Hij zal over U heersen: Gebod of vloek?

1982-10-08
  • Jaargang 26
  • nummer 37
Dubbele vergissing
Zoas men in Gen. 1 : 28 een gebod gelezen heeft in plaats van een zegen en daardoor een verwrongen zicht op het wezen van -het huwelijk kreeg, heeft men in Gen. 3 : 16 een ordinantie van God gezien in plaats van een vloek. En ook dat heeft geleid tot een verwrongen visie op het huwelijk en op de verhouding tussen man en vrouw in de maatschappij.
Wij zijn groot geworden bij een huwelijksformulier dat zei: "Na de val heeft God tot Eva en in haar persoon tot het ganse vrouwelijk , geslacht gesproken: Tot uw man zal uw begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben. Deze ordinantie Gods zult gij niet, wederstaan, maar veel meer het gebod Gods gehoorzaam zijn." Deze woorden geven een duidelijke samenvatting van de traditioneel christelijke opvatting. Eeuwenlang is er gepredikt: de man móet over zijn vrouw heersen. Dat is een ordinantie, een gebod van God. In feite ging men nog veel verder.
Men zei niet alleen: de man moet over zijn vrouw heersen, maar ook: de man moet over de vrouw heersen. Evenals ten aanzien van Gen. 1 : 28 heeft men ook hier ten aanzien 'van Gen. 3 : 16 een dubbele vergissing gemaakt, die enorme consequenties heeft gehad. In Gen. 3 : 16 spreekt God over de relatie tussen de man en zijn vrouw in het huwelijk. In de christelijke -traditie heeft men deze woorden echter op de verhouding tussen man en vrouw in het algemeen toegepast. Dat is de eerste' vergissing met onnoemelijk verstrekkende gevolgen. De tweede vergissing betreft het karakter van Gen. 3 : 16. Men las er weer een gebod in, terwijl er in werkelijkheid helemaal niet van een gebod sprake is maar van een vloek.

Indammen
Een vloek is het tegenovergestelde van een zegen. Een zegen verrijkt het leven en doet het open bloeien. Een vloek knijpt het leven af en bedreigt het. Dat blijkt in de verzen 16-19 duidelijk. De zegen van de voortplanting wordt aangevochten door de pijn van de vrouw. De complementaire relatie van de man en zijn vrouw wordt bedreigd door autoritair optreden van de man. De vruchtbare aarde wordt weerbarstig en dreigt haar opbrengst te verstikken.
En tenslotte wordt het leven zelf bedreigd en verslonden door de dood. Al deze stuk voor stuk ingrijpende gevolgen van de opstand van de mens tegen God dragen hetzelfde karakter: ze zijn een straf, een vloek van God over de zonde en als zodanig door de mens zelf niet ongedaan -te maken. Maar een vloek is niet hetzelfde als een gebod. Een gebod moet je naleven en uitvoeren, Een vloek onderga je. Een gebod van God mag je niet afzwakken.
Maar pogingen om de doorwerking van de vloek en daarmee van de zonde af te remmen en in te dammen zijn legitiem. Gods gebod is ten leven. "Zijn vloek breekt het leven af.

De mens - ook de christelijke mens - heeft altijd geprobeerd de doorwerking van Gods vloek in te perken. Hij heeft heel de geschiedenis door het onkruid, de dorens en de distels, bestreden. Niemand zal willen beweren dat daarmee een gebod van God overtreden wordt. Het is een goede, zelfs noodzakelijke zaak, al moet daar wel aan toegevoegd worden, dat de middelen waarmee hij tegenwoordig het onkruid vaak bestrijdt, erger zijn dan de kwaal zelf. Maat hoe rigoureus de mens de bestrijding van het onkruid ook aanpakt, hij wordt de dorens en de distels nooit de baas.

Evenmin zal iemand in het feit dat, in vergelijking met vorige eeuwen, het sterftecijfer van vrouwen bij de bevalling en in het kraambed drastisch teruggedrongen is, een overtreding van Gods gebod zien. Want iedereen begrijpt dat we. in de vermeerdering van de moeite van de zwangerschap niet met een gebod van God te doen hebben, maar met een vloek die door de mens weliswaar niet kan worden uitgeschakeld, maar waarvan hij de gevolgen wel zoveel mogelijk mag proberen te beperken.

Fataal
Het merkwaardige - je moet zelfs zeggen: onbegrijpelijke is nu, dat men heel goed beseft dat we in Gen. 3 : 16-19 niet met een gebod maar met een vloek van God geconfronteerd worden en dat men dan toch ineens een onderdeel van die vloek als een gebod is gaan lezen.
Het begin van vers 16 leest men als een vloek, evenals de verzen 17-19. Maar op een onverklaarbare manier leest men plotseling het slot van ,vers 16 als een gebod. De tekst zelf geeft daar geen enkele aanleiding toe. We stuiten hier op een diep ingevreten verwringing van wat de tekst wil zeggen, waarvan de gevolgen uiterst kwalijk (geweest) zijn. Door een vloek als een gebod te lezen verkeert men de tekst in haar tegendeel. Gods geboden zijn nl. ten leven. Ze hebben de bedoeling het leven te stimuleren en te bevorderen.
Binnen het kader van Gods geboden kan de mens zich optimaal ontplooien, Maar' een vloek doet precies het omgekeerde. Een vloek is destructief. Ze bedreigt en beknot het Ieven. Een vloek bevordert de ontplooiing van de mens niet, maar remt die ontplooiing af en doet er afbreuk aan. Een vloek bevordert niet het leven maar de dood. Door een vloek 'als een gebod te lezen, heeft men iets dat de dood in de hand werkt,' gepresenteerd als iets dat het leven stimuleert. Dat kan alleen maar fatale gevolgen hebben. Voor een alcoholist is alcoholgebruik funest. Een arts die een alcoholist alcohol voorschrijft, bewijst hem geen dienst maar ruïneert hem. Wie een vloek als een gebod aan de vrouw voorhoudt, waaraan ze moet gehoorzamen, bevordert de ontplooiing van haar leven niet, maar breekt het af.

Thema
Eeuwenlang is de vrouw voorgehouden, dat ze zich gewillig onderwerpen moest aan de heerschappij van haar man. Dat werd haar voorgehouden als een gebod van God. Op die manier heeft men de verstoring en verwringing van de huwelijksrelatie tot norm .verheven, Het .vervelende is, dat men vanuit deze fundamentele misvatting van Gen. 3 : 16 ook allerlei nieuwtestamentische gegevens ging lezen en interpreteren. Een heel, frappant voorbeeld daarvan vinden we in de Statenvertaling en in de vertaling van het NBG bij, Ef. 5. Beide vertalingen laten een nieuwe perikoop beginnen bij vers 22: vrouwen, weest aan uw man onderdanig. Daardoor wordt de suggestie gewekt, dat Paulus wil zeggen dat alleen vrouwen onderdanig moeten zijn. Maar dat bedoelt Paulus helemaal niet. Hij heeft in vers 21 juist gezegd: weest elkander onderdanig.
Door de verzen 21 en 22 uit elkaar te trekken wordt het zicht op hun samenhang verduisterd en ziet men niet zo gemakkelijk, dat Ef. 5 : 22-6 : 9 een uitwerking zijn van het thema dat in vers 21 genoemd wordt. Christenen behoren elkaar onderdanig te zijn, d.w.z. zich in dienst van elkaar te stellen. Vrouwen behoren dat ten opzichte van hun man te doen (vss. 22-24), maar mannen niet minder ten opzichte van hun vrouw (vss. 25-33). Kinderen behoren het te doen ten opzichte van hun ouders (6 : 1-3), ouders ten opzichte van hun kinderen (vs. 4), slaven ten opzichte van hun meesters (vss. 5-8) en heren ten opzichte van hun slaven (vs. 9).

Onkruid wieden
In de totaal samenhang staat Ef. 5 : 22, als een van de concretiseringen van de algemene opdracht elkaar onderdanig te zijn. Er is dus geen sprake van dat Paulus hier zinspeelt op Gen. 3 : 16 en de daar uitgesproken vloek hier als een gebod presenteert. Paulus sprong niet zo slordig met de bijbeltekst om als wij vaak doen. In een christelijk huwelijk behoort de vrouw zich in dienst te stellen van haar man (vs. 22) en haar man behoort zich weg te cijferen voor zijn vrouw, zoals Christus zich weggecijferd heeft voor zijn gemeente (vs. 25). Een huwelijk waarin de man heerst over zijn vrouw, beantwoordt niet aan Gods norm, maar is scheefgegroeid. Zoals een boer onbekommerd de dorens en distels uit zijn akker mag trekken, zonder daar overigens ooit mee klaar te komen, zo mogen man en vrouw vrolijk het onkruid uittrekken, dat op hun huwelijksakker opschiet in de vorm van de autoritaire dorens en stekels van de mannelijke bezittersmentaliteit. Ook zij zullen daar overigens nooit mee klaar komen. De christelijke huwelijksethiek die van de vrouw gehoorzaamheid eiste aan de heerschappij van haar man en die aan de man deze heerserspositie toekende op basis van de als een gebod gelezen vloek van Gen. 3 : 16, heeft eeuwenlang een karikaturaal ideaalbeeld van het christelijk huwelijk in stand gehouden en zichzelf de pas afgesneden de nieuwtestamentische gegevens in het juiste licht te zien. Maar er moet nog meer gezegd worden.
Dat bewaren we voor het volgende nummer.

I) Het al genoemde huwelijksformulier ziet overigens ook in het zwoegen en zweten van de man voor zijn levensonderhoud een bevel van God ("naardien het Gods bevel is, dat de man in het zweet zijn aanschijns brood zal eten"). De tekst zelf maakt duidelijk, dat het zwoegen en zweten niet als een bevel maar als een vloek het leven binnenkomen. Het zou de moeite waard zijn eens na te gaan in hoeverre deze omkering van een vloek in een bevel ons arbeidsethos beïnvloed heeft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief