Leegloop van de kerken (3)
1982-11-05
De vorige week wees ik op feministen, die volgens eigen zeggen met de deurknop van .de kerk in de hand stonden. Een paar maanden geleden gaf "Trouw" een verslag van een vrouwenbijeenkomst in "Kerk en Wereld" in Driebergen, onder de opvallende titel "Vrouwen staan op het kerkplein", Vier dagen lang bespraken vrouwen daar haar kerkelijke frustraties. Ze hadden altijd het gevoel, dat ze wat, Bijbel en kerk betreft “in het stuk niet voorkwamen", omdat het in beiden zo mannelijk-seksistisch toegaat. Maar daar in Driebergen bij elkaar "ervoeren ze een stukje God". Er waren ook vrouwen bij, die de kerk de rug al hadden toegekeerd, maar nog wel "op het kerkplein stonden".- Jaargang 26
- nummer 41
In de kerk voelen ze zich niet meer thuis, maar helemaal er vandaan lopen konden ze toch ook nog niet; hier in "Kerk en Wereld" bij elkaar voelden ze zich nog op het kerkplein.
Ik denk, dat het goed zou zijn, als in "Opbouw" hierover eens geschreven werd. Ds Van den Berg gaf er al een goede aanzet voor. Maar zou het niet goed zijn om een vrouw uit ons midden hierover te horen? Wordt het gevoelen, dat onder feministen naar voren komt, ook onder onze vrouwen herkend en gedeeld? Hoe lezen vrouwen de Bijbel? En hoe beleven ze de door "mannenbroeders" georganiseerde en geleide kerkdiensten? En kennen en onderkennen zij (wij) de gevaren van de feministische theologie? Staan ook bij ons vrouwen met de deurknop van de kerk in de hand, of zelfs al op het kerkplein?
Maar er is nóg een categorie kerkmensen, die tussen kerk en wereld dreigt zoek te raken, en dat zijn onze homoseksuele broeders en zusters, jongens en meisjes, mannen en vrouwen.
In een hervormd weekblad werd onlangs wat sceptisch geschreven, dat synodes zich nu wel druk maken over homoseksuele kerkleden, maar dat intussen al velen van hen de kerk allang hebben, verlaten, terwijl kerkelijke vergaderingen nog zitten te dubben over hun kerkelijke positie. M.a.w. te laat. Het gros van de mensen, die men wil behouden voor de kerk, hebben het allang voor gezien gehouden. Het valt moeilijk tegen te spreken, dat de kerk met haar aandacht voor deze categorie mensen in haar midden rijkelijk laat is. Maar dat hetlaat zou zijn is natuurlijk niet waar. Want zou van hen niet gelden, wat Jezus een keer over een andere categorie kerkleden gezegd heeft: "Gij hebt hen altijd bij u..."? Elke nieuwe generatie zal immers homoseksuelen "bij zich hebben".
We mogen ons gelukkig prijzen, dat sinds enige jaren ook binnen onze kerken aandacht aan deze zaak wordt gegeven, nadat andere kerken (o.a, ook de vrijgemaakte kerken) ons daarin al waren voorgegaan. Het voordeel daarvan is, dat we nogal wat "bakens in zee" vóór ons hebben!
Uiterts behoedzaam en zorgvuldig zullen' we elkaar hier tegemoet moeten treden. Het zal niet gemakkelijk zijn het juiste begrip voor de vragen en noden van de ander op te brengen. Toe te juichen is het recente initiatief voor een bijeenkomst van ambtsdragers met homoseksuele kerkleden. Het heeft immers geen zin om langer verstoppertje te spelen met onontwijkbare problemen.
We kunnen en mogen niet langer doen, alsof wij een kerk. zouden zijn zonder homoseksuelen, Als we niet bij tijd de middelen aangrijpen en de wegen bewandelen om samen met onze homoseksuele broeders en zusters te zoeken naar de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat" , zullen velen van hen, als God het niet verhoedt, de rug toekeren aan een kerk, die geen open oog en open oor en open hart blijkt te hebben voor hun noden en problemen.
Is de kerk nog "ons aller Moeder", wanneer ze bepaalde kinderen -toch ook haar kinderen, want Gods kinderen! - van zich vervreemdt?
Een heel andere oorzaak van de leegloop van kerken is gelegen in het toenemend verschijnsel van “huisgemeenten" en "basisgroepen", die we overigens slechts in bepaald opzicht in één adem mogen noemen. Enige jaren geleden heeft de bekende ds H. J. Hegger een krachtig pleidooi gehouden voor het nieuwtestamentisch recht van huisgemeenten.
Kleine samenkomsten van gelovigen, zoals we ook tegenkomen in de apostolische tijd.
In dergelijke samenkomsten wordt Gods Woord verklaard en besproken, en wordt aan de Tafel des Heren Zijn dood herdacht. In zo'n kleine groep kent men elkaar en kan de gemeenschap der heiligen dan ook werkelijk geoefend en beleefd worden. In de grote stads- en dorpskerken is dat vrijwel onmogelijk geworden. Binnen zo'n grote kerk val je gauwer tussen wal en schip dan daar buiten, als je opgevangen wordt in een huisgemeente. De huisgemeente dient dus als remedie tegen de vervreemding en vereenzaming in de grote kerken. Het is natuurlijk niet toevallig, dat de idee (ideaal) van de huisgemeente opkomt in een tijd, dat de "grote kerken" hoe langer hoe meer afwijken van de leer van de Heilige Schrift. Naar mate zij meer prijs geven van het gezag van de Bijbel, verliezen zij zelf het vertrouwen bij vele verontruste gemeenteleden. Huisgemeenten worden dan ook waarschijnlijk meer uit de nood, dan uit een bepaald bijbels principe geboren. We kennen het verschijnsel van "conventikels" of "gezelschappen" in soortgelijke tijden van de kerkgeschiedenis als we nu beleven. In 1833 schreef Baron van Zuylen van Nijevelt, de geestelijke vader van De Cock, een brief aan de Koning over deze Conventikels, We lezen daar iets over de achtergrond van die gezelschappen, die ook nu de achtergrond is van vele huisgemeenten.
"De inwoners ten platte lande en niet minder in sommige steden van ons Rijk, leven op de meeste plaatsen in onmin en in kleine oorlog met hun leraars, naardien zij zich met de dwaalleer, die men hen opdringen wil, niet verenigen kunnen en blijven alzo veelal weg uit de openbare godsdienstoefeningen. (Om hun godsdienstige behoeften toch te bevredigen) komen ze samen om zich in het ware geloof te versterken en in het Woord van God zich te stichten.
Naarmate de leraren nu stouter worden om valse leringen op de kansel te brengen, nemen deze bijeenkomsten natuurlijk in getale toe".
Van de Afscheiding (1843) is de helft niet te begrijpen, als we niet verstaan, dat in haar het verzet, dat in de gezelschappen tegen de valse leer groeide, naar buiten is gebroken, - schrijft H. Algra in zijn "Het wonder van de 19e eeuw", waaraan ik een en ander ontleen. We herkennen er veel van in de huidige "noodgemeenten" en "huisgemeenten". Als de kerk stenen voor brood geeft komen hongerige en dorstige gelovigen bijeen in hun huizen om elkaar door te geven en van elkaar te ontvangen het brood des levens en het water des levens.
Onlangs werd in Maarssebroek een dag van ontmoeting en bezinning gehouden voor ruim 70 huisgemeenten, die willen functioneren naar Nieuwtestamentische richtlijnen.
Verschillende van deze huisgemeenten zijn ontstaan uit bijbelstudiegroepen, terwijl ook afdelingen van "De Vergadering der gelovigen" (Darbisten) zich bij deze huisgemeenten rekenen. Deze huisgemeenten ontstaan meestal uit een stuk onvrede en onbehagen over de situatie van de kerken ter plaatse. In deze gemeenten wordt veel plaats ingeruimd voor persoonlijk belijden en getuigen, voor bijbelstudie en evangelisatie, Van maatschappelijke stellingname en politieke keuze is niet zozeer sprake. Daarvoor moeten we meer zijn bij de z.g. basisgroepen.
Een groot aantal "basisgroepen" en "kritische gemeenten" is in ons land verenigd in de Raad van de Basisbeweging. De basisbeweging geldt als verzamelnaam voor christenen "die iets te goed zowel de bijbel als de krant hebben gelezen om zich nog verder te laten inpakken door een wereldvreemd en vrijblijvend kerkgebeuren", aldus Fred Keesen, contactpersoon van deze beweging. "Eén ding weten we zeker: kerk-zijn begint bij mensen: nooit andersom. Veel mensen zien het in de huidige kerkstructuren niet meer zitten. We worden niet meer opgevoed tot gemeenschap, alles is zo economisch bepaald in onze tijd. Nodig is een nieuwe cultuur van Broederlijkheid.
Vaar die gemeenschap wèl ervaren wordt, daar is God. Daar kunnen we bij elkaar uithuilen en opnieuw beginnen. Aldus Keesen. Waarom de naam: basisgroep en basisbeweging? Omdat alles weer van de grond af opgezet moet worden; niet van boven af, maar van onder op. De basis is het vertrekpunt van een nieuwe manier van handelen en denken, omdat alleen het draagvlak van het veranderingsproces zo breed mogelijk kan zijn en niet de wil van één of van enkelen.
Kenmerkend voor de basisgroepen is dat het vrij kleine groepen van gelovigen zijn, die elkaar goed kennen en inspireren voor hun taak in de samenleving, voor armen en verdrukten, dichtbij en ver weg. Protestanten en rooms-katholieken vinden elkaar in deze beweging. Sommige groepen zijn meer op de liturgie gericht, anderen meer op de samenleving. De kracht van de beweging ligt in haar kritische gerichtheid. Het verschil met de "huisgemeenten" is wel duidelijk! De kritiek is anders gericht.