Evangelieverbreiding (1)
1982-10-01
Het volgende maakte ik gereed als inleiding tot een gesprek van de Ned. Ger. kerkenraad van Den Haag met twee Haagse Chr. Ger, kerkenraden n.a.v. mijn artikelen over Project '82 in de 'Kerkbode', uitg. Buijten en Schipperheijn B.V. Ten gerieve van de lezers voorzag ik het van enkele opschriftjes en een hoogst enkele correctie of aanvulling.- Jaargang 26
- nummer 36
Gevraagd het gesprek van deze avond in te leiden wijs ik er graag eerst en vooral op dat het heil van God bestemd is voor álle mensen, álle volken. De HERE sluit niemand daarvan uit op grond van taal, ras of huidskleur: Zeker, onder de oude bedeling beperkte Bij zijn heil tot het nageslacht van Abraham, Isaäk en Jacob maar dat was voor een tijd. Bovendien was die tijdelijke inperking bedoeld om de verschijning van Gods heil zelf zeker te stellen èn om er vervolgens alle volken in te laten delen, Jood zowel als Griek, blank zowel als zwart. Ook is het 'heil van God voor allerlei mensen binnen één volk of ras. Het is voor armen en rijken, heren en knechten, onderdanen en overheden. Daar doelde Paulus op toen hij aan Timotheüs schreef dat God wil dat alle mensen behouden worden, 1 Tim. 2 : 4.
Er was dus, zoals gezegd, een tijdelijke inperking van het heil maar van meet af aan, direct bij die inperking te weten vanaf de bijzondere roeping van Abraham, liet God weten: 'In u zitten alle geslachten der aarde gezegend worden'. In u - dat is in Abrahams groten Zoon, Jezus Christus, de redder van de hele wereld.
Uit Hem stroomde het heil de grenzen van het Joodse land over naar alle natiën en tongen tot aan de einden der aarde. De HERE wilde persé dat het evangelie aan alle volken zou bekend gemaakt worden en daarom moest het ook naar alle volken toegebracht en overal verkondigd worden, Matth. 28 : 19. Daar mag geen misverstand over zijn. Het evangelie is bestemd voor iedereen en moet dus onder alle volken bekend gemaakt worden. Want hoe zullen zij geloven in Hem, van wie ze niet gehoord hebben? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn, Rom. 10 : 14 is? De volken moet het grote nieuws aangeprezen worden en daarvoor zijn verkondigers nodig
maar die matigen zichzelf die dienst niet aan en grijpen er niet eigenmachtig naar. Zij moeten daartoe geroepen worden en gezonden worden. Het valt op hoe Paulus in Rom. 10 de verkondiging van het evangelie koppelt aan het gezonden zijn. Denkt hij aan zichzelf, hoe hij, van de Heer geroepen en daarna door bemiddeling van de gemeente van Antiochië met oplegging der handen gezonden werd? In dit verband leg ik er de vinger bij dat hij in al z'n brieven zijn apostolische roeping met nadruk noemt.
Sómmigen zijn geroepen
Verkondigers worden geroepen, gezonden, gesteld. Dat is een duidelijke Bijbelse lijn. Niet iedereen is geroepen mond Gods te zijn. Om te beginnen met het Oude Verbond - steeds riep God bepaalde mensen tot het overbrengen van zijn boodschap. Te denken valt aan zijn knechten, de profeten: Samuël, Elisa, Elia, Jesaja, Jeremia e.a. Dat waren zulke bijzonder geroepenen.
Soms zijn er meerdere tegelijk zoals de 70 oudsten met Eldad en Medad in de woestijn, kort na het vertrek van de Sinaï.' Mozes verzuchtte zelfs: 'Och ware het hele volk des HEREN profeten, doordat de HERE zijn Geest op hen gaf', Num. 11 : 29. Ook in de profetenscholen tref je meerderen tegelijk maar het gaat in Gods Woord steeds om een afgeronde, een bepaalde groep. In de dagen van Christus lees je eveneens van de roeping van enkelen om de goede boodschap te verbreiden. Het zijn de 12 en niet meer, die Jezus bestemde tot vissers der mensen. Daarna wordt Saulus van Tarsen geroepen. Het gaat om enkelen die belast worden met de verbreiding van het evangelie aan de volken. En het zijn deze uitgekozen vissers der mensen die de apostel Paulus op het oog heeft wanneer hij in Rom. 10 schrijft: hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn ? In het nieuwe verbond wordt de lijn van het oude doorgetrokken. Zeker, ik weet van de verschillen tussen beide bedelingen.
Met de Pinksterdag kwam de bedeling waarin de Geest aan allen werd geschonken. Aan heren , en knechten, vrouwen en dienstmeisjes, ouden en jongen - aldus Joël - maar dat neemt niet weg dat die allen niet geroepen worden tot de bijzondere dienst van de evangelieverbreiding.
In Korinthe dienden de gaven tot stichting van de gemeente.
De Heer heeft sommigen gegeven tot apostelen en 'sommigen' worden op duidelijke wijze geroepen en officieel in de bediening gesteld. Niet zelden met oplegging der handen. Bovendien melden die geroepenen zich niet eerst ze1f terwijl degenen, die daarvoor uitgekozen werden er lang niet altijd enthousiast aan begonnen. Ze gingen er bepaald niet altijd in een hoerastemming op af. Mozes zag er als een berg tegen op en zei, al tegenspartelend, op het laatst: 'Mij niet, HERE, ik ben geen man van het woord, ...ik ben zwaar van mond en zwaar van tong', Ex. 3 : 10, 11; 4: 1, 10. Elia wilde er op een zeker moment onderuit en begeerde te sterven. Hij vluchtte in de woestijn en bad: 'Neem nu, HERE; mijn leven', 1 Kon. 19 : 4. Jeremia had het er ook niet op en pruttelde als volgt tegen: Ach Here, HERE, ik ben jong, Jer. 1 : 6. Een geroepene en gezondene van God te zijn, dat is geen sinecure, dat is een hele opgave.
De hele gemeente geroepen?
Het gaat steeds om enkelen, om sommigen. Jezus stuurde er 12 of 70 op u~t maar ook in het laatste geval gaat het om een bepaalde groep. Nergens lees je dat de gemeente als geheel wordt aangesproken op een roeping of taak tot verkondiging van het grote nieuws. Wel lees je van de gemeente van Filippi dat zij deel heeft aan de prediking van het evangelie van de eerste dag af, 1 : 5, maar daarmee doelt Paulus kennelijk op de gaven waarmee de gemeente de evangelieverkondigers en met name Paulus ondersteunt.
De brieven van Paulus en de andere apostelen staan vol vermaningen en aanmoedigingen maar ik ken in die brieven niet één opwekking aan het adres van de betreffende gemeente om actief bezig te zijn in de verbreiding van het evangelie. Noch Paulus, noch één van de andere bijbelse briefschrijvers dringt er op aan toch vooral werk te maken van deze evangelieverkondiging.
De brieven staan vol aansporingen tot heiligmaking, tot een wandel in geloof maar nergens vind ik een opwekking tot wat wij evangelisatie noemen. Ook in de brieven van onze Heer himse1f aan de zeven gemeenten van Klein-Azië kom je iets in die richting niet tegen. Terecht schreef dr H. R. Rookmaaker in een artikel over evangelisatie: 'Wat van ons allereerst gevraagd wordt is God lief te hebben, Zijn kind te zijn, onze zaligheid te zoeken in Zijn genade, in het Bloed des kruises, om, verlost uit de slavernij der zonde (Rom. 6: 22), niet alleen te luisteren naar Zijn Woord en Zijn geboden in het algemeen, maar zeer in het bijzonder ook te zoeken welke taak en roeping Hij voor een ieder van ons persoonlijk heeft weggelegd ... Dit vermeid ik niet om vrome woorden neer te schrijven maar om de wijzen op de grondslag van alle waarlijk christelijke arbeid. Deze bestaat niet in het opvolgen van een tijdloos gebod maar in het doen naar onze specifieke roeping, waartoe de Heilige Geest ons gewillig en bereid maakt. Dan zien wij dat sommigen op bijzondere wijze geroepen zijn het
evangelie te verkondigen. Dat lezen wij als de Here Jezus zelf tegen Zijn discipelen zegt, dat Hij hen uitzendt tot hun arbeidsveld, en als we vernemen met hoeveel nadruk Paulus spreekt over zijn roeping (b.v, CoI. 1: 25). Om het voorgaande kort samen te vatten, wij allen zijn geroepen als 'kinderen Gods te wandelen en vruchten te dragen in de kracht des Heiligen Geestes, maar alleen sommigen zijn door de Here in het bijzonder geroepen anderen tot geloof te brengen, het evangelie te verkondigen.')
Het nieuwe leven
Inderdaad, bij de algemene roeping om in heiliging te leven heeft onze hemelse Vader dikwijls voor iedereen nog een bijzondere taak Je komt daar achter wanneer je in ootmoed let op ontvangen gaven, op de weg die Hij met je gaat en zoveel meer. Deze roeping is zeer particulier en daar moet een ander afblijven. Die mag je ook niet iemand opdringen. Eén ding immers is zeker n.l. dat de HERE Zijn gemeenten niet stroomlijnt. De gemeente van Christus is een Iichaam met veel leden, sierlijke en minder sierlijke om met Paulus 'te spreken, en dit lichaam - is niet een en al oor noch een en al oog en iedereen functioneert daarin op een eigen wijze. Soeverein deelt God gaven uit. En zo gebeurt het dat Hij sommigen bijzonder inzet bij de verbreiding van het evangelie en anderen niet.
De gemeenten als geheel worden in de brieven evenwel nooit aangesproken op hun roeping tot wat wij evangelisatie noemen. Schrijft Paulus aan de Colossenzen dat zij moeten zoeken de dingen die boven zijn dan zet hij in datzelfde hoofdstuk die dingen netjes op een rijtje. Hij noemt: 'innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander ... En doet bij dit alles liefde aan...’ Heiliging van leven en van de onderlinge verhoudingen - dáár gaat het om wanneer de 'apostel maant te zoeken de dingen, die boven zijn. U kent natuurlijk 'Ook de opsomming van de vrucht van de Geest in Gal. 5 : 22.
Verbreiding van het evangelie wordt er niet bij vermeld. In Efeze 4 schrijft Paulus over de nieuwe levenswandel zoals boven de perikoop van 17-32 staat. Er wordt heel wat genoemd maar iets dat wijst op een roeping van de gemeente tot het opzettelijk uitdragen van het evangelie staat er niet bij . Vertelt tenslotte de apostel Petrus wat wij allemaal bij het geloof moeten voegen dan noemt hij het volgende: deugd, kennis, zelfbeheersing, volharding, godsvrucht, de broederliefde en de liefde rot allen, 2 Petr. 1 : 5 e.v. Ik ken maar één brief waarin met zoveel woorden wordt gesproken over het overkomen van een 'buitenkerkelijke', althans een buitenstaander, tot de gemeente van onze Heer. Dat is de brief aan de gemeente van Filadelfia in Openb. 3 : 7-13. Lees je dit verhaal, dan valt op hoe eenzijdig het werk' van God in die toebrenging wordt geaccentueerd, Over enige vorm van gemeente - dan we menselijke activiteit wordt niet gerept. Reeds onmiddellijk in de aanhef wijst de brief op het werk van God: 'Hij - de Heilige en Waarachtige - opent en niemand zal sluiten, Hij sluit en niemand opent'. Daarop vervolgt dan de Heer: 'Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten ... Zie Ik geef sommigen uit de 'synagoge des Satans, van hen, die zeggen, dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen; zie Ik zal maken dat zij zullen komen en zich nederwerpen voor uw voeten, en erkennen, dat Ik u heb liefgehad'.
De Heer spreekt over deze toebrenging als over een ongedachte en niet gezochte verrassing voor de gemeente.
1) Geciteerd uit het Gereformeerd Cultureel Maandblad 'Ruimte' van juni 1960.