Eb...
1982-09-24
Op een eindeloze plaat stond een scholekster met 'rode poten in het zand..."- Jaargang 26
- nummer 35
Bewegingloos. Te wachten op niets, onder een hemel, die hoog boven de horizon wat witte wolkjes weg liet gaan. De avond hield haar adem in en ver lag een lichtend duin van Ameland.
De wijdheid van het wad liet weten, wat ruimte werkelijk was .. "
Toen in de stad een oude zondagmiddag in al zijn triestheid tussen , de huizen van de straat stond, begon ik ervan te dromen.
Onderweg lagen vergeten dorpen de zondag te heiligen.
Achter de dijk was de zee niets aan het doen.De vloed was het wad opgelopen.
Alles was water ... Aan het eind van de pier stond een kleine man tegen zijn auto geleund ..
Zwijgend deed ik hetzelfde.
Nu de wind het niet meer wilde, kriebelde de avond nog wat in zijn witte haar.
Het blééf licht, al was er nergens meer zon ...
Omdat wij het volslagen eens Waren begon hij ten slotte te praten.
"Eb", zei hij aarzelend, "eb". En omdat de zee rond de pier lag en alles nog steeds water was, luisterde ik.
Eb, zei hij, recht voor zich uitstarend, het is eb, meneer.
Wij hebben in de stad een prachtige, grote kerk.
De kerkenraad heeft hem juist helemaal laten witten.
Maar het werk is niet meer, wat het was, meneer.
Het begint alweer te bladderen. Toch is het een mooie kerk. Vier pilaren, ook allemaal wit.
En een oud orgel; dat komt nog uit Amsterdam; uit een oude kerk van ons, die niet meer bestaat.
Wij zijn een "kleine" kerk, weet u.
Wij kennen elkaar allemaal. En wij hebben een mooie kerk ook, maar er komt geen hond meer.
Wij hebben ook een beste organist.
Maar met het zingen is het ook niks meer.
Vroeger, denk ik dan, vroeger was dat anders.
Dan zongen wij na de preek: God is in ons midden .
God zit naast je,
Ook naast Ybeltje, met de scherpe tong? vroeg ik me wel eens af. Dat zal Hem dan niet meevallen...
Dat waren mooie tijden. Een dominee preekte nog over een tekst. Na een half Uur kon hij je dan zo droevig aankijken en zeggen: En, gemeente, weet u wel, dat daar dan het woordje ... puntje, puntje staat? En dan noemde hij dat woordje.
En dan keek 'hij ons droevig aan, alsof wij het konden helpen, dat dat woordje er stond.
En dan vertelde hij, wat dat woordje allemaal wel kon betekenen ... En dan houd je niet voor mogelijk, wat zo'n woordje voor betekenissen heeft.
En dan dachten wij dankbaar: dat is een gestudeerd man, ons dominee. En wij hadden nog een verootmoediging. Dan beleden wij onze schuld.
Homme, die in de zuivel zat, en Ybeltje met de scherpe tong.
Dan dacht ik wel eens: gek, dat Homme - zo'n aardige man - altijd veel langer werk heeft dan Yb eitje.
Gek, dacht je dan: aardige mensen hebben zeker veel meer schuld.
Maar het is allemaal voorbij. Wij zingen niet .meer, dat God in ons midden is...
De dominee zegt, dat die tijd geweest is...
Wij zingen alleen maar liederen, die niemand mee kan zingen... Liederen, waarin staat, wat je allemaal in de week wel moet doen... Aan ie werk kom je dan niet meer toe.
En om met veertig mensen in zo'n grote kerk schuld te belijden: 't is net, of je het hardop zit te doen.
Dat wil ook al niet meer. En denk je, dat de dominee nog een tekst heeft ...? Nee, meneer, het is niks meer. D'r is er eens een geweest, die zei, dat God als de zee is met eb en vloed.
Soms is Hij dichtbij; soms ver weg.
Soms zit Hij onder aan de dijk, soms zit Hij achter Ameland ...
Nou, meneer, bij ons in de kerk is het eb ...
En als het dan zondagmiddag wordt en de stad leeg lijkt, dan moet ik even naar de pier.
Dan moet ik even zien, dat de vloed er ook nog is.
Overal was water; tussen Ameland en de dijk…
We namen dit artikel over uit: "DUBBEL-AKSENT", jaargang 2, nr. 6 - 1982. Maandelijkse uitgave van de diensten protestants en r.k. geestelijke verzorging bij de Koninklijke Landmacht. Misschien zou men graag één en ander wat anders geformuleerd hebben gezien. Maar ik dacht, dat de boodschap duidelijk was! Het is een verschrikkelijk ding, dat wij in ons goede vaderland steeds meer gaan ontwaren, dat de kerk meer noodsignalen dan vuurpijlen de lucht doet ingaan.
Dan kunnen nI. steeds minder mensen zich in het duister van de vallende wereldavond oriënteren.
Immers: het gebied is niet meer afgebakend! Je komt via een ontkerstende natie in een zendingssituatie terecht. En dat is niet alleen intriest, maar openbaart ook een brok schuld. Wanneer wij het erbij laten zitten - en dat kan aanvankelijk ongemerkt gaan - heeft het nageslacht waarover soms nog zo dierbaar gesproken en geschreven wordt, niets meer van ons als huidige generatie over te nemen. We behoeven het beeld niet somberder je schetsen dan het in werkelijkheid is. Maar we willen wél herinneren aan dat treffende woord van de apostel Paulus: "Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle" (1 Cor. 10 : 12).