Mijne moedertaal

1982-11-05
  • Jaargang 26
  • nummer 41
Ja, mijne moedertaal is vrouwelijk. Een verouderd Nederlands lied begon met "Mijne moedertaal" en eindigde met "mijne moedertaal is de scho-ho-ho-hoonste taal!" Dat klinkt vandaag wat overdreven, akkoord. Maar voor u en ons blijft de moedertaal toch de schoonste taal ter wereld .Voor wie dagelijks op een vreemde taal is aangewezen is de eigen sprake van wondere beleving. Een kapitaal bezit. Daar is hij zuinig op.

In onze schooljaren vertelde een leraar, dat een beroemd Engels natuurkundige de Nederlandse taal was gaan leren, omdat hij merkte dat fysici als Kamerlingh Onnes zulke belangrijke dingen in deze taal schreven.
Dat ging toen over zaken als de zeer lage temperaturen, het absolute nulpunt en zo. Maar vandaag meldt onze krant dat dr Alan Watson, hoogleraar in de forensische geneeskunde te Glasgow , tevens houder van een half dozijn andere kwalificaties, geslaagd is voor een acte Nederlands. En waarom deed hij dat? Omdat hij in contact met Nederlandse en Belgische collega's zijn achterstand opmerkte: zij spraken wel Engels, maar hij kon hun onderlinge conversatie niet volgen. En die was blijkbaar belangrijk genoeg om als 53-jarige nog een acte te halen.

Nu is elke taal een levend ding, zoals een van onze vrienden pleegt te zeggen. En levend wil blijkbaar zeggen: elementen opnemend en elementen afstotend.

Emigranten en daarmee gelijkgestelden lezen met een beklemd hart nieuwe uitdrukkingen, merken bezorgd dat oudere, vaak heldere termen niet meer verstaan worden. Dat goede woorden, van zuivere historische afkomst, misbruikt worden. Dat kranten soms termen 'gebruiken, die zinloos schijnen en dat het eenmaal zo genoemde Algemeen Beschaafd Nederlands bezig is aan waarde in te boeten.

Wij herinneren ons een uit Indië overgekomen jongeman, wiens familie sedert jaren ginds had gewoond; waardoor de jongeman een verouderd Nederlands sprak. Zijn ouders hadden taalkundig stilgestaan. Ook van Canadese en Amerikaanse emigranten kunt u merken dat hun taal (en vaak hun ideeën) zijn blijven staan op het jaartal van hun emigratie. Voor hen is elke confrontatie met de levende taal pijnlijk. Maar de taal verandert, dat houdt geen moederlief tegen.

Wat is nu de aard van die veranderingen in een levende taal? Want daar gaat het om. Zijn die veranderingen vooruitgang of achteruitgang? Die veranderingen kunnen ontwikkelingen zijn. Nieuwe woorden ontstaan of worden ingevoerd door nieuwe wetenschappen, uitvindingen; dus door de noodzaak van taaluitbreiding, Daarvoor kunnen we alleen belangstellend en dankbaar zijn. En zorgen bij te blijven. .

Die veranderingen in de taal kunnen ook decadentie, taalbederf betekenen. En dan moeten we wel op onze hoede zijn: ons erfgoed samen beschermen! Want aantasting van de taal, ons communicatiemiddel, betekent aantasting van onze communicatie; groeiend onbegrip, doorgaande vereenzaming. Niet voor niets is ons het voorbeeld van de Babylonische spraakverwarring aangereikt. Wanneer termen ontstaan, die slechts stopwoorden of stripkreten betekenen, zijn we gevaarlijk op weg inhoudloze nonsens te spuien, die een onzuiver beeld van onze bedoelingen doorgeeft, soms die bedoefingen zelfs verduistert.

Tegen deze decadentie, deze taalverbastering, moeten we ons wapenen door onze taal te kennen en zuiver te gebruiken. Onze taal is het waard, beschermd te worden tegen doorgaande vernieling. Onze gedachten zijn het waard, zuiver over te komen. Of bent u soms al een smurf? Gompie!

Een van de eerste verbasteringen, niet de gevaarlijkste overigens, is de invoer van buitenlandse woorden. Die is in een kiein land, dat zo zeer van zijn grote buren afhankelijk is, onvermijdelijk. Uit de Franse tijd hebben we het volks-Frans overgehouden, dat nog leeft in woorden als ponteneur, amicaal, amesuur en prinsemarij. Omstreeks de eerste wereldoorlog kregen we Duitse termen, waarvan we uberhaupt, eenduidig, daadzaak en reine nonsens hebben overgehouden. Na de 2e wereldoorlog kwam het Engels (wel eens de taal van liefde en van religie genoemd) in ons woordgebruik doordringen. Woorden als sorry, planning, computer, interviewen vele andere zijn zo ingeburgerd, dat ze voor eigen taal worden versleten. (Versleten niet in de zin van opgebruikt maar van: verkocht.)

Erger is het in onbruik raken van goede, zelfs nobele woorden. Door de starenvertaling van de bijbel is eeuwen lang het beschaafd Nederlands gestandaardiseerd.
Klassieke schrijvers als Vondel, Hooft, Staring e.a. hebben er het hunne aan toegevoegd. Maar met de nieuwe vertalingen - vooral door het contactverlies met de Bijbel - is de algemene kennis van onze taal sterk achteruit gegaan. Daar komt bij dat het onderwijs in onze moedertaal enorm aan waarde heeft ingeboet - ook al omdat zelfs onderwijzers en leraren soms onvoldoende bekend zijn met deze taal.

Als gevolg hiervan zien we journalisten schrijven en politici spreken: die overal ter wereld de weg weten te vinden, maar hun eigen taal onvoldoende beheersen. Een voormalig staatssecretaris gebruikte onlangs in een gesprek het woord "beschadigen" van haar partij - waar ze kennelijk het woord schade doen bedoelde. In "Trouw" schreef iemand over een "onklinkend" orgel. In ons eigen goede blad werd onlangs het werkwoord verschalen veranderd in verschralen. Is "verschalen" een onbekend woord geworden, sedert we de wijn jonger zijn gaan gebruiken?

Behalve de buitenlandse import vinden we in onze taal ook bijdragen van handel en wetenschap, techniek en economie. Ieder kent woorden als computer, penicilline, curare, bypass, braintrust; woorden, waarvoor nog geen Nederlands "equivalent" is gevonden. Woorden als cadeau en bureau worden langzamerhand als kado en buro geschreven. Ook woorden, uit beginletters gevormd, worden dankbaar aanvaard: Nato, Ufo, Amro, Unicef en vele andere. Bedenkelijk is de overheidstaal, die voor gemene burgers onverstaanbaar is geworden - misschien ook ~l bedoeld om boven gewone hoofden te blijven zweven. Voorbeelden zijn toch niet nodig?
Bekijk de toelichting op uw belastingaangifteformulier maar. Een overheidspoging om deze taal te vereenvoudigen liep uit op de slotzin: "en men vermijde de aanvoegende wijs". Blijkbaar wisten opstellers, adviserende, oordelende en beslissende personen, noch hun typisten noch hun drukkers, wat met de aanvoegende wijs wordt bedoeld.

En dan hebben we modewoorden, soms in gebruik gekomen nadat opvallende personen ze in hun favoriete woordenschat opnamen. Die zijn allerminst onschadelijk. Denk eens aan het stopwoord oké - waarvan tot nu toe niemand kan verklaren wat het betekent Of inspreken (zowel op een geluidsband vastleggen als in een gezelschap meepraten -en dit tegenover de betekenis van moed inspreken; inleveren (waarbij niemand iets inlevert, wel minder ontvangt); ophoesten (niet van een fluim maar van geld - hoewel het beeld even onfris blijft); de kosten van een zaak "inschatten": een mogelijkheid "niet zien zitten"; een kwalijke zaak (waar een kwade zaak is bedoeld en het bijwoord kwalijk slechts kwalijk wordt gekend); een terechte opmerking die terecht is gemaakt doch onjuist omschreven): en vandaag stuiten we op het modewoord zeperd, dat geen zeepaard maar een muilpeer of oorvijg schijnt te betekenen, naar de omgeving uitwijst. Wie kent de oorsprong? Van Dale niet.

Het duidelijkst wordt ons taalbederf gezien wanneer woorden aan de orde van de dag zijn, die in vorige generaties als onfatsoenlijk verzwegen werden, soms nauwelijks gekend. NRC-Hbl sprak in politici onlangs van "kotsmisselijk". Een vorig minister-president sprak van een "keutel intrekken", waarmee hij het terugnemen van een te ver gaand voorstel bedoelde.
Een bekend artist noemde ons onlangs "een bofkont". Aan de algemeen bekende, maar niet algemeen verfoeide schuttingtaal komen we niet toe. Daar stond trouwens in onze jeugd een gezond pak slaag op.

Uiteindelijk - beter gezegd tenslotte. Toen de profeet Nehemia, in opdracht van koning Artasasta die hij als hoveling diende, na de ballingschap Jeruzalem trachte te herbouwen, trof hij daar restanten van Gods bondsvolk aan. Hun kinderen konden geen zuiver Joods spreken, maar brabbelden half-Asdoditisch ieder naar de taal van zijn heidense moeder, gekruist met die der vaderen. Het Hebreeuws-Aramees van de Schriften was verdorven door Filistijns en andere vreemde talen.

Nehemia heeft deze Joden handtastelijk gewezen op de verderfelijke gang van zaken. Hij heeft op gezichten geslagen, aan baarden gerukt, haren uitgetrokken, de mensen vervloekt - allemaal zaken, die wij niet meer kennen. Maar ze begrepen hem. De heidense, verbasterde taal bracht heidense invloeden mee en afgoderij. Het gebrek aan kennis van de taal der Schriften vergemakkelijkte het afglijden. Vandaag nog zo. Het voorbeeld van Salomo, die door zijn heidense vrouwen tot afgoderij is vervallen, werd door Nehemia afschrikwekkend opgehangen.

Zit daar wat voor ons in? Wanneer wij de taal van de Bijbel, eenmaal klassiek Nederlands, loslaten, omdat wij die niet meer kennen - staan wij open voor vreemde, oncontroleerbare invloeden. Met ons toenemend begrip voor vreemde volkeren, onze groeiende kennis van vreemde culturen, moeten we oppassen dat we niet vervreemden van de eigen cultuur: het taaleigen, dat de historie ons door Gods goedheid aanreikte.

Laten we nooit vergeten dat de waarde van een mensentaal, de waarde van het gesproken woord, voor God goed genoeg is geweest om Zijn Zoon het vleesgeworden Woord te noemen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief