De Hel
1982-11-12
Het is niet zo'n voor de hand liggend onderwerp waar ik in deze korte minuten van de middagpauzedienst mee kom. Maar, een tijdje geleden heb ik tot u gesproken over de duivel. En toen ik voor deze beurt gevraagd werd, dacht ik: wie a zegt, moet ook b zeggen.- Jaargang 26
- nummer 42
Als ik de vorige maal geconstateerd heb dat je vandaag in de meeste kerken weinig meer over de duivel hoort spreken, dan geldt dit immers in nog sterker mate van de hel: een onderwerp waar een reus van een taboe op ligt. "Hel en verdoemenis preken" is zo'n schrikbeeld dat je 't als dienaar van het evangelie wel uit je hoofd laat om zelfs die woorden maar te noemen.
Toch moet ik ten aanzien van de hel hetzelfde opmerken als wat ik ook al zei toen ik het over de duivel had, dat het er namelijk niet alleen maar aan de rand van de bijbel over gaat, zijdelings en terloops, maar dat het in tegendeel de Here Jezus zelf is, uit wiens hand de meeste woorden daarover gekomen zijn. Ik zou u passages uit het evangelie kunnen voorlezen, waarin de donkere woorden over de hel haast refreinachtig door het onderwijs van de Heiland heendaveren. Ach, u kent zijn zegswijzen misschien (nog) wel: "aldaar zal het geween zijn en de knersing der tanden", of: "waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust", of: "werpt hem uit in de buitenste duisternis".
Hier maak ik even halt om u iets te laten zien dat u mogelijk helpt. Als Jezus de hel tegelijk "het eeuwige vuur" en "de buitenste duisternis" noemt, is het duidelijk dat Hij beeldspraak gebruikt. Want beide voorstellingen, die van vuur en die van duisternis, druisen tegen elkaar in. En als dus Jezus' woorden over de hel beeldsprakig zijn, wil dat zeggen dat het ons niet mogelijk is, er over de hel precieze voorstellingen op na te houden. Het is dus, om aan het bestaan van een hel te geloven, niet nodig om, zoals bijvoorbeeld middeleeuwers dat deden, zich vast te leggen op allerlei beelden van rondspringende, gehoornde duivels die het vuur oppoken. De bijbel vergt zo'n rijk gestoffeerd hellegeloof niet; houdt veeleer zijn spreken erover sober en zegt zonder beeldspraak dat de hel de plaats is "ver weg van het aangezicht des Heren" (2 Thessalonicenzen 1 : 9), dat wil zeggen: HIJ is daar niet, en dat is het ergste.
Verwerpt dus het geloof aan het bestaan van een hel niet omdat u zich ergert aan de fantastische naïeve beelden waarin dat geloof niet zelden vervat is. De bijbel bindt u daaraan niet.
Maar dat nu verder daargelaten.
Ik wil er in dit korte moment inderdaad de grootste nadruk op leggen dat het Jezus Christus zelf is die het vaakst en het indringendst over de hel spreekt. Dat wil zeggen: Hij die ervan verlost, Hij heeft het erover. Hij die hem overwonnen heeft, Hij brengt hem ter sprake: "Jezus die ons redt van het komende toorn", zoals Paulus schrijft. Zoals het in geval van ziekte een geruststelling is wanneer over uw gevaarlijke kwaal gesproken wordt door een kundige arts, zo en nog veel en veel meer is het een troost dat over wat ons het meest bedreigt gesproken wordt door Hem die ons het meest heeft liefgehad; door Hem die zegt: "Ik ben het; vrees niet!"
Zo verliest het allergevaarlijkste zijn dreiging en verschijnt het allerergste in het bijzijn van Jezus als overbodig en achterhaald: Wij kunnen zeggen, dood waar is uw prikkel, hel waar is uw overwinning? (1 Cor. 15 : 55).
Maar als de hel achterhaald is dan is het toch goed dat we er tegenwoordig niets meer over horen? Dat is te snel gesproken. Overweeg bijvoorbeeld dit: door te spreken van de hel trekt de bijbel al onze menselijke angsten als het ware in het ene punt van dat allerergste samen en de hel wordt zo verzamelplaats van alles wat wij aan vrees bij ons dragen. En als dan zo al onze angsten rondom de hel samengedromd zijn, krijgen ze dáár samen met de hel te horen: jullie zijn onnodig. Want Christus is er en Hij heeft jullie verslagen. Zo wordt met onze angsten niet gespot of de draak gestoken; ze worden ook niet ontkend en we worden er helemáál niet tactisch van afgeleid - nee, ze worden serieus genomen. De bijbel zegt tegen ons: al die bestemde en onbestemde gevoelens van vrees, waar jullie mee rond lopen, ze zijn terecht, nog veel meer terecht dan je beseft. Want alle angst is ten diepste helleangst. Zo verdiept de bijbel eerst onze vrees tot hellevrees en zegt dan vervolgens, of eigenlijk tegelijk, dat Christus is gekomen om ons ervan te verlossen door onze dood te sterven, door onze schuld te boeten, door onze straf te dragen. De hel is er, zegt Hij, maar hoeft niet. Wat Mij betreft blijft hij zo leeg als een school in de vakantie en gaat alleen de duivel erin.
Tegenwoordig denkt men het woordje "hel" uit het christelijke woordenboek te kunnen schrappen. Of liever gezegd: Men geeft er een andere betekenis aan. "De hel is hier" hoor je zeggen. En men bedoelt bijvoorbeeld de dreiging van een kernoorlog. De hel wordt atoomhel.
Dat lijkt veel reëler dan wat de bijbel zegt. Maar let nu op: bij deze nieuwe hel is er niemand die zegt: ik heb hem overwonnen. Dat moeten we namelijk zelf doen. En we weten het allemaal: zolang er nog één misdadige gek rondloopt, die het in zijn hoofd krijgt op de knop te drukken, is de atoomhel niet overwonnen. De atoomhel- daar staat geen evangelie tegenover, alleen het machteloze gebod: zorg dat dat gevaarlijke spul verdwijnt.
Daarom veroorzaakt de moderne hel iets wat je bij Jezus in zijn spreken over de hel nooit vindt: paniek, radeloze angst onder de mensen. Dat komt doordat de moderne hel en de moderne verdoemenis worden gepredikt zonder evangelie, zonder dat iemand zegt: ik ben er, vrees niet! De bijbelse hel predikt de grootste angst - maar verpakt in de grootste geruststelling. De moderne hel predikt angst zonder geruststelling.
Daarom durf ik de stelling aan dat wanneer we blijven bij wat de bijbel over de hel zegt, wij tegen onze zware tijd beter opgewassen zullen zijn. Want als die bijbelse hel gepredikt wordt, dan zal wie gelooft zeggen: als dat allergrootste gevaar bezworen is, dan zijn er ook voor het minder grote gevaar beloften. Als Christus het hoofdprobleem van ons menselijke bestaan heeft opgelost (dat we namelijk eens zonder verschrikken voor onze Schepper mogen verschijnen) dan zal Hij ons ook helpen bij de minder grote moeilijkheden. Hoe? Wel, Hij is toch Almachtig? Hij kan onze vredesinspanningen zegenen en op ons gebed ook de gevaarlijke gekken bedwingen, bekeren zelfs. Maar het moderne hellegeloof zou zich eens moeten afvragen: zorg ik misschien voor het doemdenken? Ben ik misschien de oorzaak van de groeiende paniek? Ga ik misschien het omgekeerde bereiken van wat ik beoog? Ik wil van de ene hel van de bijbel af; is de uitkomst misschien dat ik er nu twee krijg: één voor dit en één voor het toekomende leven?
Daarom wek ik iedereen op om vandaag met nieuwe oren te luisteren naar een oud woord van Jezus: "Vrees niet voor degenen die slechts het lichaam kunnen doden en daarna niets meer; vrees voor Hem die beide lichaam en ziel kan verderven in de hel" (Luk. 12 : 4,5). En ik omschrijf dit voor deze keer zo: Vrees niet voor de atoomhel, maar vrees voor de echte hel.
En weet dan dat er voor de echte hel een echte Verlosser is. Ah we die aangrijpen, dan zullen we ook tegenover minder grote gevaren rustiger zijn, meer handelingsbekwaam. Want als één menstype in onze gevaarlijke tijd gevaarlijk is, dan is het de door paniek bevangen mens. De moderne hel- en verdoemenisprediking máákt die, is mijn indruk, omdat het wéér een helleprediking is zonder Verlosser, zoals we nu al zo zo vaak in de geschiedenis hebben meegemaakt.