Torenklok
1982-10-01
Een van de genoegelijkste zaterdagmorgenplichtjes is het opwinden van de torenklok in ons durp. Dat gáat in één moeite door met het klaarmaken van het psalmbord in de kerk en het klaarzetten en doorspelen van de zondagsliturgie. Het geeft zo'n prettig gevoel alles goed geprepareerd te hebben en niet, zoals in ons vroegere haastleven. alles a prima vista te moeten opleveren.- Jaargang 26
- nummer 36
Zo die torenklok. De weinige kerkgangers en de veie niet-kerkgangers zijn gaan rekenen op die klok. Want die vertelt ze precies, hoe laat het is. En zo'n klok moet betrouwbaar zijn.
Toen we hier voor het eerst kwamen; zo'n tien jaar geleden, stond de torenklok op twintig minuten over twee. Altijd twee uur twintig. Je kon op die klok aan want hij stond altijd op 2.20 en de enige vraag was, of dit dag: of nachttijd betekende. (Kent u dat verhaal nog uit de begintijd van de computer?
Iemand had een horloge dat 3 minuten achter liep en een ander dat stil stond. Hij vroeg aan een computer, welk van de twee hij moet aanhouden. De computer antwoordde: het stilstaande, gooi het andere maar weg.
Waarom? werd gevraagd. Antwoord: het stilstaande geeft twee maai per dag de juiste tijd aan - het andere maar eens in de tien dagen.) Aan die computer moest ik denken. Wat doe je met een torenklok, die altijd op 2.20 staat? Ik vroeg aan enkele vooraanzittenden uit de synagoge: mag ik wel eens naar die klok gaan kijken?
Jawel, zei men, maar het is levensgevaarlijk in de toren te klimmen. Goed, antwoordde ik, ik ben verzekerd; maar wanneer de kerk niet weet hoe laat het is, wat kan ze dan eigenlijk nog voor de wereld betekenen? Daar Wist niemand het antwoord op.
Ik trachtte, boven gekomen, de klok door haar welwillend toe te spreken weer aan het lopen te krijgen. Ze liep 2 minuten en stond stil. Voortaan stonden de wijzers op 2.22; dag of nacht, dat bleef onbeslist. En ik vroeg de vooraanzittende figuren, waarom de klok eigenlijk stil stond? Men keek elkaar aan. Dat was altijd zo geweest.
- Altijd?
- Nu ja, de laatste twintig jaar tenminste.
- O en kan dat ook gerepareerd worden?
- Nee, want dan moet er een engineer uit Glasgow komen, dat kost handen vol geld en dat kan niet. - Maar als ik toevallig eens tegen een engineer aanloop, mag ik hem vragen er eens naar te kijken?
- Ja, doet u maar... Ik vond een engineer in een schoonzoon. Die had nog nooit aan een klok geknutseld maar vond het wel een uitdaging. En na vier morgens samen te hebben. gewerkt, gesleuteld, geboord, geschuurd en. gesmeerd - liep de klok als een lier. En perfect. Nu is zeal enkele jaren op slag en het hele durp is er blij mee.
Dat uurwerk is een geschenk van de toenmalige markiezin van Braedalbane uit 1920, zo staat op de wijzerplaat. Zij woonde met haar markies in Craig Lodge, het Schotse huis waar nu mijn jachtvriend Calum met zijn gezin woont. De markies liet in de kerk een gedenksteen na, viak naast de preekstoel ingemetseld; daarop lezen wij na zestig jaar nog, hoe belangrijk hij was. In het jaar van zijn dood schonk de markiezin de torenklok. Schone herinneringen aan voorbije feodale jaren.
Voor ons geen steen en geen gebrandschilderd raam en geen torenklok. Wij zijn niet belangrijk en als Napoleon tot op deze eilanden zou zijn doorgedrongen, wat hij graag gewild had, zouden de markies en markiezin ook nooit belangrijk zijn geweest. Maar de markies van Braedalbane tekende in 1895 wel een acte, waarvan de fotocopy in ons bezit is: waarbij hij aan twee heren Campbell toestond een huis van tenminste duizend pond sterling te bouwen: toevallig het huis dat wij nu bewonen. .
Onze torenklok heeft maar één wijzerplaat, hier "face" of gezicht genoemd. Alleen de dorpskant hoeft maar te weten, hoe laat het is. Aan de andere zijden wordt geacht dat geen mensen wonen. De klok heeft wel twee wijzers op haar face, hier "hands" genaamd. Want (misschien wist u dat?) een wijzer is oorspronkelijk uit een gestileerd handle ontstaan. Vandaar dat grappige propje, dat u aan een klokwijzer opmerkt: het zijn eigenlijk de vier opgevouwen vingers, waaruit een wijsvinger steekt, Het Hebreeuws gaat nog iets verder; dat noemt elk opgericht teken, elke wijzer of handwijzer, een vat. En u verstaat wat jatten betekent; met de hand wegnemen. Men zegt dan: hou je jatten thuis. Hier zegt men "hands", handen.
Elke zaterdagmorgen dus de ceremonie van de klok opwinden. Je moet je wel fit voelen, als je eraan begint. Heel vroeger, dus langer dan 20 jaar geleden, deden dat "twee oude heertjes" samen, zei men mij. Die togen dan naar boven om samen het uurwerk op te winden, te zwaar voor 1 Schot. Aan die oude heertjes denk ik met spottend genoegen.Voel ik me fit genoeg dan wandel ik de kerkheuvel op; hier "church MB" genoemd - en ik weet weer wat Winston's achternaam betekent. In de kerk, waarvan de voordeur nooit op slot is, loop ik de eerste trap van 24 treden op. Die is afgesloten, maar ik mag een eigen sleutel hebben. Die eerste trap leidt naar de verdieping, waar de predikant zijn kleedkamertje heeft, waar de elektrameters hangen, waar het klokkentouw hangt (waar broeder Cummings elke zondag om 10.45 enkele minuten aan luidt) en deze verdieping brengt naar de volgende trap.
Nu sla ik mijn broekspijpen om, want de tweede trap is een soort ladder van 20 treden, vol met aards stof dat van muren en zolders valt en dat ik maar eenmaal heb opgeruimd, want na een week was het weer even erg. Zo kom ik op de tweede omgang: een muffe, donkere kamer, waar een stalen vat in de hoek staat, gevuld met zand. Zou het vroeger bij executies hebben gediend? Misschien, maar nu kunnen de klokkengewichten er eventueel in vallen, zonder de hele verdieping af te breken. En daar begint de derde trap.
Nu is het een steile, zwiepende en wormstekige ladder geworden. Je moet je goed vasthouden aan leuning of ander houtwerk, in de hoop dat dit niet loslaat. Twee en twintig treden, welke evenveel levensgevaartjes betekenen. Dan mag ik even op adem komen: 66 treden hoog boven de kerkheuvel.
De derde omgang is een smal balcon boven een eindeloze leegte. Er is nog een vierde ladder, die u zo nodig naar het torendak kan brengen, waarop de luidklok staat - maar dát is pas gevaarlijk: Niet dat ik het niet gedaan heb. De klok is door parochianen samen betaald, ongeveer in -1860; de. tijd werd nog genoteerd naar de predikant, die de zielen verzorgde. En een luidklok heet hier "bell".
Terug naar het balkon. Er zijn twee kastjes in de zware stenen muur gebouwd; een bevat de bewegende slinger, het ander beschermt het uurwerk Een eindeloos stoffig en beslagen raam geeft weifelachtig licht in deze eeuwenoude ruimte. Vermoedelijk hebben de twee oude heertjes vroeger op die afgedankte kerkstoel gestaan bij het opwinden ~ anders konden ze met geen mogelijkheid boven hun hoofd kracht zetten.
De opwindslinger uit het ene kastje past op het uurwerk in het andere. En na diep ademhalen wordt de grote slinger rondgedraaid, boven het hoofd; tegen de klok in, anti-clockwise. Dat is nog al zwaar werk voor 1 ouder heertje. Na twintig slagen komen de gewichten door het vloergat en mag even worden gepauzeerd. Nogmaals diep ademhalen en nu komen de laatste 12 slagen; een blik over de schouder, schuin naar boven, vertelt dat de gewichten aan het hoogste plafond komen. De klok zal weer zeven volle dagen lopen en ieder kan weten, hoe laat het is. En de juiste tijd alstublieft.
Met een sleutel wordt het uurwerk gecorrigeerd, dat in de zomer wel een minuut per week voorloopt. .
Dat zijn nu de kleine pretjes in ons leven. Net als br Cummings, die elke zondagmorgen om 10.45 de luidklok luidt, zo winden wij op tijd het torenuurwerk op. Men rekent op ons, men is er blij mee. Het zit niet in de grootte van onze goede werken, het zit in de goede trouw. Prof. Veenhof zei, jaren geleden al, op een diaconale conferentie: "beklaag u niet als u aan niemand meer geldelijke steun hoeft te geven; ga als van ouds de weduwen bezoeken: misschien moet er een spijker in een muur worden geslagen om een portret op te hangen." En daar vijzel ik me aan op. Want als het regent op de dominee dan druppelt het op de koster.
A propos - die oude heertjes zullen vroeger na hun opwindend bedrijf stellig a wee dram, een neutje zogezegd, hebben genomen. Daartoe is hier maar weinig aanleiding nodig. Maar voor mij wordt dat te duur: de whisky kost hier het drievoudige van Nederland.