Hij zal over U heersen: Gebod of vloek?
1982-10-15
Ongeoorloofde overstap- Jaargang 26
- nummer 38
De traditionele christelijke verklaring van Gen. 3 : 16 vergiste zich niet alleen door in dit vers een gebod te lezen in plaats van een vloek, maar ook doordat ze over het hoofd zag, dat in deze tekst een verwringing van de huwelijksrelatie wordt aangekondigd en niet van de relatie tussen man en vrouw in het algemeen. Natuurlijk is ook die relatie wel door de zonde aangetast.
Dat geldt voor elke menselijke relatie. Maar dat is in deze. tekst niet aan de orde. Gen. 3 : 16 heeft betrekking op de positie van de vrouw in het huwelijk en niet op de positie van de vrouw in de maatschappij. De christelijke traditie maakt die ongeoorloofde overstap van de huwelijksverhouding naar de maatschappelijke verhoudingen wel. Ze doet dat trouwens ook al bij het lezen van Gen. 2 : 18 vv Wat daar over de huwelijksverhouding gezegd wordt, wordt zonder meer uitgesmeerd naar de maatschappelijke verhoudingen. Het gevolg daarvan is, dat men onvermijdelijk een verkeerd zicht krijgt op de plaats van de vrouw in de maatschappij en bovendien ook allerlei nieuwtestamentische gegevens, waarin de man het hoofd van zijn vrouw genoemd wordt, een ongeoorloofde uitbreiding geeft naar het maatschappelijke vlak toe.
In het huwelijk is de vrouw een hulp die bij de man past, zegt Gen. 2 : 18. Buiten het huwelijk geldt dat niet. De hulp die bij mij past, is mijn eigen vrouw. Van mijn buurvrouw kan ik dat niet zeggen. Want het "een passende hulp zijn" vindt zijn uitdrukking en vervulling in het ,;tot één vlees zijn". Het gaat niet aan de huwelijksverhouding zonder meer model te stenen voor alle andere verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Ik ben bijbels gezien wel het hoofd van mijn eigen vrouw (Ef. 5 : 23). Maar ik vind nergens in de bijbel, dat ik ook het hoofd hen van alle vrouwelijke gemeenteleden of van alle vrouwen bij mij in de straat. Dat kan ook niet worden afgeleid uit 1 Cor. 11 : 3 vv, Terecht zegt prof. dr H. J. Jager dan ook in zijn collegedictaat -over 1 Cor.: "Uit heel het verbond blijkt, dat Paulus denkt aan de gehuwde vrouwen de echtgenoot. Anders zouden we krijgen dat elke man zeggenschap zou hebben over elke vrouw, dat de man in het algemeen hoofd van de vrouw in het algemeen zou zijn" (p. 250). Dat laatste kan niet uit de Schrift afgeleid worden. Het is ook geen scheppingsordening.
Gen. 1 : 27, 28
Dat blijkt duidelijk uit Gen. 1 : 27; 28. Daar gaat het over man en vrouw in het algemeen en over hun plaats in de schepping. Van beiden wordt gezegd dat ze naar Gods beeld geschapen werden en aan beiden wordt door Gods zegenende scheppingswoord de aanleg meegegeven om de aarde te onderwerpen en over de schepping te heersen. Er is in deze verzen, waarin niet de huwelijksverhouding maar de plaats van man en vrouw in de totaliteit van de schepping aan de orde is, dan ook niet de geringste zinspeling te vinden in deze richting, dat de man in algemene zin hoofd van de vrouw zou zijn of dat alleen de man maar beeld van God zou zijn. Men mag dat dan ook niet concluderen ( uit 1 Cor. 11 : 7. Prof. Jager (a.w. p. 255) merkt bij deze tekst op, dat Gen. 1 : 27 duidelijk stelt, dat man en vrouw naar Gods beeld geschapen zijn. "Dat was Paulus vanzelf bekend en hij stemde dat toe. Paulus kan hier dus niet bedoelen, dat alleen de man evenbeeld van God is."
Ook allerlei veelgehoorde argumenten als zou het een scheppingsgegeven zijn dat de vrouw niet in staat is leiding te geven, te besturen, te regeren, lopen stuk op Gen. 1 : 27, 28, waar ondubbelzinnig gezegd wordt dat God zowel aen de man als aan de vrouw de aanleg geschonken heeft om de aarde te onderwerpen en over de schepping te heersen. De Schrift maakt in dat opzicht geen enkel onderscheid tussen man en vrouw. Precies zoals beiden geschapen zijn als vruchtbare wezens, zonder dat daarbij de vruchtbaarheid van de vrouw ondergeschikt gemaakt is aan die van de man, zo zijn ook beiden geschapen met de aanleg de schepping te beheersen, zonder dat daarbij .van een rangorde sprake is. Iets anders valt er in Gen. 1 : 27, 28 niet te lezen. Het is de fout geweest van de traditionele opvatting, dat men de grenzen tussen huwelijk en samenleving uitvlakte en de man in algemene zin tot hoofd van de vrouw verklaarde en er bovendien van uitging dat het ook een bevel van Godswege was, dat de man in de totaliteit van de samenleving over de vrouw moest heersen. Deze grondfout heeft ertoe geleid, dat men ook de nieuwtestamentische gegevens in dit kader plaatste, waardoor ze niet meer tot hun recht konden komen.
Herstelde verhouding
Het Nieuwe. Testament grijpt zowel ten opzichte van de huwelijksverhouding als ten opzichte van de verhouding tussen man en vrouw in het algemeen terug op Gods oorspronkelijke opzet. Niet de door de zoode en de vloek verwrongen situatie is maatgevend, maar "Gods opzet van den beginne.
Dat de man het hoofd is van zijn vrouw, is volgens het Nieuwe Testament een onbetwistbaar gegeven van den beginnen. Maar Paulus laat scherp uitkomen, dat dit hoofd zijn van de man niets te maken heeft met heersen over zijn vrouw, maar moet uitkomen in het zich ten dienste stellen van zijn vrouw (Ef. 5 : 21-33). Ook in 1 Cor. 11 laat Paulus zien, dat de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk niet gekenmerkt moet worden door onderlinge rivaliteit. In de Here is evenmin de vrouw zonder man iets als de man zonder vrouw. Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw (vss. 11, 12).
Paulus snijdt in dit gedeelte elke neiging tot onderlinge rivaliteit: en concurrentie tussen man en vrouw in het huwelijk af. Vrouwen die aan emancipatiekoorts lijden, moeten goed weten: de vrouw is er om de man (vs. 9). Maar mannen die de neiging hebben bij deze woorden van Paulus nadrukkelijk te knikken en te zeggen: "ziezo, die zit; de vrouw moet haar plaats kennen", krijgen onmiddellijk van Paulus te horen: heb maar niet zo'n verbeelding en blaas maar niet zo hoog van de toren, want zonder de vrouw zou je helemaal niets voorstellen; je zou er zonder de vrouw niet eens zijn.
Man en vrouw moeten in het huwelijk niet elkaars concurrent zijn, maar elkaars complement.
Consequenties
Ook ten aanzien van de verhouding tussen man en vrouw in de maatschappij grijpt het Nieuwe Testament terug naar Gods opzet bij de schepping. In een wereld die scheefgegroeid is, komt Christus genezend binnen. In Christus is er dan ook geen sprake meer van mannelijk en vrouwelijk (Gal. 3 : 28). Uiteraard heeft deze tekst primair betrekking op het feit, dat man en vrouw gelijkelijk deel hebben aan het zoonschap (vs. 26). Maar daar is nog niet alles mee gezegd. De verhouding tot God heeft nl. consequenties voor de onderlinge verhoudingen.
Zo heeft het feit dat er in Christus geen onderscheid meer is tussen Jood en Griek en dat ze beiden gelijkelijk deel hebben aan het zoonschap, vergaande consequenties voor hun onderlinge verhouding. Ze kunnen nu b.v. - om maar iets te noemen - gewoon bij elkaar over de vloer komen (vgl. Hand. 10) en gezamenlijk eten (vgl. Gal. 2 : 12) en ze kunnen nu niet meer als vijanden tegenover elkaar staan, omdat ze samen burgers van Gods koninkrijk geworden zijn (vgl. Er. 2 : 19; Fil. 3 : 20).
Ook het feit dat er in Christus geen slaaf en geen vrije meer is, had belangrijke maatschappelijke gevolgen, die uiteindelijk tot afschaffing van de slavernij moesten leiden. En zo had ook het feit dat er in Christus geen sprake meer is van mannelijk en vrouwelijk, consequenties moeten hebben voor hun maatschappelijke positie. Helaas zijn die consequenties niet of nauwelijks getrokken. Het is beschamend dat de feministische bewegingen van deze eeuw, die door een revolutionaire geest gedreven worden, als breekijzer moesten fungeren. Maar het is in de geschiedenis vaker voorgekomen, dat een revolutionair en afvallig denken de bodem heeft omgewoeld en ruimte heeft gemaakt voor het herkermen van bijbelse noties die verloren waren gegaan (vgl. Renaissance en Humanisme als voorbereiders van de Reformatie).
Ruimte
In Christus is het niet meer van doorslaggevend belang of je een man bent of een vrouw. Dat telt niet meer mee. Het legt geen gewicht meer in de schaal. Precies zoals ook 'het Jood of Griek zijn geen gewicht meer in de schaal legt. In de kerkelijke wereld zijn de consequenties daarvan bij lange na nog niet getrokken. Er zijn b.v. kerken waar je positie niet bepaald wordt door de vraag of je in Christus bent, maar door je blank of zwart zijn of door je rijk of. arm zijn. En ten aanzien van de vraag wie er ouderling of diaken kan zijn en in een samenkomst van de gemeente kan voorgaan, zijn nog maar al te vaak niet de gaven die daarvoor vereist zijn, doorslaggevend maar het man of vrouw zijn.
In de nieuwtestamentische tijd was er ook voor vrouwen tijdens de samenkomsten der gemeente alle ruimte om het Woord van God door te geven en voor te gaan in gebed (1 Cor. 11 : 5). Hoe komt het, dat die ruimte in de kerk eerst helemaal verdwenen is en nu nog lang niet overal weer teruggewonnen is? Het is te wijten aan een in dubbele zin verkeerde interpretatie van Gen. 3 : 16, die in de hand werkte dat de man ook in de kerk over de vrouw heerste.
Van den beginne is het zo niet geweest. God heeft man en vrouw beiden de aanleg gegeven om de aarde te onderwerpen en over de schepping te heersen. Ze kregen in dit opzicht een gelijkwaardige positie. Volgens deze aanleg kunnen vrouwen niet minder dan mannen in staat geacht worden leiding te geven en te regeren, Het Nieuwe Testament grijpt daarop terug. In Christus mag het man of vrouw zijn niet meer doorslaggevend zijn. En de christelijke gemeente zou bij uitstek de plaats moeten zijn, waar deze oorspronkelijke opzet van God weer zichtbaar wordt.