Weg uit de burgerbunker

2011-10-21
  • Jaargang 55
  • nummer 21
In de grote steden, maar evengoed in voorsteden als Nieuwegein, is de woongroep aan een voorzichtige opmars bezig. De naoorlogse generatie associeert woongroepen misschien met de communes uit de jaren ’70: sociale experimenten met een beperkte slagingskans en houdbaarheid.
Woongroepen van nu lijken echter realistischer van start te gaan en zijn vaak verbonden aan een kerk of organisatie.

Ook als dat niet het geval is, valt op dat de doelen vaak klein, privé en lokaal gehouden worden. Je zult niet gauw meer een woongroep tegenkomen die zich collectief inzet tegen ‘racisme en uitbuiting’, zoals in de seventies wel gebeurde. Toch is de motivatie om het traditionele gezinsverband op te geven voor een radicaal ander model bij velen nog altijd idealistisch van karakter.
Voor Henk Reitsema van studiegemeenschap L’Abri is de woongroep ‘een manier om het bestaan in de burgerbunker te vermijden,’ zoals hij zelf zegt. ‘In Zuid-Afrika (waar hij zijn jeugd doorbracht) was het vanzelfsprekend om bij elkaar over de vloer te komen.
Dat hebben we zo in Nederland kunnen voortzetten, met ons gezin.’ Zeker bij christenen appelleert het bovendien aan een soms romantisch verlangen naar de eerste gemeenten uit Handelingen 2, waarin iedereen alles gemeenschappelijk had.

Experiment
Dat geldt ook voor mij en mijn vrouw Lotte. Samen gingen we de afgelopen jaren het experiment aan om met een groep anderen een woning te delen.
Dit najaar komt aan ons experiment een einde en gaan wij onze voordeur weer delen met niemand anders dan onszelf.
We zijn er destijds aan begonnen omdat de woongroep een soort brug voor ons was tussen het studentenleven en het volwassen bestaan. Omdat we, ook als christenen, tegenwoordig vaak niet meteen na het huwelijk aan kinderen beginnen te denken, leek dit model een manier om het gevoel van avontuur en gemeenschap dat de studententijd kenmerkt te behouden en intussen wel te kiezen voor de stabiliteit van een vaste relatie.
Is het geworden wat we ervan verwacht hadden? Er schieten me talloze mooie momenten te binnen: een kerstdiner waarbij we mensen aan tafel hadden voor wie elders geen plek was; een groot tuinfeest rond het WK-voetbal van vorige zomer, een huiskamerconcert en een expositie in eigen huis. Maar ook mooie vieringen rond de maaltijd, op de maandagavond.

Neo-monastieken
Het bestaan in de ‘burgerbunker’ is niet per se minder waard of minder christelijk. Maar in deze postmoderne tijd komt het model van de kloosterling weer op: het klooster als een verzamelplek van gelovigen die zichzelf enigszins apart stellen, niet als doel in zichzelf, maar ten dienste van kerk en samenleving. Het is niet voor niets dat Shane Claiborne, een groot aanjager van de woongroepbeweging, met gelijkgestemden tot een soort moderne kloosterorde kwam. Deze neo-monastieken baseren zich op oude kloosterbronnen en vinden daarin een ritme en inspiratie om hun samenleven in deze tijd vorm te geven. In Nederland timmert theoloog Johan ter Beek aan de weg met ochtend- en avondgebeden op internet en een heuse ‘Zevende Regel’.

Deze bezinning op de fundamenten van het gemeenschapswonen is zeker nuttig en nodig. Maar in dit artikel kies ik voor een praktische benadering: waarom zou je een woongroep willen en waarom zou je er juist weer weg willen?

Drie redenen om een woongroep in te gaan

1. Oefening in de kunst van het samenleven.
Wie met grote dromen een woongroep in gaat, heeft beslist iets aan de lessen uit het boek Samen leven van Dietrich Bonhoeffer, die schrijft: ‘De persoon die zijn droom van gemeenschap liefheeft, zal gemeenschap vernietigen (zelfs als zijn intenties oprecht zijn), maar de persoon die de mensen om hem heen liefheeft, zal gemeenschap creëren.’ Met andere woorden: als je met al te grote dromen aan een gemeenschap begint, dan word je daar gauw genoeg vanaf geholpen. De gewoontes van anderen (hoe ze eten en met welk niveau van hygiëne ze genoegen nemen), de overtuigingen van anderen (met christenen uit alle kerkelijke windstreken in een huis wonen, betekent niet dat de neuzen meteen allemaal dezelfde kant op staan) en niet in de laatste plaats de verwachtingen van anderen (een single zal vaker samen willen eten dan een stel, dat meer behoefte aan privacy heeft).
Dat alles bij elkaar maakt dat er veel geloof en een hoop liefde nodig is om de lieve vrede te bewaren. Het leren liefhebben van de mensen om je heen blijkt heel wat anders dan het nastreven van een abstract ideaal.
Maar wie op die weg gaat, zal worden verrast door wat hij aantreft. Nogmaals met woorden van Bonhoeffer: ‘De eerste dienst die je aan anderen in de gemeenschap bent verschuldigd, bestaat uit het luisteren naar elkaar.’ Dat kunnen wij onderschrijven, in een huis met Britten, Australiërs en een Afrikaanse jonge vrouw. Leren luisteren: wie is de ander en wat heeft hij/ zij nodig?
Na twee jaar zijn wij nog geen experts, maar wel ervaringsdeskundigen: in het vreedzaam oplossen van conflicten, in het geven van genade (al is het maar omdat iemand je favoriete broodbeleg heeft opgemaakt) en het ontvangen daarvan (vaak minstens even moeilijk).

2. Geloof laten zien in plaats van er alleen over praten.
Voor ons was het leven in een woongroep bovendien een les in het uitleven van ons geloof. We leven nou eenmaal in een belevingscultuur, waarin waarheid moet worden geproefd en ervaren voordat ze kan worden beleden. Voor deze relationele vorm van apologetiek is de vorm van de woongroep bij uitstek geschikt. Je kunt gasten en buren laten meeleven zonder meteen je eigen privéruimte open te zetten. De gemeenschapsruimte is daar bij uitstek geschikt voor. Juist als je ook open bent over de conflicten die onherroepelijk bij het delen van een huis horen, kun je laten zien wat genade is. En als er een logeerplek in het huis is, kun je de zorg voor de logees gezamenlijk op je nemen. Gastvrijheid betonen wordt daardoor gemakkelijker en leuker.

3. Meer dan alleen de zondagskerk.
Een van de grootste uitdagingen voor iedereen die de veilige haven van het christelijke studentenleven uit vaart, is om je leven zo in te richten dat je ook als je zelfstandig bent, een relevante vertaling van je geloof vindt. Wij vonden het meerwaarde hebben dat we voortdurend aanspreekbaar waren op de vorm waarin we navolgers van Christus waren. Dat kun je in de kerk natuurlijk ook wel hebben, maar juist in een stad is het gemakkelijk om je zondagse kerkleven los te gaan zien van je normale dagelijkse activiteiten. Door als christenen samen te wonen, wordt de vertaalslag van geloof naar dagelijks leven vanzelfsprekender.
In ons geval speelde ook mee dat we werken in de cultuursector en soms onvermijdelijk ook op zondag moesten werken. De zondagsrust en het kerkbezoek schoten er dus een enkele keer bij in. Het leven in een woongroep is voor ons gewoon een stok achter de deur geweest om onze wandel met God op peil te houden.

Drie argumenten om er weer weg te willen

1. Samenleven kost energie die je niet aan iets anders kunt besteden.
Het delen van een ruimte en/of een visie is een intensief proces, dat mag langzamerhand duidelijk zijn. Dat heeft onherroepelijk zijn weerslag op hoe je met anderen omgaat. Contacten met familie en vrienden komen, of je dat nu wilt of niet, op een lager pitje te staan. Dat geldt ook voor je betrokkenheid op kerk of gemeente, tenzij de woongroep daar nauw op aangesloten is. Dat is de prijs die je betaalt. Anderzijds is het voor je omgeving soms juist ook ontzettend leuk om over te vloer te komen in een huishouden waar allerlei mensen elkaar aan de keukentafel ontmoeten.
Voor je het weet is je huis een knooppunt van sociaal verkeer. Dat is natuurlijk ook weer een verrijking.

2. Het sociale proces kan het geloofsproces verdringen.
Door het accent te leggen op het in de praktijk brengen van je geloof, lijken andere zaken minder belangrijk te worden. Wij ontdekten gaandeweg dat kloosters niet voor niets zulke strikte getijdengebeden hanteren. Gebed en Bijbelstudie kunnen mooie doelen van een woongroep zijn, maar de praktijk wees in ons geval uit dat de regelmaat om dat gezamenlijk te doen heel moeilijk vol te houden is.
Samen een film kijken en daarover spreken of lekker voor elkaar koken zijn natuurlijk evengoed waarden van Gods koninkrijk. Maar: de uitdaging is om geest, hoofd en buik bij elkaar te houden in een woongroep. Daarin zijn we niet altijd even goed geslaagd, omdat het groepsproces en eventuele gasten zoveel aandacht vragen.

3. De woongroep kan de kerk of je buurt gaan vervangen.
Het verrijkende van een woongroep is dat je merkt dat je het niet allemaal uit jezelf hoeft te halen. Wat volgens mij een valkuil is, is dat je om je eigen woongroep een hek zet en jezelf daarmee ook weer afsluit voor wat er om je heen gebeurt in je stad of in je buurt.
Hier draait het om het vinden van balans: elk ‘binnen’ schept ook weer een ‘buiten’. Als die twee in evenwicht zijn, dan is het gezamenlijke leven goed.
Leven met anderen maakte me ook en vooral zeer nederig: als ik zie hoe lastig het soms is om elkaar te begrijpen, om met een paar andere mensen echt een weg te gaan, dan maak ik me over de samenleving, laat staan de hele wereld, geen al te grote illusies. Sadder, but wiser, zou je kunnen zeggen, verlaten we binnenkort de woongroep waar we zo’n twee jaar deel van uitmaakten. We hopen ons zeker opnieuw bij een groep aan te sluiten, maar gaan eerst even genieten van het leven met elkaar.

Karel Smouter werkt de ene helft van de week voor de Protestantse Kerk Amsterdam als adviseur op het vlak van kerk en twintigers. De andere weekhelft schrijft hij als onafhankelijk freelance journalist aan artikelen op het grensvlak van cultuur en religie en werkt hij aan boeken over zulke uiteenlopende thema’s als voetbal en geloofstwijfel. Hij is getrouwd met Lotte.

Zoals gezegd kunnen woongroepen verschillende functies hebben. Hieronder een overzichtje.
• De Buurtgemeenschap Heeft als doel niet het samenleven op zich, maar het dienen van de buurt. Een voorbeeld hiervan is de nieuwe woongroep boven de Elthetokerk in Amsterdam-Oost en de woongroep Overhoop, met buurthuiskamer, in Utrecht-Overvecht.
De Leergemeenschap Heeft als doel studie, waarvan het samen leven overigens een integraal deel uitmaakt. Een voorbeeld hiervan is de woongroep L’Abri.
• De Viergemeenschap Heeft als doel de dagelijkse vieringen (een- tot vijfmaal daags), waarin de gemeenschappelijke identiteit beleden wordt en Gods aanwezigheid wordt opgezocht. Een voorbeeld hiervan is de Spil in Giessenburg en Oudezijds 100 te Amsterdam.
De Zorggemeenschap Heeft als doel het delen van de ruimtes met gasten die er even tussen uit moeten, vanwege bijvoorbeeld huwelijksproblemen of paspoortproblemen (bij vluchtelingen). Een voorbeeld hiervan is de Oude Pastorie in Tull en ‘t Waal of de Timon Woongroepen, door heel het land.
• De Leefgemeenschap Heeft als doel het samen op weg zijn en zo samen van elkaars aanwezigheid genieten en leren. Een voorbeeld hiervan is de woongroep, waar ik zelf deel van uitmaakte.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief