Verlangen naar echt contact
2011-10-21
‘Zo mooi als mensen die familie zijn’ – dat is de glanzende beginregel van Psalm 133 in de weergave van Menno van der Beek. En zijn laatste regel is als een warm bad: ‘Daar gaat het leven nooit voorbij.’ Dat mooie lijkt vaak gewoon, je bent je er niet eens altijd van bewust.- Jaargang 55
- nummer 21
Bitter anders zijn de conflicten, die gezinnen en families tot op het bot kunnen verdelen. Hoe komt dat en wat is er bij conflicten in kerk en gezin te zeggen over de diepere lagen onder onze onderlinge omgang?
Daarover gaat het gesprek met Philip Troost, die na een periode van predikantschap zijn werk heeft gemaakt van de pastorale therapie.
Grote belangen
Conflicten zijn er meer dan ons lief is: in de wereld, op ons werk, in de kerk en in ons persoonlijke leven. Een arbeidsconflict is natuurlijk anders van aard dan een familiaire ruzie.
Dan rijst de vraag waarom een conflict in gezin of familie zo diep kan gaan.
Philip Troost reageert beslist: ‘De belangen zijn groot. Want het gaat over je vader, je moeder en je plekje tussen je broers en zussen. Dat zijn de belangrijkste personen in je leven. Het zijn de eerste relaties, waarin de meest basale behoeftes spelen, zoals: mag ik er zijn, word ik aanvaard of dreigt er afwijzing en veroordeling? Dat raakt de diepste snaren in ons mens-zijn. Als er later in gezin of familie conflicten komen, dan zit dat dus heel diep verankerd.
Vandaar ook de heftigheid en de pijn in familieconflicten.’ Troost benadrukt dat ieder mens geboren wordt als een behoeftig wezen, met verwachtingen en verlangens. ‘Dat is zo door God in de schepping gelegd. We strekken ons uit naar wat we nodig hebben, vanaf het allereerste begin in ons leven.
Het gaat dan om hele fysieke verlangens, maar ook om een diep verlangen naar aanvaarding. Dat levert niet alleen hele mooie momenten op tussen ouders en kinderen, maar ook teleurstellingen.
Je kunt zeggen dat kinderen, als het goed is, in de omgang met hun ouders iets van het hart van God moeten ervaren.
Maar dat lukt lang niet altijd, want ouders zijn zelf beschadigd geraakt door het leven. Ze zijn beeld van God, maar dat is tegelijk verstoord.
Als kind al ontwikkel je intuïtief een gedragspatroon om met gemis, teleurstelling en onveiligheid wat betreft die basale behoeften toch verder te kunnen. Noem het overleven. Bijvoorbeeld door stoer te gaan doen of juist zo onzichtbaar mogelijk te blijven of je gevoelens weg te drukken en je gedrag aan te passen. Die mechanismen maak je je vooral eigen in je vroege kinderjaren. Ze vormen je tot wat we later je karakter noemen.
En dat speelt natuurlijk een rol in conflicten tussen ouders en kinderen. Als vader of moeder neem je jezelf mee met alles wat jou gevormd heeft. De conflicten die je zelf vroeger meemaakte – met je autoritaire vader, bijvoorbeeld – werken door in de manier waarop je zelf een conflict aangaat met één van je kinderen.’
Duidelijkheid en ruimte
Philip Troost wil daarmee allerminst zeggen dat je een conflict maar zoveel mogelijk uit de weg moet gaan, door er bijvoorbeeld niets van te zeggen als je dochter afspraken over op tijd thuis komen na een avondje uit aan haar laars lapt.
Troost: ‘Het is heel belangrijk dat er bij een kind geen twijfel ontstaat over de liefde die je als ouder hebt voor je kind.
Bevestig steeds dat de relatie niet op het spel staat, zelfs als je kind letterlijk van huis wegloopt. Ook dan is er een weg terug, prachtig te zien in de gelijkenis van de verloren zoon.
Alles op zijn beloop laten is dus niet goed, maar een machtsstrijd evenmin.
Ik weet als vader heel goed dat een conflict met je kind spannend kan zijn.
Aan de ene kant zoek je de ruimte voor je kind, maar je wilt en moet tegelijk ook duidelijkheid geven.
Er zijn grenzen waarbinnen het samenleven als gezin zich afspeelt. En jij als ouder bepaalt die. Dat is een verantwoordelijkheid die je ten diepste van God hebt gekregen. Dat is zijn orde en daar moet je ook niet voor weglopen. Beschadigingen die je zelf in je verleden hebt opgelopen kunnen je wel in de weg zitten om die roeping van Godswege ook echt op te pakken.
Het is dus niet terecht als ouders alles op het gedrag van hun kind schuiven.
Ze hebben zelf ook een aandeel in het onvruchtbare machtsconflict.’
In de kerk
De vraag is of diezelfde patronen alleen al qua heftigheid ook herkenbaar zijn in de conflicten binnen een kerkelijke gemeente. Philip Troost ziet die parallel zeker: ‘Er spelen dezelfde mechanismen als in het gezin.
Ook in de gemeente is het steeds weer de vraag hoe je je weg vindt in een omgeving met allerlei factoren die het onveilig maken.
Extra verwarrend in het kerkelijke is dat het zo vaak gaat over theologie en over wat juist is of niet; in discussies, maar ook in conflicten. Het komt zelden een laag dieper dan de strijd om het gelijk. Terwijl we op een rationele golflengte discussiëren over allerlei inhouden, wordt het gesprek of conflict in werkelijkheid voor een groot deel bepaald door de gevoeligheden en ervaringen die we hebben opgeslagen in ons ervaringssysteem, die diepere laag die gevormd is door de boodschappen die we oppikten in onze kindertijd, nog voordat we sowieso in staat waren over inhouden na te denken.
In die diepere ervaringslaag gaat het over mijn “zijn” met alle behoeften en tekorten, pijn en gevoeligheden. Als je in kerkelijke spanningen en conflicten die diepere laag zou kunnen bereiken, dan zou het anders worden. Dan gaat het niet meer zozeer om het gelijk of om het eens worden met elkaar, maar over of we elkaar echt willen kennen en erkennen, liefhebben en onvoorwaardelijk aanvaarden. Dus ook of je je wilt láten kennen in je kwetsbaarheid, of je tevoorschijn durft komen met je pijn en met je beschadigingen. Pas op die diepere laag kan echt contact van hart tot hart ontstaan. Dat is een heel spannend proces, maar ook ongelofelijk mooi. Pas als dat hartscontact ervaren wordt, hoeven theologische verschillen en inhoudelijke discussies niet meer zo gauw tot verwijdering te leiden.’
Houvast
Troost geeft aan dat in gemeentelijke spanningen en conflicten de onderhuidse vraag naar je houvast ook heel belangrijk is. ‘Soms kan iemand in een discussie heel fel worden.
Realiseer je dan, dat je op zo’n moment aan iets raakt wat voor de ander blijkbaar belangrijk is, waar hij of zij houvast aan heeft. Dat kan een kerkelijke gewoonte zijn of iets van de gereformeerde leer, een vertrouwde psalm of bepaalde norm. Je geloof gaat namelijk, vaak zonder dat je je dat bewust bent, op zulke dingen leunen. Trekt iemand aan zo’n stut in je geloof, dan komt er een felle reactie, soms ook onverwacht.’ Philip Troost is ervan overtuigd dat maar één ding echt bevrijdend is: ‘Dat is dat je God je enige houvast laat zijn, Hij die zegt: “Ik ben, Ik ben met je.” Maar denk niet dat dit gemakkelijk is.
Ik vind het voor mezelf ongelofelijk moeilijk om alleen op God te vertrouwen, bijvoorbeeld op de momenten dat iemand onaardig tegen me doet of kritiek op me heeft of als ik ziek word.’ Toch geeft dat nou juist de vrijheid en ontspanning die nodig is als het spannend wordt, zo is de ervaring van Troost. ‘Als je houvast werkelijk Christus is, dan hoef je niet meer weg te lopen voor eigen angsten, onzekerheden en alleen-zijn. Als je je door Hem aanvaard weet, dan staat er in allerlei meningsverschillen en discussies toch veel minder op het spel, denk ik. Dan komt er ruimte om door te praten, bijvoorbeeld over de vraag: waarom werd ik nou zo fel, en wat is voor jou blijkbaar zo belangrijk dat je zo uithaalde in de discussie? Wil je die ander dan ook écht begrijpen, niet alleen in wat hij zegt maar ook in waarom en hoe hij het zegt, op dat diepere niveau?
Dit is echt ongelofelijk moeilijk. In preken hoor je het vaak: vertrouw de Here toch! Maar dat komt zo gemakkelijk dicht in de buurt van iets wat “moet”.
En er “moet” al zo veel in de kerk. De vraag is dan of zo’n boodschap landt in de harten van mensen die door hun ervaringen, vaak al als kind, hebben geleerd dat vertrouwen geven gevaarlijk is of teleurstelling brengt. Dat landen lukt eigenlijk alleen als de predikant op zo’n vitaal punt contact maakt met zichzelf en zo bij zijn eigen pijn en onzekerheid komt, zich afvraagt: hoe moeilijk is het voor mijzelf om echt helemaal op Christus te vertrouwen? Dan kom je in je preken dichter bij de mensen die het daar ook moeilijk mee hebben.’
Oefenplek
Troost ziet de gemeente als een oefenplek om op diepere lagen te communiceren.
Met name kleine groepen bieden volgens hem kansen dat het verlangen naar dieper contact het wint van remmingen en angsten en alles wat ‘moet’. Dat de werkelijkheid weerbarstig is, ontkent de pastoraal therapeut niet. ‘Om ingesleten patronen in de manier van omgaan met elkaar te veranderen, moet je soms in generaties denken, zo taai zijn veranderingsprocessen.
Daarbij zal elke generatie in eigen tijd en omstandigheden weer zijn weg moeten zien te vinden, in de omgang met God, zichzelf en richting elkaar.
Maar mensen zijn daar diep van binnen wel naar op zoek. Ik denk dan aan een tekst uit Prediker: dat God de eeuw in het hart van de mens heeft gelegd. Dat duidt op dat verlangen naar onvoorwaardelijke liefde en aanvaarding. De basale menselijke behoeften aan liefde, erkenning, aandacht, geborgenheid en genade weer durven voelen en uiten: dat kunnen we oefenen, niet alleen thuis in het gezin, maar ook in de gemeente.
Ten diepste is dit het verlangen naar God, waarvan we de vervulling weer kunnen leren ervaren via de liefde van mensen in wie Gods Geest werkt.’
Conflicten aangaan
Troost is van mening dat het heel gezond is om een conflict aan te gaan.
‘Doe je dat niet, dan krijg je op een gegeven moment een uitslaande brand, soms nadat het heel lang ondergronds heeft gesmeuld. Beschouw een conflict als een kans om contact maken. Daar kun je ook in groeien. Zeg wat het met je doet als die ander zich zus of zo opstelt. Wees eerlijk in het benoemen en uiten van je gevoelens. Zo kun je contact maken van hart tot hart.
Ik zei al: het gaat in de kerk veel te vaak om een machtstrijd over het eigen gelijk en de juist opvattingen. In zulke controverses zou het zo heilzaam zijn om het contact te verleggen naar een laagje dieper. Dan gaat het om heel andere vragen, zoals: ik wil graag weten wat je bezighoudt en waarom dit zo belangrijk voor je is, of wat er voor jou op het spel staat. Als ik dat soort dingen écht wil begrijpen van jou en jij van mij, dan gaan we ons beiden begrepen voelen, dan is er hartscontact en kunnen we eenheid ervaren op basis van de geborgenheid in Christus. En of we het op dit of dat punt eens zijn of niet, wordt op een bepaalde manier dan minder belangrijk. Nooit gaat het in de rapporten die over spelende conflicten geschreven worden, over die diepere onderlaag, over die gevoelens. Wat ik hier zeg over conflicten in de gemeente, geldt overigens precies zo in het contact tussen ouders en kinderen.’
Uiteengaan
Toch leert de realiteit dat niet alle conflicten worden opgelost.
Moet je ook niet leren om in een conflict, als het niet anders is, op een goede manier uit elkaar te gaan? In de familie bijvoorbeeld, als twee broers elkaar werkelijk niet liggen?
Troost is daar heel terughoudend in. ‘Ik leg de lat hoog, dat weet ik. Ik wil eigenlijk geen water bij de wijn doen als ik denk aan wat God mogelijk kan maken.
Maar tegelijk wil ik wel barmhartig zijn en in die zin ruimte maken voor deze noodoplossing. Dus: de lat hoog blijven leggen zonder elkaar aan die lat op te knopen.
Maar de vraag is toch steeds weer: kun je de ander in alle verscheidenheid vasthouden? Wij stappen bij irritaties gemakkelijk uit het diepere contact en beperken ons in het gesprek tot de koetjes en kalfjes. Dan zeg ik: probeer irritatie ook eens te zien als een kans. Als je je ergert aan die ander, wat zit er dan bij jezelf? Projecteer je misschien iets op de ander? Als je verantwoordelijkheid neemt voor die werkelijkheid in jezelf en genade leert ontvangen voor je eigen onhebbelijkheid, dan kun je ook genadig worden richting de ander.’ Troost gelooft dat in het kerkelijke leven verscheidenheid als iets moois gezien kan worden, als er eenheid op hartsniveau ervaren wordt.
Conflicten oplossen
In conflicten hoor je vaak hele scherpe uitspraken, bijvoorbeeld: van mij hoeft het niet meer, of: laat hij de eerste stap maar zetten, ik doe het niet. Als Troost in zijn werk relaties met conflicten begeleidt, stelt hij als voorwaarde dat beide gesprekspartners bereid moeten zijn om zelf steeds de eerste stap te zetten, zo nodig met hulp. ‘Je gaat niet zitten wachten op de ander, ook niet als jij het slachtoffer bent, anders hebben de gesprekken geen zin. Je ziet nogal eens gebeuren dat iemand zijn slachtofferzijn tot een soort identiteit maakt.
Maar in Gods perspectief blijf je ook als slachtoffer geroepen om je verantwoordelijkheid te nemen. Ook dan heb je de keus om jezelf te geven in de pijn die het je gedaan heeft; dat je “ik” gaat zeggen, waarmee je uit de sfeer van het beschuldigende “jij” stapt; dat je je ervoor inspant om begrepen te worden en dat je je er tegelijk voor wilt inzetten om de ander te begrijpen.’ En als conflicten echt niet opgelost zijn? Troost: ‘Er is eigenlijk maar één vraag, die dan van belang is: heb jij inderdaad alles gedaan wat je kon doen?
En die vraag kun jij alleen voor jezelf beantwoorden. Heb je echt alles van jezelf gegeven om hartscontact te krijgen met degene met wie je een conflict hebt? Pas als je dat gedaan hebt, dan kan er een moment komen dat je verder moet leven zonder dat het conflict is opgelost; eerder niet. Maar dan kun je ook loslaten en het onrecht van het conflict aan God toevertrouwen. Meer doen dan in je vermogen ligt, vraagt God niet. Minder trouwens ook niet.
Geloof-ongeloof
Het gesprek verschuift in de richting van de contacten met ongelovig geworden kinderen. Het contact met dat kind wordt haast als vanzelf getekend doordat je mist bij je kind wat voor jou zo centraal is.
Troost: ‘Zo’n kind voelt dat haarscherp. Die denkt zoiets als: mijn vader vindt me niet goed genoeg omdat ik niet geloof. Nodig is dat je liefhebt met de houding van God. Dat is heilzaam voor je ongelovige kind. Die onvoorwaardelijke aanvaarding resoneert met de diepste verlangens die God ook in het hart van je kind heeft gelegd.’ Troost geeft toe dat het moeilijk is om zo’n relatie oordeelvrij te houden.
‘Maar dat is wel nodig, want onder het oordeel lukt het niet om lief te hebben.
Dan krijg je een terugtrekkende beweging bij de ander. Bedenk dat wij als mens niet zijn geroepen om te oordelen.
Wel in de zin van onderscheiden, maar niet in de zin van veroordelen.
Wat is het moeilijk om vrede te vinden als je kind Gods weg verlaat. Soms worstelen ouders tot aan hun dood met schuldgevoelens: had ik toen niet beter...? Dan vraag ik wel eens: “Waarom heb je het nodig, om dat zo vast te houden? Kun je ook als ouder en opvoeder Gods genade aannemen?” Want als je dat doet, dan komt er ook ruimte om los te laten. Genade is een sleutelwoord.’
Ad de Boer is redacteur van Opbouw, getrouwd met Ineke, vader van zeven kinderen en opa van twaalf kleinkinderen. Freddy Gerkema is predikant van de NGK te Amersfoort en eveneens redacteur van Opbouw. Hij is getrouwd met Judith en samen hebben ze vier dochters.
Philip Troost is predikant binnen de GKv en werkzaam bij Spectrum in Hattem, waar hij zich in pastoraat, therapie, opleiding en training bezighoudt met de integratie van geloof en ervaring. Hij is bijna vijfentwintig jaar getrouwd met Carla. Ze hebben drie jongvolwassen zoons.