Een abc van het N.T.
1982-11-05
Als we in een christelijk gezin zijn opgevoed, zijn we van jongs af gewend om te bidden. Dat kan sleur worden en bij sommigen mag het die naam bidden niet hebben. Ik hoorde eens van een man, dat hij wel z'n handen vouwde en de ogen sloot. Maar dat hij daarbij niets zei en ook niet dacht. Zelf wist hij niet waar het goed voor was, maar kwaad kon het toch ook niet!- Jaargang 26
- nummer 41
Dat was hij nu eenmaal gewend. Bidden is als het echt bidden is: spreken tot God. Voor ongelovigen een wonderlijke zaak. Wonderlijk is het inderdaad. Maar niet wonderlijker dan dat God tot ons spreekt en dat wij dat horen. Hij spreekt tot ons in de Schrift en door de prediking. Voor beide, horen van Gods woord en spreken tot God is één ding nodig: geloof. Waardoor wij de enige, ware God recht kennen.
Dán alleen kennen we ook onze nood. Dan spreken we de Schepper en Herschepper als Onze Vader aan. Dat doen we dan op gezag van Jezus Christus, die zijn discipelen en ons, die door hun woord in Hem geloven, zo geleerd heeft. Bidden is een algemeen menselijk verschijnsel.
Heidenen, Mohammedanen en vrijwel alle primitieve volken doen het. Alleen moderne Heidenen niet meer. Is dat nu hetzelfde of men Onze Vader aanroept, dan of men Allah en allerlei heidense goden aanspreekt? Er zijn christenen, die dat menen en propageren. Ik ben die overtuiging niet toegedaan. Ook denk ik niet dat het deugt als een voorganger alleen de aanspraak durft gebruiken van: Almachtige God of Here God of iets dergelijks. Dat mág zeker wel, maar niet als men die Schepper niet Vader durft noemen. Het is mij meermalen gebleken, dat ouders zelf die Naam niet durfden uitspreken en hun kinderen zo ook niet leerden. En zij verdedigden zich met te zeggen, dat men dan toch moet weten een kind van God te zijn? Nu, dat wisten zij niet. En dus durfden zij ook niet zeggen: Onze Vader.
Ik denk dat men dan aan de verkeerde kant begint. We moeten niet beginnen met ons kindschap, maar met Gods Vaderschap. Geloof ik in de Here Jezus? En in wat Hij beloofd en bevolen heeft? Dan geloof ik ook in God de Vader en dan spreek ik Hem zo aan. En dan getuigt Gods Geest met mijn geest, dat ik een kind Gods ben. Dat zal sommigen (of velen) vreemd in de oren klinken. Want van die tekst (Rom. 8 : 16) is een andere opvatting vrij algemeen.
Vaak heeft iemand tot mij gezegd: Dat getuigenis van de H. Geest ken ik niet. Hij sprak nooit in mijn geest of tot mijn geest, dat ik een kind van God ben. En dat moet toch gebeuren, eer ik overtuigd kan zijn van mijn kindschap. Dan antwoordde ik ongeveer als volgt: Er staat niet, dat Gods Geest tot aan onze geest getuigt, dat wij Gods kinderen zijn. Maar er staat: mét onze geest. Wanneer getuigt onze geest, dat God onze Vader en wij dus Zijn kinderen zijn? Als wij Hem gelovig aanspreken als onze hemelse Vader. Als men dat wat vreemd vond, dan ging ik zo verder: Hebt u wel eens "De hut van Oom Tom" gelezen? Daarin komt dit verhaal voor: De heer van oom Tom, de plantagehouder, leidde een vriend de bezittingen rond. Dan troffen ze slaven, die bezig waren met hun werk. Zij bleven op een afstand en groetten hun heer met "Massa", wat in de negertaal "heer" betekent. Daarmee getuigden zij dat hij niet hun vader was. Maar toen ze bij de villa van de eigenaar kwamen, sprongen een paar jongens en meisjes hem tegemoet en riepen: Váder! Toen wist de vriend dat zij kinderen en geen slaven waren.
Welnu als wij gelovig het Onze Vader bidden, dan getuigt onze geest, dat wij kinderen van Hem zijn. Anders zeiden we toch niet: Váder? En met onze geest getuigt dan de H. Geest, dat we dat zijn. Want de H. Geest dringt ons door het Evangelie tot dat getuigenis. Dat is geen zaak van een soort inspraak of toespraak tót onze Geest, maar een getuigen mét onze geest.
Het is veel "gewoner" dan zo een buitengewone in-of toespraak, die men er van heeft gemaakt Het spreekt voor mij vanzelf, dat wie zo bidt in kinderlijk geloof, dan ook zo leeft. Bid en werk moet met elkaar kloppen. En komt ook met elkaar overeen' als we écht, dat is menens geloven. Dan schikken we heel ons leven zo, dat Gods naam of liever nog de naam van onze Vader om ons niet wordt onteerd. Daar jagen we dan naar. Dat gaat niet zonder struikelen, soms vallen. Maar dat belijden we dan met naam en toenaam, niet maar in het algemeen, maar met het noemen van de zaak, waarin we dan faalden. Tot zulk bidden behoort eenvoudigheid, ongekunsteldheid, kinderlijkheid. Er was eens een ouderling, die. naar men zei zó kon bidden, dat de bewoners van een aangrenzende kamer het oor aan de wand hielden, om dat te horen.
Nu was die broeder een woordkunstenaar. Hij was geen kunstenmaker, het was bij hem echt.
Als het bidden een show wordt, dan is het mis. Zo baden Farizeeën. Om in het oog te vallen.
Ze bezigden veel woorden. Daartegen waarschuwt de Heiland. Als het kan mogen we kort zijn. We hoeven onze Vader niet breedvoerig inlichten over wat ons deert.
Het is m.i. goed het Onze Vader elke dag een keer te bidden. Maar nooit anders, zoals sommigen doen, naar het schijnt? Dat is toch niet goed, denk ik. Er zijn algemene noden, die elke dag dezelfde zijn. Maar toch ook bijzondere? Een zonde waarin we vielen. Zorg om een kind. Niet alleen als het ziek is. Maar bijv .omdat het aan bijzondere verleiding bloot staat. Als iemand in zware, ernstige zonde is gevallen, zal hij of zij bidden in de trant van psalm 51, waarin David na diefstal van een vrouwen moord smeekt om vergeving van bloedschuld en of de HERE zijn Geest niet van hem wegneemt.
Maar dat hoeft ons dagelijks gebed toch niet te zijn? We mogen toch ook wel eens met bijv. psalm 26 bidden om recht in een bepaalde zaak, waarin we oprecht hebben gehandeld?
En we mogen toch ook weleens danken, als we voor een verleiding niet bezweken zijn? En zo mag en moet er veel verscheidenheid in ons bidden en danken zijn. Soms mag ons gebed kort en krachtig zijn. Ik las eens dat studenten het avondgebed van een vereerde of liever geëerde leraar wilden beluisteren. Dan zouden ze eens wat horen van die godzalige man! Ze zullen in die verwachting wel teleurgesteld zijn. Want ze hoorden deze woorden: "Hemelse Vader, het blijft dan maar bij onze afspraak. Tot morgenochtend". Hij zal bedoeld hebben: Gij waakt over mij, en in dat vertrouwen ga ik rustig slapen! Was dat niet goed?
Er staat ergens: Bidt zonder ophouden. Wil dat zeggen, dat we moeten proberen zo lang mogelijk met gesloten ogen en gevouwen handen te zitten? Monniken hebben, naar ik las, wel eens 16 uur op een dag gemediteerd en een groot deel daarvan gebeden en gedankt. Dat zal toch wel niemand van ons prijzen. Maar wel is de praktijk hier en daar om bij elk hapje of drankje en bij elke handeling van belang de handen te vouwen en formeel te bidden. Het is mijn praktijk niet. Ik acht het gevaar groot, dat het dan een vertoning wordt. En dat het sleur wordt. Zonder ophouden bidden betekent m.i. méér bidden "met de pet op, dan met de pet af", zoals een uitdrukking luidt. Zomaar onder ons werk. Als we een moeilijk bezoek moeten brengen, zal het door ons heengaan: HERE, doe het mij gelukken. Of bij een verleiding, die we niet kunnen of mogen ontgaan: o God, houd mij staande. We zullen om zo te zeggen leven onder een geopende hemel. Een vod daarvan vinden we bij Nehemia. Hij was schenker van de keizer Arthahsata, Die zei tot hem: wat is uw verzoek? Nehemia wilde vragen om verlof naar Jeruzalem te gaan. En dan staat er in Neh. 2: "Toen bad ik tot de God des hemels". Hij zal geen gebedshouding aangenomen hebben. Maar het woordeloos gebed tot God in zijn hart was: Neig het hart van de keizer, dat hij mij laat gaan. Het was een zgn. schietgebed. "Met de pet op". Zoals we dat allen wel kennen, naar ik hoop.
God verhoort al onze gebeden, wordt er gezegd. Dat Hij alle gebeden hoort, geloof ik, maar zijn er geen onverhoorde gebeden? Ik meen van wel. Ik las wel meermalen, dat er geen onverhoorde gebeden zijn. Dat wordt dan zo beredeneerd: we krijgen wel niet altijd wat wij begeren, maar God geeft ons dan nog wat beters! Ik kan die redenering niet volgen. We kennen het gebed van David? Er staat van hem in 2 Sam. 11, dat hij vastte en bad om het leven van het kind van Bathseba en hem.
Waarvan de Here had gezegd, dat het zou sterven. Toch smeekte David om z'n leven. Dat was een gebed van "wie weet". Hij dacht, dat de Here misschien het kind toch zou laten leven. Kunnen we dat een verhoord gebed noemen? Een ander voorbeeld is een gebed van Paulus. Hij had een doom in het vlees, waarvan we niet zeker weten wat dat was. In elk geval iets waarvan Paulus last had. Hij bad meermalen, dat God het zou wegnemen. Maar hij vernam van de HERE, dat die doom zou blijven, maar dat Paulus aan Zijn genade genoeg had. Was dat een verhoord gebed? Ik noem het zo niet.
Maar is onze Vader dan geen hoorder en verhoorder der gebeden? Jawel, van gebeden die vragen om wat Hij beloofd heeft. Zo kunnen we lezen dat bij Lukas (H. 11) en bij Mattheus (H. 7). Als een vriend er bij nacht op uitgaat om wat hij nodig heeft, dan krijgt hij het. Als een kind vader vraagt om brood enz., dan geeft die het. Onze hemelse Vader zou het dan niet doen? Zeker wel. Maar wat heeft Hij beloofd? Zijn Geest met alle Geestelijke gaven. Wie daarom bidt, mag een krachtig "Amen" zeggen. We ontvangen het gevraagde. Maar er zijn veel onverhoorde gebeden. In ieders leven denk ik.
Ten slotte nog dit. Bij bidden hoort werken. Wie bidt om verlossing van de boze, moet de boze mijden. Wie bidt: "Zet Heer een wacht voor mijne lippen", moet zelf de deuren van z'n mond behoeden. God stuurt geen engel om een slot op de mond te doen. We zullen het zelf moeten doen. Anders gaan we door met roddelen of ijdele praterij. Gods gaven zijn vóór óns opgaven. Dat moeten we maar niet vergeten.