Staat en stand

1983-04-08
  • Jaargang 27
  • nummer 14
Een discussie voor de EO-radio in de rubriek "Deze week". Het onderwerp was zelfonderzoek. De deelnemers aan het gesprek waren, als ik het goed gehoord heb Ir. van de Graaf van de Gereformeerde Bond, Professor Velema uit Apeldoorn en dr. Ouweneel, van ik weet niet welke groep. In die discussie ging het over de vraag hoe, wanneer en waarover een christen zichzelf moet onderzoeken t.o.v. zijn houding tegenover God en Zijn genade.
In dat gesprek werden toen de woorden staat en stand gebruikt.
Met de staat van een christen wordt bedoeld dat hij al dan niet recht staat voor de HERE in die zin dat hij een kind van God is, wedergeboren is of hoe men dat gewend is aan te duiden. Met de stand wordt dan gedoeld op het feit dat de feitelijke toestand van een christen vaak aan de staat niet beantwoordt.
Petrus, toen hii de Heer verloochende was een kind van God, een gelovige, maar zijn toestand was met zijn staat voor God geheel in strijd. Hetzelfde kan men van David zeggen na zijn zonde met Bathseba en zijn moord op Uria tot de tijd dat hij tot inkeer werd gebracht door de HERE.
In gezang 473 van het Liedboek voor de kerken komen de woorden staat en stand ook voor. "Neem en weeg mijn staat en stand in de weegschaal van uw hand. Maak dat ik in deemoed leer knecht te zijn als Gij, 0 Heer." Het gesprek op die zaterdagavond was nogal onbevredigend.
Het kan ook haast niet anders in zulk een korte tijd over zulk een belangrijk onderwerp.
Merkwaardig was dat ik me beter kon vinden in wat dr. Ouweneel zei dan wat gezegd werd door de mannenbroeders van de Gereformeerde Gezindte. Dr. Ouweneel legde de nadruk op het feit dat we de beloften Gods moeten aanvaarden en de anderen voelden toch wel voor onderzoek niet alleen naar de stand maar ook naar de staat. Ik vind het hierboven geciteerde gezang 473 : 8 Lbk nogal vreemd over die staat en stand. Een beetje zweverig.
Dat is dat hele onderscheid tussen staat en stand ook. Je doet er niet zo veel mee. Niemand kan ontkennen dat er voor een christen altijd reden is tot zelfonderzoek.
Maar als dat óók moet zijn, steeds weer "ben ik wel een kind van God?" dan zijn we toch wel op de verkeerde weg. Het Evangelie komt tut zondaren met het bevèl van geloof en bekering. Het wroeten in je zelf of je wel voldoende geloof hebt en of je wel voldoende bekeerd bent is geen bezigheid van het geloof. Zelfonderzoek is noodzakelijk, maar daarbij moet geloof geloof en ongeloof ongeloof worden genoemd. En daarbij mogen we nooit vergeten dat we elke dag opnieuw onze zaligheid buiten ons zelf moeten zoeken en niet binnen ons zelf en niet bij ons zelf. Want bij ons zelf en in ons zelf is niets te vinden. En als Paulus aan de Corinthiërs zegt dat zij zich op de proef moeten stellen of ze wel in het geloof zijn, dan zegt hij tegen mensen die graag Paulus en zijn apostolaat onderzochten dat ze er beter aan doen zich zelf te onderzoeken of ze wel naar het apostolische woord willen horen èn zich erdoor laten gezeggen.
Hij hoopt dat ze zullen inzien na onderzoek dat zij ten onrechte zijn apostelschap in twijfel hebben getrokken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief