit óns midden weer worden weggenomen

Joden en Samaritanen
Nu wil ik tenslotte nog iets ter sprake brengen dat hiermee samenhangt, maar dat ik toch niet op dezelfde wijze kan behandelen. Het ging in het hier voorgaande immers over de overname van de naam Israël en van de hebreeuwse canon. Daarin stak een schikking van Godswege, waar het menselijk handelen wel niet buiten stond maar waarin het toch geen beduidende rol speelde.
Dat kan ik niet zeggen van de parallel die ik nu nog op het oog heb bij mijn vergelijking van de relatie kerk-Israël met die van Juda-Samaria, waar ik in dit artikel mee bezig ben.
Ik spits de vergelijking nu toe op het menselijke handelen van Joden en Christenen.
Wij weten dat de verhouding tussen Joden en Samaritanen een zeer vijandige is geweest. Daarbij verkeerde het jodendom ten opzichte van de Samaritanen in een positie van meerderheid en overmacht, zeker in de dagen van de Maccabeeën. Én nu blijkt dat ook het jodendom dit niet helemaal aangekund heeft en zich in zijn handelen heeft misgaan. Johannes Hycanus I (135-104 v. Chr.) heeft het gehele gebied van de Samaritanen veroverden niet alleen hun tempel op de berg Gerizim, maar ook de stad Samaria verwoest. Deze verwoesting nu van de Samaritaanse tempel (die nooit meer herbouwd is!) staat in een zuivere parallel met de synagogeverbrandingen in de christelijke wereld.
Niet natuurlijk in kwantitatieve zin (maar de macht van de loden over de Samaritanen duurde ook slechts kort), echter wel in ethische zin. Wat bedoel ik nu met deze parallel? Ga ik er de wegstreepkant mee op? Ontleen ik er een vrijbrief aan? Stellig niet! Ook dit gegeven hanteer ik als argument in het joods-christelijke gesprek over het europese verleden. Ik vraag ermee aan de Joden of zij willen overwegen dat er in het europees-christelijke antisemitisme ook een component gezeten heeft van meerderheid en overmacht waarmee om te gaan niet-alleen voor christenen (te) moeilijk is gebleken. Ik zou daarvoor ook kunnen wijzen op de joodse vervolgingen van de christenen in de begintijd, waarover ook Paulus klaagt (I Thess. 2 : 15: "...ons tot het uiterste vervolgd hebben…"), maar liever ga ik 'naar de eeuwen vóór Christus terug om de vergelijking zo zuiver mogelijk te houden.
Zoals de Joden toen, onverlet hun religieuze gelijk tegenover de Samaritanen, zich tegenover deze minderheid niet altijd correct heeft weten te gedragen, zo is ook de christelijke kerk zich niet zelden te buiten gegaan aan schandelijk wangedrag tegenover de joodse gemeenschap in haar midden. Laten we daar beiden uit leren en met Luther - die ik één keer in deze reeks erg pijn heb moeten doen - zeggen: geen aardse macht begeren wij.
Somt krijgt iemand aardse macht; dat is niet te voorkomen. Men moet er dan met Gods hulp het beste van maken. Maar begéren? Wat zou dat een hardleersheid verraden!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief