Liturgie en gemeente (2, slot)

1982-09-24
  • Jaargang 26
  • nummer 35

De Reformatie
Uit het eerste deel van dit artikel wordt duidelijk dat in de liturgie de Waarheid Gods zich realiseerde in het offergebeuren. De Reformatie stelt daar tegenover dat Christus zich aan zijn gemeente presenteert in het gewaad van Woord en Sacrament. De drie reformatoren Luther, Zwingli en Calvijn zijn niet met een geheel nieuwe orde van dienst gekomen, hun uitgangspunt lag in de bestaande R.K.-eredienst. Op eigen wijze hebben ze verder gewerkt aan een eigen vormgeving maar geënt op de oorspronkelijke stam. Luther stelt een hervormde mis samen (zonder offergang). De vaste delen worden o.a. vervangen door Duitse liederen. De prediking krijgt een ruime plaats. De verbinding Woord en Sacramentsdienst blijft gehandhaafd. Dit is niet het geval bij Zwingli. Eénmaal per kwartaal wordt het avondmaal gevierd. Een gewóne dienst wordt besloten met prediking en schuldbelijdenis. Kerkzang ontbreekt bij hem geheel. In Straatsburg (1526) stelt de duitse predikant Martin Bucer een liturgie op die uitgaat van een hervormde mis en prediking.
De inhoud is: kyrie, gloria: gebed, psalm, brieflezing of lezing van andere bijbelse boeken, evangelielezing of een doorlopende lezing (lectio continua), preek, credo of psalm of lied, verklaring en vermaning, gebeden naar schema:

voorbeden;
gedachteniswoorden;
gebed om het sacrament waardig te ontvangen;
Onze Vader;
inzettingswoorden;
communie.

Calvijn ontwerpt in 1540 een liturgie die grotendeels ontleend is aan de bovenbeschreven orde van dienst, van Martin Bucer. De dienst begint met het adjutorium: Onze hulp… Daarna volgt de opwekking tot schuldbelijdenis, de schuldbelijdenis zelf en de genadeverkondiging. Detien geboden worden gezongen. mk gebod wordt afgewisseld met het Kyrie Eleison. Zo drukt de gemeente haar dankbaarheid aan God uit en de zelfbeschuldiging door het Kyrie: Wat brengen wij er weinig van terecht! Tussen de eerste en tweede tafel wordt een gebed uitgesproken, dat een schuldbelijdenis inhoudt en tevens een smeekgebed is om de genade van Christus.
Hierna volgt een psalm en op de preekstoel het gebed om de verlichting met de H. Geest, de Schriftlezing 'en de prediking. Het intercessiegebed wordt uitgesproken voor alle nood van Kerk en wereld. Dan doet de gemeente belijdenis van haar geloof, de gezongen apostolische geloofsbelijdenis. De dienst van de Tafel vindt nu plaats. Het avondmaalsgebed, de onderwijzing en de vermaning. Na de communie zingt de gemeente ps. 138 en de dankzegging klinkt hierna. De lofzang van Simeon wordt gezongen en de gemeente ontvangt de Aäronitische zegen.
We zien hieruit dat Calvijn vast wil houden aan de twee-eenheid van Woord en Tafeldienst in de samenkomst van de gemeente. Hij wil de kerk van Christus reformeren en vasthouden aan de traditie van de oude kerk Hij greep daarmee' terug op het Nieuwe Testament. Calvijn wil dan ook elke week Avondmaal vieren. Dit was de gewoonte van de eerste christelijke gemeente. Maar door ingrijpenvan de burgerlijke magistraten te Genève wordt de avondmaalsviering teruggebracht tot viermaal per jaar. Om der wille van de vrede legt Calvijn zich bij deze veranderde praktijk neer. Het Adju-torium Nostrum, (Onze Hulp), het Confiteor en het Miscreatur zijn door Calvijn overgenomen uit de katholieke traditie van de trappengebeden, die de priester aan de voet van het altaar bij het begin van de mis bidt. Deze particuliere schuldbelijdenis zet Calvijn in een schuldbelijdenis van de gemeente om. Ook het Credo dat tussen Woord- en Tafeldienst invalt herinnert aan deze traditie. De steeds terugkerende
schuldbelijdenissen bij het avondmaal gaan terug op de smeekgebeden in de mis. Terwijl de Straatsburgse gelovigen knielen, ontvangen ze brood en wijn. In deze liturgie zien we dat de mens in Gods dialoog betrokken wordt. De gemeente geeft antwoord op Gods spreken in schuldbelijdenis, 't zingen van de Thora, 't aanheffen van Kyrie Eleison, 't zingen van -de geloofsbelijdenis, 't leggen van de noden voor Gods aangezicht, 't eten en drinken van het heil.
Hoe is 't nu in onze Nederlandse gereformeerde traditie zo geworden, dat de dienaar de gehele dienst vanaf de kansel leidt? Waarschijnlijk omdat hij beter gehoord kan worden.
De Calvijnse traditie zou met inschakeling van de technische instrumenten weer hersteld kunnen worden, n.l. voor en na de prediking staat hij achter de Tafel en is hij deel van de gemeente. Op de preekstoel is hij degene die het Woord Gods verkondigt.

Na de reformatie
We willen nu verder nagaan hoe zich na de reformatie de Nederlandse liturgie ontwikkeld heeft. Tijdens de regering van Eduard VI van 1547-1553 is Londen het toevluchtsoord voor reformatorische vluchtelingen uit verschillende landen. Een Nederlandse vluchtelingengemeente heeft zich daar eveneens gevestigd. Ds Marten Micron, enige jaren de predikant van deze gemeente, geeftin "De Christlicke Ordinancien der Nederlandseher Ghemeinten te Londen" een beschrijving van de liturgie; die er zo uitziet:

gebed voor de prediking,
psalmgezang,
tekst en prediking,
afkondigingen,
gebed, wet, schuldbelijdenis,
verkondiging der vergeving met afwijzing van onboetvaardigen,
credo, gebed voor alle nood, psalmgezang.

De zondagmiddagdienst is een leerdienst waar het gedeelte na de prediking ontbreekt.
Eenmaal per maand wordt het Avondmaal gevierd. In Embden is in' deze jaren ook een Nederlandse vluchtelingengemeente gevestigd. Het klooster Groot Prankenthal wordt aan deze gelovigen toegewezen door Prederik, keurvorst van de Paltz. Aanvankelijk neemt deze gemeente o.a. bovenstaande liturgie: over. Vanaf 1554 is Petrus Dathenus predikant. In 1566 geeft hij een psalmberijming uit voor de Nederlandse kerk, de catechismus, formulieren voor doop en avondmaal, en gebeden, zoals die "gebruikt zijn bij ons". Deze liturgie die achter de psalmen staat', verbreidt zich in Nederland. De synode van Dordrecht geeft deze orde van dienst: Psalmgezangen schriftlezing, votum, gebed, lied, preek, gebed uitlopend in credo, zegen, inzameling der gaven.
De genadeverkondiging is verdwenen, die moet nl. in de prediking uitkomen. Schuldbelijdenis en gebed voor de prediking worden samengevoegd.
De voorbeden vinden hun plaats niet meer na de preek, maar daarvóór. Dit wordt het zg. n "lange gebed". De wet wordt soms aan het begin en soms aan het eind van de dienst gelezen. Het kerklied krijgt zeer weinig aandacht. Langzamerhand wordt het avondmaal minder gevierd, vooral in de 17e eeuw. Een verschraling van de liturgie is - aanwijsbaar. Er treedt een intellectualisering van het geloof op. Men heeft geen behoefte aan liturgische vormgeving. Het objectieve heil komt tegenover de gemeente te staan.


Liturgie in onze tijd
In de 20e eeuw' is pas sprake van een kentering in de liturgie. Ik wil in dit artikel niet ingaan op de ontwikkeling in b.v. de Ned. Herv. kerk en de geref. kerken (syn.). We gaan ons verdiepen in de orden van dienst die vrijgegeven zijn door de synoden van Middelburg (1933) en Kampen (1975); Er is een principieel verschil. Men is nl. in de laatste liturgie teruggekeerd tot de twee-eenheid van Woord- en Sacramentsdienst (dienst van Schrift en Tafel). De schuldbelijdenis, bede om vergeving en vernieuwing en om verlichting door de Heilige Geest, hebben hun eigen plaats in de eredienst ontvangen. Schriftlezingen en prediking zijn een terechte eenheid geworden. De voorbeden vinden hun plaats na de Woordbediening, evenals de dienst der offeranden daarna. In de middagdienst is de geloofsbelijdenis naar .een veel betere plaats verschoven nl. na de prediking. De gemeente geeft zo, 't liefst gezongen, haar geloofsantwoord op het gepredikte Woord van God, Met de positieve benadering van 1975 is aangegeven hoe we eigenlijk (moeten) denken over 1933. De nauwe, verbinding van, schriftlezingen en prediking vindt haar grond in de Schrift (Luc. 4: 21, Hand. 13: 15) en werd in toepassing gebracht door de oude kerk en de reformatie. In de orde van dienst van 1933 zien we een verbreking van de eenheid in Woordbediening door het tussenvoegen van het lange gebed, dienst der offeranden en middenzang. De kerken zouden er goed aan doen om eerdergenoemde redenen deze orde van dienst principieel af te wijzen. Jammer genoeg wordt in de hedendaagse praktijk toch nog de orde van 1933 gebruikt. Ik wil enige kritische kanttekeningen plaatsen bij de orde van 1975.
De aanvang van de dienst wordt aangegeven met het zgn. 'votum, genomen uit Psalm 124: 8. Maar "votum" betekent: in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De dienst zou moeten beginnen met Onze hulp ... ("adjutorium nostrum"). Vandaar dat men beter kan spreken van "adjutorium" als begin. De schriftlezingen kunnen eventueel afgewisseld worden door een lied, zo geeft deze orde aan. Het is jammer dat er niet staat: De schriftlezingen worden afgewisseld met een lied. Want zo blijven we in de lijn van het synagogaal en oudkerkelijk gebruik. Er zou zelfs aangegeven kunnen worden dat deze schriftlezingen zowel uit het Oude als uit het Nieuwe Testament genomen worden om zo de eenheid van de schrift gestalte te geven in de eredienst. Punt 9 van de orde is: bediening van het Woord. Hiermee wordt, dacht ik, de prediking bedoeld.
Dit woord is hier beter op zijn plaats. Want als de Schrift gelezen wordt, is ook reeds de bediening van het Woord aan de gang, omdat daarin God zelf tot ons spreekt. De prediking brengt de waarheid van de Schrift in het heden. In veel orden van dienst die tegenwoordig samengesteld worden, niet alleen inde Geref. kerken (vrijg.), maar ook in de Nederlands Geref. en Chr. Geref. kerken, komt het kerklied er niet best af. Men geeft slechts verzen op in de dienst, terwijl naar mijn overtuiging de psalmen en gezangen als gehelen dienen te klinken, wil het kerklied kans hebben in de eredienst.
Zijn de psalmen of gezangen daarvoor te lang, dan dient een verantwoorde keus gemaakt te worden, die de strekking van het lied weergeeft. In geval van b.v. zes verzen kan beurtzang toegepast worden: mannen, vrouwen, solist, kinderen, orgelvers, allen. Zo'n lied kan het
best tot. z'n recht komen na de prediking of als collectelied. In dit lied geeft de, gemeente haar antwoord op het Woord van die bepaalde zondag.
Er zou nog veel meer over de aparte onderdelen van de eredienst gezegd kunnen worden, b.v. over geschiedenis en gebruik van het kerklied. Hiermee zou ik echter buiten mijn onderwerp terecht komen.
Een apart artikel is op z'n plaats. De bedoeling van dit artikel is dat de gemeente als geheel gaat nadenken over haar liturgie. Ik hoop met de inhoud van dit artikel daaraan een bijdrage geleverd te hebben.

Literatuur:
Gereformeerd Kerkboek (proeve 1976-'78. (Boersma, Enschede).
Jonker, H., Liturgische oriëntatie; (Zomer en Keuning, Wageningen).
Raad voor de eredienst van de Nederlandse Hervormde Kerk, 1978.
Liturgische Handreiking: Dienst van Schrift en Tafel. (Boekencentrum, 's-Gravenhage), Van der Werf, J., 1976, Kleine Liturgiek (Boekencentrum, 's-Gravenhage).
Van der Werf, J., 1971, Oefeningen in het Leerhuis (Boekencentrum, 's-Gravenhage).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief