Een mens van God

1982-10-22
  • Jaargang 26
  • nummer 39
En wij allen die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld val'!heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here die Geest is.
2 KORINTHE 3: 17-18

Is Paulus' verzekerdheid zelfverzekerdheid?

Maar als hij zijn brief aan de gemeente te Korinthe schrijft en van die gemeente zegt: aan jullie kan iedereen zien, hoe goed ik mijn dienst verricht heb, - dan blijkt opeens dat, bij alle eigendunk die hem dan misschien eigen was, een andere zekerheid bij hem de boventoon heeft. Want - zegt hij - zulk een vertrouwen hebben wij op Gód: onze bekwaamheid is immers zijn werk, die ons bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond, het verbond van de Geest.

Ben ik een ingebeelde, eigengereide vent?
Misschien wel. En dan lijd ik daar genoeg onder. En als ik alleen dát wist, dan zou ik aanstonds mijn grote mond houden en in mijn schulp kruipen.

Maar weet je, wat ik geloof? Dat God, de God die wij in Christus hebben ontmoet, Geest is.
En dat, nu wij een verbond met Hèm hebben, er geweldige dingen met ons gebeuren.

Terwijl vroeger - het oude verbond Gods heerlijkheid onmachtig bleek, zich mee te delen aan de mensen omdat er in hun leven geen plaats voor was (vs 13-15), is nu, in Jezus, Gods heerlijkheid zo krachtig enzo overwinnend te voorschijn gekomen, dat we er alilemaal door worden aangegrepen, overweldigd. Aan de Israëlieten - vroeger - was niets van Gods heerlijkheid te merken, Maar wij, wij worden er door veranderd. Wij hoeven onze ogen er niet meer voor dicht te knijpen. Want ons gezicht gaat de heerlijkheid van God weerspiegelen. En wij worden helemaal door de heerlijkheid van God doortrokken, vervuld als we zijn van God, die Geest is.

Wij doen onze ogen niet meer dicht.
Want de Here, die Geest is, leert het ons
naar Hem te kijken,
naar Hem die het licht der wereld is.
en altijd meer op Hem te lijken: een lichtgIans in de duisternis.

Dart zegt Paulus tegen zijn eigen zelfverzekerdheid in. Die eigendunk die hem zó dwars zit, dat hij eigenlijk tegen zichzelf moet zeggen: laat ik nu eindelijk mijn mond eens houden. En als hij dat zelf soms vergeten mocht, dan komen de mensen uit Korinthe het er wel bij hem inwrijven: jij een apostel? Je bent meer een gewoon mens, een naar mannetje.

Dan verdedigt Paulus zich niet. Zichzelf niet.
Jullie hebben gelijk, zegt hij. Maar het mag dan waar zijn dat de mensen, als ze naar mij kijken, de mens Paulus zien, de kromgetrokken Paulus, met zijn rare streken en ergerlijke zwakheden, toch is het nog veel meer waar dat ze in mij, de ellendige Paulus, God te zien krijgen. God, die zó op me afgekomen is, dat ik niet anders meer kan dan: toch kijken naar Hem en toch gaan lijken op Hem.

Het is natuurlijk wel waar dat de mensen, als ze op mij letten, wel zeggen moeten: nou, die heeft het wel met zichzelf getroffen. Maar het is nog veel meer waar dat ze tets anders zien: Paulus die zo zeker is van zichzelf en die daaronder lijdt en die juist daarom kijkt naar Jezus Christus en dan Zijn heerlijkheid gaat weerkaatsen en zelf veranderd wordt: hoe langer hoe heerlijker. En die zich daarom tegen alles in - zijn zekerheid niet laat ontnemen: God maakt iets heerlijks van me. Mensen, weest mijn navolgers, doe als ik. En de God des vredes zal met u zijn.

Gelukkig, dat Paulus, de apostel, ook maar een mens was. Net zo kromgetrokken en scheefgegroeid als wij allemaal. Gelukkig, dat hij heeft gekeken naar Jezus en het - tegen zichzelf in - heeft durven zeggen: weest mijn navolgers.

Want alleen daarom kunnen wij, zelfbewust of onzeker, overtuigd van wat we kunnen of gebulkt onder ons gevoel van minderwaardigheid, - daarom kunnen wij allemaal ons verwonderen over deze schat: ik weerspiegel de heerlijkheid van de Heer. Dat is dan wel een schat in een aarden vat (4 : 7). Want wat is die verwondering niet vaak armetierig en die zekerheid wankel.
Maar juist zo gaat blijken dat de kracht, die alles te boven gaat, niet van jou is maar van God.
Zodat je wel in druk bent, maar toch niet in het nauw. Wel om raad verlegen, maar niet radeloos. Wel ter aarde geworpen, maar niet verloren.

Want ter aarde geworpen en aan scherven liggend, kijk je naar Jezus Christus.
En dan sta je weer op en zegt: en tóch. En tóch. Want je voelt zijn heerlijkheid over jouw gezicht trekken. En zó ga je dan naar de mensen toe. Je bent ook maar een mens, een ellendig mens. Net als iedereen. Maar midden in die ellende toch meer dan overwinnaar: een mens van God.
Een lichtglans in de duisternis.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief