Een mens van God

1982-10-08
  • Jaargang 26
  • nummer 37
-- Filippenzen 4: 4-7 --

Juist omdat Paulus ook maar een mens is, net zo zwak als wij, net zo broos als wij, net zo kwetsbaar en machteloos als wij, juist daarom kunnen we al die onmogelijke woorden die hij schrijft toch niet naast ons neerleggen. Ook niet die onmogelijke woorden uit hoofdstuk 4.

Onmogelijk.
Want hoe kun je je nu verblijden, als je aan alle kanten zo in de knoei zit?' Als alles mislukt lijkt? Als de twijfel je te pakken heeft?
En hoe kun je het dan nog opbrengen, vriendelijk te zijn? Altijd bedacht op wat je voor de mensen om je heen kunt doen? Hoe kun je dan nog zonder zorg zijn, als je eigen toekomst en de toekomst van de mensen die je even kostbaar zijn als jezelf zo dreigend is, zo uitzichtloos?
En wat kan de vrede van God nu beginnen tegen de schreeuw van je hart, tegen al die gedachten die je naar beneden trekken?

Paulus zelf zal die onmogelijkheid wel gevoeld hebben. Maar juist die onmogelijkheid maakt zijn blijdschap des te groter als hij schrijft: het kan toch.
Ik heb het ondervonden. En jullie, lieve mensen, mogen het ook ondervinden: ik verblijd me met u allen. En verblijdt gij u evenzo met mij. Want, we mogen ons verblijden in de Heer. De Heer, die nabij is, die er aan staat te komen. De Heer die zelf door al onze donkerheid is heen gekropen en toen onweerstaanbaar in het licht is komen te staan in het licht van God. Die Heer is in ons een goed werk begonnen, toen Hij ons aan Hem verbond. En Hij zal dan ook het werk dat Hij begonnen is tot een goed eind brengen. Jezus leeft. Geen macht kan nog verhinderen, dat wij voor God bestaan.

Dat is sterker dan onze nood. Dat is zo overwinnend dat alles wat ons beschadigt, hoe overweldigend ook, daarbij in het niet zinkt.

Dáárom ben ik - ondanks alles - zo blij. Mensen, doe met me mee. Juich met me mee. Zing met me mee. Wees blij met mij mee. En wees vriendelijk met me mee. Waarom zouden we blijven steken in bitterheid en wrok? Waarom zouden we ons verzet nog afreageren op iedereen die in onze buurt komt? Waarom zouden we het niet aan ze laten merken: de Heer is nabij, is - hoe dan ook - I nabij. Ons eerste woord voor de mensen mag "vrede" zijn. En het laatste wat we aan hen doen mag nog "vrede" zijn. We zijn toch zeker in geen ding bezorgd? Omdat er geen kwaad ons overvallen kan, en geen ramp onafwendbaar boven ons hoofd kan hangen, of ook daarvan geldt: Hij maakt het kwade goed.

Natuurlijk, dat betekent niet dat het kwade niet toeslaat en het betekent zeker niet dat het kwade ons niets meer doet. Maar wat het ons ook doet, dat kunnen we toch allemaal kwijt aan God? Alles wat ons kapot maakt, alles waar we niet tegen kunnen, alles wat we zo graag zoeken willen en alles waartegen we ons verzetten. Dat kunnen we allemaal tegen Hem zeggen. Als we het maar doen - met dankzegging.
Als we maar blijven danken voor dat ene grote, dat al onze wensen te boven gaat: dat Jezus er is, nabij. En dat zijn heil zeker is.

Als we maar blijven danken, ook al blijft ons niets meer over dan de pijn en de wanhoop. En al blijft er van ons niets anders over dan een krimpend, schreeuwend hoopje mens, een mens die sterft in de kou.

Als we maar blijven danken. Dan worden onze harten en onze gedachten ook bewaard.
Dan stroomt dat stervende hart toch weer vol met warmte en leven. Dan worden onze gedachten die onweerhoudbaar naar beneden worden getrokken, toch weer omgebogen naar boven toe, naar het licht toe.

Het kan eigenlijk niet. Want is het niet onontkoombaar dat ons hart breekt, en dat onze gedachten uit de rails vliegen, de afgrond in? Maar als je op de rand van die afgrond het wéér allemaal tegen God zegt, wat je zo graag wilt en wat je helemaal niet wilt, als je je weer vastgrijpt aan dat wat je leven heel moet maken: Jezus leeft,dan gebeurt het toch. Dan worden je hart en je gedachten weer gezet op de weg van het leven. Echt, dan is er geen macht die nog verhinderen kan dat jij, een mens, voor God bestaat.

Nu, daarom is deze brief, geschreven in nood, zo overstromend van blijdschap. En daarom mogen wij dankbaar zijn, dat Paulus ook maar een mens was, net als wij. Want alleen zo worden zijn woorden voor ons de woorden van God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief