Naar een eenheid waar je stil van wordt... (2)
1982-11-12
Gebed om verheerlijking van de Gezondene- Jaargang 26
- nummer 42
Als we, zoals ik voorstelde, Johannes 17 'gewoon' willen lezen, moeten we aanstonds op onze hoede zijn. In de vertaling van het NBG staat als opschrift boven het hoofdstuk: Het Hogepriesterlijk gebed. Deze karakterisering heeft een eerbiedwaardige ouderdom van vier eeuwen. Maar, zoals met meer opschriften boven Schriftgedeelten het geval is, wordt hierdoor het wezenlijke van de inhoud niet scherp getekend. Onwillekeurig denken we immers bij de term Hogepriesterlijk aan het offer van Christus aan het kruis, terwijl heel duidelijk is, dat dit offer in Jezus' gebed niet op de voorgrond staat. Daarnaast vindt bij velen de gedachte ingang, dat Jezus als Hogepriester voor de zijnen bidt.
In een zakbijbeluitgave van ruim 40 jaar geleden van de Statenvertaling luidt het opschrift boven ons hoofdstuk: Gebed van Jezus voor zijn discipelen. Nu wordt in vers 9 letterlijk gezegd: "Ik bid voor hen", d.i. voor de discipelen, en in vers 20: "Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven", maar is daarmee het eigenlijke onderwerp van Jezus' gebed gekenschetst? Het ligt niet voor de hand. Dat blijkt wel, als we letten op de indeling van ons hoofdstuk in de Rooms-katholieke Canisius en Wilibrord vertalingen.
In beide vinden we de indeling: vs. 1 - 6 Jezus bidt voor zichzelf; vs. 6 - 20 Jezus bidt voor zijn leerlingen; vs. 20 - 26 Jezus bidt voor alle gelovigen. Daarbij is reeds de karakterisering van de verzen 1 - 6 niet aannemelijk. Bovendien is elk opschrift dat geplaatst wordt boven ons hoofdstuk een belemmering voor het overzien van de eenheid met de voorgaande hoofdstukken. En er is juist zo'n nauwe samenhang van Johannes 17 met heel de afscheidsprediking van Jezus en in wijder verband ook met heel het Evangelie van Johannes. Daarom willen we beginnen met het eerste vers van die afscheidsprediking, 13 : 31. Wanneer Judas is ontmaskerd als de verrader en is vertrokken, zegt Jezus: "Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt". Hoort u de overeenkomst met Jezus' bede: "Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke" (17 :1)? Opvallend is, dat Jezus nu bidt om datgene wat Hij aan het begin reeds vervuld weet. Hij heeft zijn zending volbracht en daarin zijn Zender tot heerlijkheid gebracht.
Dat is de grondtoon van het gebed in ons hoofdstuk. En we zullen zien dat die twee elementen: verheerlijken, heerlijkheid èn zenden, gezonden zijn, bepalend zijn voor heel de gedachtegang van Jezus' gebed, zoals zij dat ook zijn voor heel Johannes' evangeliebeschrijving.
Denkt u maar aan vers 14 in het eerste hoofdstuk, centraal voor heel het boek: "Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders". Daarnaast keert in Johannes 3 tot 17 in elk hoofdstuk terug, dat de Vader "de Zoon gezonden heeft", in de meeste hoofdstukken zelfs verschillende malen. Het klinkt als een voortdurend refrein door heel dit Evangelie, uitmondend in vers 3 van ons hoofdstuk: "Dit nu is het eeuwige leven, dat zij u kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die Gij gezonden hebt", waarbij zich aansluit vers 25: " ... dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt". In dié gedachtegang vindt ook de vermelding van 'eenheid' haar plaats. Die eenheid is essentieel voor Jezus' werken in de wereld èn de voltooiing er van. Allereerst de volkomen eenheid tussen Vader en Zoon in het werk der verlossing: de wisselwerking in het handelen van de Vader en de Zoon, het doorgeven van wat de Vader toebehoort door de Zoon aan de zijnen, de zijnen die aan de Zoon gegeven zijn door de Vader, maar die Hij op deze wijze en door zijn gemeenschap met hen houdt bij en bewaart voor de Vader. Merkt u, welk een verstrekkende betekenis er is gelegen in de bede: "opdat zij allen één zijn, gelijk wij"?
Laten we de tot dusver gekregen indruk op een (beperkt) aantal punten toetsen en daarmee de betekenis van de 'eenheid' proberen te concretiseren.
De 'eenheid' en de zending van Jezus in de wereld (1-6)
Over één zijn wordt in dit gedeelte woordelijk niet gesproken. Dat gebeurt eerst in vers 11: "dat zij één zijn zoals Wij", waar de apostelen het onderwerp vormen. Wel is in onze verzen heel duidelijk sprake van de eenheid van Vader en Zoon, en daarom zijn zij ook van betekenis voor het verstaan van het één zijn der gelovigen "zoals Wij". Maar we zullen zien dat die eenheid zelf er ook in wordt aangeduid, nl. in vers 2. "Het uur is gekomen", nl. van de voltooiing van het werk dat de Vader aan de Zoon heeft opgedragen (4). Daarom volgt er ook: "Vader, verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke".
Want beiden, de Vader en de Zoon, zijn bij die voltooiing betrokken. Niet alleen in de erkenning door de Vader van het door de Zoon volbrachte werk. Neen, in het openbaringswerk van de Zoon werkt de Vader zelf: "de Vader die in Mij blijft, doet zijn werken"
(14: 10). ZÓ innig is hun samenwerken in de openbaring van de naam van God, zó diep hun eenheid. Jammer, dat in de vertaling "Groot Nieuws voor u" onze aandacht in geheel andere richting geleid wordt: "Vader, mijn tijd is gekomen... "
Deze samenwerking en wisselwerking tussen de Vader en de Zoon blijft in alle verzen van ons gedeelte aan de orde: De Vader heeft aan de Zoon macht gegeven over alle vlees, opdat de Zoon aan de mensen die de vader Hem heeft gegeven, eeuwig leven zou schenken (2). Het eeuwige leven is "dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus (3). Spreekt Jezus over het volbrengen van het Hem door de Vader opgedragen werk met de woorden: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde" (4), daarna bidt Hij om verheerlijking in volkomen eenheid met de Vader "bij Uzelf met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld was" (5).
Te midden van al deze heenwijzingen van de volkomen samenwerking tussen de Vader en de Zoon vinden we nu in vers 2 een aanduiding van de eenheid der gelovigen. Om dit in een Nederlandse vertaling te kunnen zien, moeten we uitgaan van de Statenvertaling, die de Griekse tekst zo nauwkeurig mogelijk weergeeft. We lezen daar: "opdat al wat Gij (Vader) Hem (de Zoon) gegeven heeft, Hij hun het eeuwige leven geve". Best mogelijk, dat u deze zin niet begrijpt. Dan ziet u meteen het probleem waarvoor bijbelvertalers slag op slag staan.
Zij moeten kiezen: of zo dicht mogelijk blijven bij wat er staat in het oorspronkelijk, met het risico - zoals we hier zien - dat het misschien onduidelijk wordt; of een vlotte verstaanbare tekst bieden, waarbij echter één of meer elementen van de grondtekst verloren gaan. Dat laatste gebeurt in de meeste nieuwere vertalingen van deze tekst. In de vertaling NBG lezen we: "om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken". Dit begrijpen we gemakkelijker, al hebben we even moeite met het onzijdig "al wat", omdat het toch om mensen gaat. Veel vertalingen gaan dan ook een stapje verder: "aan allen die Gij Hem gegeven hebt"'.
Keren we nu terug naar de eigenlijke tekst en dus naar de Statenvertaling, dan begrijpen we nu, wat die betekent: "opdat (aan) al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij aan dezen het eeuwige leven geeft", d.w.z. wat eerst als een geheel is aangeduid ("al wat"), wordt daarna weer opgenomen met "hun" of "aan dezen". De Vader geeft de gelovigen aan de Zoon als een gemeenschap, als een eenheid, en de Zoon geeft aan de gelovigen ieder het eeuwige leven. Maar laten we daarin vooral geen verder onderscheid zien. Want deze beide onderscheiden handelingen gaan uit van de Vader en de Zoon, die samen in volmaakte eenheid met elkaar te werk gaan. Van die eenheid getuigt immers heel het Schriftgedeelte waarmee we bezig zijn.
We kunnen zeggen: de eenheid van de Vader en de Zoon is waarborg, dat degenen aan wie Christus het eeuwige leven schenkt, een waarachtige gemeenschap vormen, zoals de Vader ze Hem gegeven heeft.
Misschien vindt u dat op deze manier toch wel te veel uit de verbinding van een onzijdig enkelvoud met een manlijk meervoud wordt afgeleid. Daarom lezen we ook nog vers 24 en wel in de vertaling NBG, die hier zeer nauwkeurig (ook verstaanbaar?) weergeeft: "Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt - Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn...". Eenzelfde afwisseling dus tussen het onzijdig enkelvoud en het manlijk meervoud en in precies dezelfde bewoordingen ("hetgeen Gij gegeven hebt"). De Statenvertaling gaat hier uit van een andere overlevering van de Griekse tekst. Zullen we dus alvast maar besluiten om niet te gauw een bepaalde vertaling als de enig juiste over heel de linie te beschouwen? Raadpleging van verschillende vertalingen kan heel nuttig zijn. Maar dit even terzijde.
Ter afsluiting nog een citaat, om bevestiging te vinden dat we de verzen 1 - 6 goed gelezen hebben. Want we zijn niet erg geneigd om zo maar te aanvaarden, dat de eenheid der gelovigen samenhangt met de eenheid tussen de Vader en de Zoon. Zeggen we niet altijd alleen maar: "Opdat zij allen één zijn", zonder er aan toe te voegen: "zoals Wij"?
Welnu, in de verzen 10 : 27 - 31 vinden we een volkomen parallel met onze verzen. Ook daar spreekt Jezus zelf, ook daar de verbinding van het onzijdig enkelvoud in dezelfde woorden: "Wat mijn Vader Mij gegeven heeft" en het meervoud van de door Christus bijeenvergaderde gelovigen: "Mijn schapen ... volgen Mij", ook daar: "en Ik geef hun eeuwig leven", ook daar geldt wat van de Zoon wordt gezegd eveneens van de Vader: "niet rukken uit mijn hand - uit de hand mijns Vaders", en aan het slot vinden we hier letterlijk de duidelijke bevestiging: "Ik en de Vader zijn één". Het citaat in zijn geheel luidt: "Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders. Ik en de Vader zijn één".