Zending en pastoraat
2008-06-20
Tweemaal treffen we in het evangelie een bericht aan over een wonderbare visvangst. Bij Lucas valt dat in hoofdstuk 5 van zijn beschrijving te lezen, bij Johannes in hoofdstuk 21. De ene keer wordt het wonder vóór Pasen verteld, de andere keer na Pasen. Er zijn opvallende overeenkomsten in de twee berichten. 'De hele nacht niets gevangen' is er zo een en de overweldigende vangst daarna is een tweede.- Jaargang 52
- nummer 13
Ook de locatie is dezelfde: het meer van Galilea of van Tiberias.
Wat de aanwezigheid van de discipelen betreft is er overeenkomst en verschil.
De grote drie, Petrus, Johannes en Jakobus, zijn er volgens de beide evangelisten bij geweest, alleen noemt Johannes nog vier anderen, twee bij name: Thomas en Natanaël, en twee anoniem.
Eén gebeurtenis?
Het is niet zo vreemd dat de uitleg zich heeft afgevraagd of het in beide gevallen vanwege deze overeenstemmingen niet over dezelfde gebeurtenis gaat. En het is dan met name Johannes van wie men denkt dat hij dit wonder een plaats zal hebben gegeven in de opstandingsberichten in plaats van in de tijd van de rondwandeling.
'Dit was reeds de derde maal' schrijft hij, 'dat Jezus na zijn opwekking uit de doden zich aan zijn discipelen geopenbaard heeft (vers 14)'. Bij Lucas maakt het bericht deel uit van de roepingsgeschiedenis van Petrus, Jakobus en Johannes en dat lijkt dichter bij de loop der dingen staan. Het is echt een wonderteken waarmee de Heiland binnenkomt in het leven van de aanstaande jongeren.
Johannes schuift
Johannes zie je vaker schuiven met gebeurtenissen die in het evangelie verteld worden. Zo plaatst hij de tempelreiniging vooraan in zijn evangelie (Joh. 2). De anderen hebben dat krachtige optreden van Jezus vlak tegen het proces aan staan dat tot de kruisiging heeft geleid. Het speelt in de verhoren van Jezus dan ook een rol ('Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel afbreken en in drie dagen opbouwen', Mat. 26:61), zodat het waarschijnlijk is dat deze laatste voorstelling historisch de juiste is. Het ligt ook niet voor de hand dat de alle aandacht opvragende daad van de tempelschoonmaak herhaald is geworden. De aard van de handeling verzet zich daartegen. Je kunt zo'n uitgesproken tekendaad maar één keer doen, herhaling ervan zou de sprake ervan teniet doen. Er is dus maar één tempelreiniging geweest, kan de meest waarschijnlijke conclusie zijn. Een nieuwere wijze van Bijbel lezen laat zulke overwegingen toe.
Toch maar twee
Maar om nu naar analogie hiervan te zeggen (zoals dus wel eens gedaan is): er is maar één wonderbare visvangst geweest die dan in de evangelies op verschillende plaatsen wordt verteld - nee, dat durf ik toch niet aan, dat gaat mij te ver. Wat mij daarbij remt is het feit dat, zoals ik al zei, de ene visvangst vóór en de andere visvangst na de opstanding van de Here Jezus heeft plaats gevonden. De opstanding is een te grote caesuur (scheiding) geweest dan dat Johannes in die zin met dat wonder heeft kunnen schuiven. We zullen van twee visvangsten uit moeten gaan en de overeenkomsten tussen beide verhalen anders moeten verklaren.
Herkenning
We letten daarbij op vers 7 van ons hoofdstuk waar we lezen: 'Die discipel dan die Jezus liefhad (Johannes zelf is bedoeld) zei tot Petrus: het is de Here'. Dat is een woord van herkenning, het was aan het wonder van de visvangst dat de jongeren de Meester herkenden. Aan het begin staat dat de discipelen niet wisten dat het Jezus was die aan de oever van het meer stond (vers 4). Vreemd, zegt u misschien, de Heiland was toch al twee keer aan hen verschenen? Wij moeten dat niet vreemd vinden. De Emmaüsgangers herkenden Jezus ook niet en Maria hield Hem voor de hovenier.
Dat hangt samen met het feit dat het de Opgestane is die hier aan stervelingen verschijnt. Vanuit die andere wereld waarvoor wij geen zintuigen hebben. Aan het eind lees je: 'Niemand van de discipelen durfde Hem de vraag stellen: wie zijt Gij?
Want zij wisten dat het de Here was' (vers 12).
Het is de Here!
Zij wisten dus eerst niet en ze wisten later wel. Hoe? Door navraag? Nee, tussen niet-weten en weten staat dat woord van herkenning van de discipel Johannes: 'Het is de Here'. Wat betekent dit? Nu, inderdaad, dat het precies het wonder van de visvangst was waaraan men Jezus herkende.
De gemeente is toch iets meer dan een school vissen Zoals Maria de Heiland herkende aan de manier waarop Hij haar naam uitsprak en de Emmaüsgangers Jezus herkenden aan de wijze waarop Hij het brood brak, zo hier. Een kenmerkend woord, een kenmerkende daad, een kenmerkend optreden, daarmee maakte de Heiland zichzelf na zijn opstanding bekend.
Herhaling
En hier kiest de Here er dus het wonder van de visvangst voor. Door dat wonder te herhalen speelde Hij voor zijn discipelen om zo te zeggen de herkenningsmelodie die Johannes het eerst thuisbracht en waarop Petrus reageerde met die prachtige, spontane geste door pardoes in het water te springen om bij Jezus te komen. Jezus herhaalt dit wonder om zo te laten zien: Ik ben als de Opgestane dezelfde als toen ik bij de rondwandeling mijn macht ten toon heb gespreid in de vangst van een schip vol vissen. Ik zei er toen bij (weet je nog wel?): Ik zal jullie tot vissers van mensen maken. Nu is het bijna zover dat Ik jullie ga uitzenden om het net in de mensenwereld uit te werpen. Ik wil jullie bemoedigen met jullie nu nog eens te laten zien dat Ik daar nog steeds achter sta. Dat Ik uit de dood verrezen ben om jullie als mensenvissers de wereld in te sturen. En weet: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding der wereld!
En aanvulling
Maar waarom herhaalt Jezus dan dat sleutelwoord zelf niet? 'Ik zal jullie tot vissers van mensen maken'? In plaats daarvan doet de Heiland iets anders. Herhaling is bij hem niet enkel maar herhaling, al herhalend voegt hij iets toe. Daarvoor moet u verder lezen, voorbij de passage over de visvangst: 'Toen zij dan de maaltijd gehouden hadden zei Jezus tot Simon Petrus…', waarop dan (u weet wel) het pastorale gesprek volgt dat de Here Jezus met Petrus gevoerd heeft over zijn liefhebben van de Meester, na zijn verloochening. Dus: bij Lucas loopt de wonderbare visvangst uit op de zending: mensen vissen, bij Johannes op het pastoraat: dwalende mensen terecht brengen, hoed mijn schapen! weid mijn lammeren! Dat moet u als een aanvulling zien, niet als een kritiek op zending, maar als een toegevoegde waarde.
Stuk voor stuk
Zending en pastoraat staan vaak met elkaar op gespannen voet. Wie in de zending bezig is met het winnen van zielen vergeet wel eens dat de mensen die naar het licht getrokken worden behoefte kunnen hebben aan nazorg. Want wie gaat geloven kan zomaar als gelovige onderuit gaan.
Dat kan de beste overkomen, zoals je aan Petrus en zijn verloochening kunt zien. Mensen die op die manier dreigen te verdrinken moeten op het droge worden geholpen. Daar is de wonderbare visvangst óók een goed beeld voor. Visvangst in het koninkrijk der hemelen is niet alleen zorgen dat er nieuwe vissen bij komen, maar ook dat de vissen die er al zijn niet verloren gaan maar persoonlijke aandacht krijgen. Stuk voor stuk, één voor één worden ze hier geteld: honderddrieënvijftig.
Niet symbolisch
Er is heel wat afgefantaseerd over dat getal. Honderddrieënvijftig, wat mocht dat wel niet betekenen?! Geen wonder, dat vragen, want het vierde evangelie heeft wel iets met symboliek, met iets van een waarheid achter de waarheid. Denk bijvoorbeeld maar aan het spelen met de naam Thomas.
'Thomas, genaamd Didymus' (vers 2; zie ook Joh. 11 : 16 en 20 : 24), wat op z'n Hebreeuws en op z'n Grieks 'tweeling' betekent en waarin de evangelist iets van de twijfelmoedigheid van deze discipel heeft (mee)gehoord. En hoe dubbel is het niet als we bij het weggaan van Judas vóór zijn verraad lezen: 'En het was nacht' (Joh. 13 : 30)? Zou zo het getal honderddrieënvijftig misschien een symbolisch getal kunnen zijn, zo bekend uit de Openbaring van Johannes die daar vol van staat? Maar hoe dan, want het is zo'n raar getal, niet eens deelbaar door zeven! Of is de boodschap in dit geval toch heel gewoon dat de vissen hier afzonderlijk geteld worden als een aanduiding van de persoonlijke aandacht die de Meester voor elk van de gevangen discipel-vissen aan de dag legt? Wat dan ook weer een heenwijzing zou zijn naar het pastoraat. Dat de gemeente toch nog iets meer is dan een school vissen en dat elk van de leden iets eigens heeft waar aandacht voor gevraagd wordt en die bij de Meester gelukkig ook aanwezig is.
Petrus zou dan één van die honderddrieënvijftig zijn.
Nieuwere en benstaande kerken
Ik denk wel eens dat de nieuwere kerken in onze tijd sterk zijn in zending en evangelisatie en dat de bestaande kerken beter zijn in het pastoraat.
Een dame uit een evangelische gemeente zei mij een keer dat ze zich verwaarloosd voelde omdat iedereen om haar heen druk in de weer was met ledenwerving.
Ze ging om zo te zeggen volledig op in de vissen waarmee ze in hetzelfde net zat. En het is van de andere kant ook wel bekend genoeg dat de bestaande kerken niet zo gemakkelijk in beweging te krijgen zijn om erop uit te trekken en mensen tot Christus en zijn gemeente te trekken. Zijn ze wel vissers van mensen? Er zijn met andere woorden kerken die helemaal passen in het beeld van Lucas 5. En andere kerken die meer door het pastoraat van Johannes 21 gekenmerkt zijn. Zending en pastoraat, voor beide hebben wij de heilandsmacht en de opstandingskracht van de Here Jezus nodig. Het is dus ook hier weer zo dat we elkaar niet kunnen missen, de evangelischen de bestaande kerken niet en de bestaande kerken de evangelischen niet. Lucas 5 en Johannes 21 staan in de ene Bijbel, zo behoren zending en pastoraat de ene kerk van Christus te sieren.
Drs. Henk de Jong is emerituspredikant van de NGK van Zeist en voormalig studiebegeleider van de TSB.