Een abc van het N.T.

1982-10-15
  • Jaargang 26
  • nummer 38
De Farizeeën van de Schrift zijn ons allen wel bekend. Wat het woord betekent is volgens deskundigen niet geheel zeker. Het komt mij het waarschijnlijkst voor, dat het betekent: afgescheidenen. Als dat zo is dan komt dat wel overeen met hun praktijk. Ze zonderen zich af van heidenen. Erger is dat zij zich ook afzonderen van het gewone volk zal ik maar zeggen.
Dat noemden zij de schare, die de wet niet kent". Ze vermeden de omgang met hen, sloten zich op in eigen kring en begrepen maar niet, dat de Here Jezus "met tollenaars en zondaars omging", om hen het evangelie te verkondigen en zo te. redden van het verderf. Ze noemden Hem dan ook een ,.vraat en wijnzuiper". Wat zijn nu de kenmerkende eigenschappen? De voornaamste zijn dunkt mij de volgende:

1e. Ze roemden zichzelf en alle anderen verachtten zij.
2e. Ze wilden niet van genade leven, maar leefden "uit de wet".
3e. Hun leiders vereerden zij en deze lieten zich graag vereren.
4e. Ze vonden tenslotte geen zekerheid des heiIs.

Wat het eerste punt betreft, hun hoogmoed en verachting van alle anderen blijkt zonneklaar uit de gelijkenis van Lukas 18: Ze vertrouwden van zichzelf dat zij rechtvaardig waren, terwijl ze al de anderen verachtten. De Farizeeër oreerde: O God, ik dank U, dat ik niet ben els die rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers of ook die -tollenaar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten. Hij. bad dus eigenlijk niet, maar stalde voor God zijn verdiensten uit. En allen die met bij zijn partij behoorden schold hij uit voor een goddeloze troep. Hij vroeg niets van de HERE, bad allerminst om genade en ging dus"niet-gerechtvaardigd naar huis. In tegenstelling met de tollenaar, die om genade vroeg en die vond. Hij ging met de vrijspraak naar huis,

Wat no. 2 betreft, ze kenden het woord genade wel, maar dat verstonden ze zo, dat God in Zijn welwillendheid hun door de wet gelegenheid gaf om veel verdiensten bij God te maken.
En zo een toren te bouwen, die tot voor Gods troon reikte. Op grond van hun verdiensten hoopten zij het eeuwige leven te verwerven. Met dat leven uit de wet" bedoel ik niet, dat zij naar die goede en heilige en evangelische Wet des HEREN leefden. Dát gaat samen met leven van Gods genade. Nee, zij wilden uit eigen kracht naar eigen wetten leven. Zij meenden wel, dat zij die uit de Thora, de onderwijzing van de HERE afleidden. Maar dat liep er op uit, dat zij naar allerlei voorschriften van hun leiders hun leven richtten. Twee keer per week vasten had de HERE niet geboden. Ze legden zichzelf, naar het oordeel van Jezus, "zware lasten op, te zwaar om te dragen". Ze plozen de wet des HEREN uit en kwamen zo tot allerlei pietluttige voorschriften. Zo maakten zij bijv. van de Sabbat, bedoeld als een dag van lust een dag van grote last. Men mocht volgens hen bijv. geen aren plukken want dat wat arbeid verrichten.
Het was oogsten in het klein, en als men de korrels uitpelde dan was dat dorsen, en als men de korrels met de tanden fijn maalde was dat molenaarswerk om zo te zeggen. En zo deden zij met alle geboden van de HERE. Dat komt er van als men niet wiI leven van genade, maar naar menselijke inzettingen. Zo"legden de leiders ondragelijke lasten op, terwijl zij zelf vele mazen zochten en vonden. Om aan de grote eis van Gods thora te ontkomen. Zo deed men bijv. met het gebod: eert uw vader en uw moeder. Dat kenden zij natuurlijk best. Maar men had er dit foefje op gevonden. Wat men zou kunnen geven aan vader en moeder, daarvan zei men: ik heb het aan de HERE· beloofd!
Helaas kan ik u dus niet helpen. Daarvan zegt de Here Jezus volgens Markus 7: "Zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering. En zo doet gij vaak". Ze leefden veelal naar de traditie der ouden. Naar regels die door rabbijnen in hun scholen waren opgesteld. Maar het voornaamste van de wet, barmhartigheid bewijzen, daaraan hield men zich niet.

Wat punt 3 aangaat: Als een schare zo uit de wet wil leven, heeft men behoefte aan leiders, wetgeleerden die elke stap der volgelingen voorschrijven. Die schriftgeleerden werden hoog vereerd door de massa. En die lieten zich gaarne huldigen. Daarvan heeft de Here Jezus in Matth. 23 geen goeds gezegd. Ze zaten graag vooraan bij de maaltijden en in de synagogen.
Ze lieten zich groeten op de markt met een eerbiedige "Rabbi", wat eigenlijk zoveel betekent als "hoogheid". Jezus gaat daartegen in en zegt tot de discipelen: "Gij zult u geen rabbi laten noemen, want één is uw Meester en gij zijt allen broeders. En gij zult op aarde niemand vader (kerkvader) noemen, want één is uw Vader, Hij die in de hemel is. Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, De COhristus. Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn". Tegen de leer der ouden is de Here Jezus fel van leer gegaan. Door de ouden is wel zus en zo geleerd, maar ik zeg u: Hij ging als machthebbend tegen die oude traditie in.

En dan punt 4. Wie zo uit menselijke voorschriften leeft, verkrijgt nooit zekerheid van eeuwigheid. Wie kon ooit uitmaken of de schaal van verdiensten opwoog tegen de missers, zal ik maar zeggen. Men was wel overtuigd veel goeds gedaan te hebben, maar sloeg de weegschaal met de goede werken door tégen de schaal gevuld met slechte daden? Kenmerkend vind ik een verhaal uit de Talmud, de joodse Bijbel om zo te zeggen. Het luidt ongeveer als volgt: Een beroemde Rabbi lag op zijn sterfbed.
Z'n leerlingen stonden er omheen. Ze zagen dat de vereerde Leraar weende. Iemand vroeg: Hooggeleerde en vereerde Rabbi, waarom weent gij? Het antwoord was: Ik weet niet of m'n goede werken zwaarder wegen dan m'n slechte. Trek mij een grijs doodskleed aan. Kom ik dan in de hemel, waar witte gewaden worden gedragen, dan val ik niet al te zeer op.
Maar kom ik in de hel met allemaal zwarte kleren, dan val ik met m'n grijs gewaad ook niet op. Zo was het einde van een -groot man van de synagoge. Heeft het nu wel zin om over dat leven van genade en daartegenover het leven uit de wet te schrijven? Wij zijn toch geen Farizeeërs? Ik vraag in ernst: Zouden wij daarvoor geen gevaar lopen? Luther moet eens gezegd hebben: Als mijn hart werd doorgesneden dan ontdekte men daar een Paap, die van nature geneigd is op goede werken te steunen. Zou als men ons hart doorsneed er soms niet een Farizeeër te voorschijn komen?

Laat ik iets vertellen uit; m'n jeugd. Ik was gedoopt en opgevoed in een kerk der Afscheiding.
We werden uitgescholden als Kokslanen. Wisten we veel wat dat woord betekende. Maar het werd gevoeld als een scheldwoord. Naar mijn herinnering werd ons op de catechisatie, op school en thuis bijgebracht, dat de afgescheidenen toch wel de echte, ware kerk waren. We hoorden dan wel bij de “kleine" kerk, in tegenstelling tot de Hervormde kerk, die groter was in ledental. Maar die was toch eigenlijk "niks". Wat gaf men daar nu voor diaconie en kerk, wat deed' men daar nu aan zending? En was die kerk eigenlijk wel gereformeerd? Nu ja, men heette dan wel ethisch-gereformeerd, maar was toch eigenlijk vrijzinnig. Nee, maar dan wij! Nu was er ook een groep evangelische hervormden. Die kwamen samen in een gebouw, dat Immanuël heette. Wij noemden hen mensen van het Immanuëltje. Er was ook een afdeling van het Leger des Heils. Die groep noemden wij "het legertje", min of meer spottend. Zij brachten onder, muziek en zang het evangelie voor een schare die de wet niet kende. We vonden dat maar een vreemd gedoe. Toen in de hervormde kerk een rechtzinnige predikant kwam, die echt preken kon en die wat achterbuurtbewoners tot geloof en bekering bracht- o.a. een dronkaard - was daarvoor weinig bewondering: Wat zou daarvan overblijven? Wel gingen enkele afgescheidenen, na eerst tweemaal ter kerke geweest te zijn in de eigen kerk, vrij geregeld voor de derde maal naar de Hervormde kerk om die spreker te horen. Maar dat werd door velen nauwelijks goed gevonden. Achteraf heb ik ingezien, dat die houding niet vrij was van enig Farizeïsme. Wat ook wel uitkwam in andere eigenaardigheden.

Er was vanzelfsprekend wel een leven van genade bij sommigen (om vele) leden. Maar wettisch leven inde verkeerde zin van het woord ontbrak niet. De traditie had een sterke invloed.
Ook als die overlevering der ouden niet zo best was. Dat kwam uit bijv. in een strenge zondagsviering. We móesten per se 2 maal naar de kerk. De vrouwen en meisjes mochten geen handwerkje ter hand nemen. Er waren gezinnen, die zaterdags soep kookten en een pan rijst. Dat werd in de hooikist gezet en zondags gegeten. De afwas bleef hier en daar staan. Waarom moest dat? Omdat het zo hoorde en daarmee uit! Toen m'n vader ernstig ziek in Groningen lag durfde moeder eigenlijk niet met de trein om hem te bezoeken. De dominee kwam er aan te pas om haar te overtuigen, dat dit echt wei mocht. Toen de predikheer (zo werd een dominee wel genoemd) in een preek alle lotspel veroordeelde (dammen en schaken enz. incluis) was er een onderwijzer, die alle. spel in de kaphel gooite! De zondag werd als een joodse sabbat meer een dag van last dan van lust.

De dominee werd als een soort rabbi geëerd. Kritiek mochten wij niet hebben. Al heb ik jaren achtereen van de preken niets verstaan. De ouderen verstonden er ook niets van, naar ik later begreep. Maar dat mocht openlijk niet gezegd. Leiders werden klakkeloos gevolgd. Ik herinner mij dat een meisje op een jeugdsamenkomst opstond en bij een of andere discussie opmerkte: .Vader zegt, Kuyper zegt z6", en daarmee was de discussie gesloten! Punt, uit!

Wat de zekerheid des heils betreft, daar weet ik uit m'n jeugd niets van. Vermoedelijk stond het ook daarmee niet best. Maar genoeg dunkt mij om aan te tonen, dat de kenmerken van enig Farizeïsme toén niet ontbraken bij de orthodoxen. Laten we maar eens nadenken of dat nu veel anders is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief