De betekenis van Gods Verbond
1982-11-05
Over dit onderwerp schreef ds J. H. Velema te Nunspeet o.a. het volgende in "De Wekker":- Jaargang 26
- nummer 41
In het verbond der genade belooft de Here alle goeds voor tijd en eeuwigheid aan de bondeling. In het doopsformulier wordt de drievoudige belofte van de Drieënige God kort, maar krachtig uitgelegd.
Gods "benevolentia" Gods welwillendheid wordt ons betekend en verzegeld in het verbond. De Here God mag niet als een tyran worden voorgesteld Die lust zou hebben in onze dood, Die er behagen in zou hebben ons te torpederen, bij Wie de beschikking van het zalig worden ligt in grote willekeur zodat het een lotje uit de loterij zou zijn als we zalig zouden worden.
kl heeft niemand verdiend dat God naar hem hoort, Hij Zelf heeft Zich geopenbaard en ons laten weten dat Hij hoort naar ieder die Hem in waarheid aanroept. We hebben geen bijzondere openbaring nodig om zeker te zijn van het kindschap en de volharding - zoals de Remonstranten leerden, dat de gelovigen uit de volharding konden uitvallen - maar de Schrift leidt de zekerheid af uit de zeer standvastige beloften Gods. En wie beloften zegt, zegt verbond.
Maar de betekenis van het verbond ligt niet minder in het feit dat juist zo de verantwoordelijkheid van de mens wordt gehandhaafd. Bavinck schreef (2, 532): "Religie is vrijheid, is liefde, die zich niet dwingend, maar radend, vermanend, waarschuwend, nodigend, biddend optreedt, en waarin de mens God dient niet door dwang of geweld, maar gewillig, met eigen vrije toestemming, door liefde tot wederliefde bewogen." Daarom is schriftuurlijke prediking verbondsprediking, zonder dat dit woord om de andere zin behoeft te worden genoemd. De kerk is er op de basis van het verbond. En de prediking van de kerk op deze basis is de prediking van Gods verbond: de Here stelt Zich tot Zijn gemeente in een verbondsrelatie: die relatie mag en moet belicht worden en dit verbond, eenzijdig in zijn oorsprong, wil tweezijdig beleefd worden: de God van het Verbond dringt aan op inwilliging van het verbond.
We zijn erg dankbaar voor de wijze waarop ds J. H. Velerna de essentie van het verbond in bovengenoemd artikel heeft verwoord. Hert komt er nu wél op aan, datin zijn en onze kerkelijke kring dit alles ten volle wordt gehonoreerd. De prediking zal in beide kerkformaties van de rijkdom van het Verbond van Gods genade doortrokken dienen te zijn. Anders blijft het van beide kanten bij mooie woorden, die niet landen in de praktijk van de prediking en van het geloofsleven.
Piëtisme en intellectualisme hebben in dit opzicht al heel veel schade berokkend. AIs we de gevaren hebben gesignaleerd, zullen we ons vervolgens er ook tegen hebben te wapenen! De waarachtige schriftuurlijke Verbondsprediking heeft in het kader van de verwerkelijking van de gereformeerde oecumene ongetwijfeld een samenbindende funktie. Mede met het oog dáárop hebben wij aan dit citaat in deze rubriek graag een plaats gegeven!