Naar een eenheid waar je stil van wordt... (3)
1982-11-19
De 'eenheid'...- Jaargang 26
- nummer 43
"zolang Ik bij hen was" (6-13)
Dit gedeelte tekent ons de volkomen eenheid van de Vader en de Zoon in Jezus' werken op aarde zeer levendig voor ogen. Het biedt een uitwerking van de aanduiding in vers 4: "lk heb U verheerlijkt op de aarde", waarbij het terugkerend refrein is: "Gij hebt Mij gegeven"
(6, 7, 8, 9, 11, 12) en "Ik heb (uw naam, uw woord, uw woorden) doorgegeven" (6, 8) en (de mensen) "voor U bewaard" (9, 12).
Daarnaast wordt, minder nadrukkelijk, een andere eenheid getekend, nl. van Jezus met de apostelen, en - ten gevolge van de eenheid tussen de Vader en de Zoon in het werk van Jezus - ook van de apostelen met de Vader: ,;de woorden die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt" (8), "Zij behoorden U toe ... en zij hebben Uw woord bewaard" (6). Zij zijn van U... en Ik ben in hen verheerlijkt" (10).
Tenslotte wordt in dit gedeelte nog de eenheid van de gelovigen zelf genoemd, doch slechts eenmaal (11). En dat is ook begrijpelijk. Want in dit deel gaat het over de kleine kring van de apostelen en over Jezus, terwijl Hij bij hen is.
Ja, strikt genomen gaat het daarover bij de woorden: "dat zij één zijn zoals Wij" eigenlijk niet eens. Want Jezus' woorden aan het begin van dit vers: "Ik ben niet meer in de wereld"
laten zien dat Jezus hier spreekt over de tijd ná zijn heengaan. Dan, zo bidt Hij, mogen de gelovigen "één zijn zoals Wij". Zo zijn we door dit gedeelte iets dichter bij ons doel gebracht. Niet alleen is nu de eenheid der gelovigen rechtstreeks genoemd: "opdat zij één zijn", maar ook is het karakter er van "zoals Wij" weer vers na vers ons voor ogen geschilderd. Wat heeft de Vader niet al in het werk der verlossing gegeven aan de Zoon: zijn naam, zijn woord, ja, de mensen zelf. En de Zoon heeft dit alles bij het vervullen van zijn opdracht doorgegeven en de mensen hebben die openbaring, dat woord aangenomen en bewaard, ja, zij hebben de volkomen eenheid van de Vader en de Zoon erkend en geloofd, zodat Jezus, nu Hij terugziet op zijn werk, tegenover de Vader uitspreekt: "al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne en Ik ben in hen verheerlijkt". Zo nauw is de band tussen Hem en zijn discipelen geworden. Zij zijn geheel opgenomen in de voortdurend aan de orde gestelde samenwerking van de Vader en de Zoon. Maar dan is ook de onderlinge eenheid een onmisbare voorwaarde.
Ook dit gedeelte vindt een duidelijke toelichting in een uitvoerig citaat (15 : 15-17): "u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt.
Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in mijn naam. Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt".
De 'eenheid' ...
en het heengaan van Jezus tot de Vader (13-20)
In de verzen 6-13 zag Jezus vooral terug op het werk dat Hij volbracht had. Maar toen Hij bad om de eenheid in de (nog 'kleine) kring van zijn discipelen, richtte Hij de blik vooruit naar de tijd, waarin Hij niet meer in de wereld zou zijn. Daarom droeg Hij hen over aan de hoede van zijn Vader.
In het volgend gedeelte ligt, al ontbreekt het eerste element niet geheel ("Ik heb hun uw woord gegeven", 14), toch de nadruk meer op de tweede lijn: de aanbeveling in de hoede des Vaders. Zoals de verzen 6-13 een uitwerking zijn van vs. 4, zo neemt de aanhef in vers 13: "Maar nu kom Ik tot U" zeer duidelijk dezelfde woorden uit vs. 11 weer op. En dan volgt de uitwerking van wat we verder lezen in vers 11: "Heilige Vader, bewaar hen in uw naam".
De eenheid tussen de Vader en de Zoon komt hier slechts indirect aan de orde: Jezus bidt de Vader het werk van bewaring der gelovigen zelf voort te zetten door hen te heiligen (15), zoals Hij Zichzelf voor hen heiligt (17). Maar de eenheid tussen Jezus en de discipelen krijgt nu scherpere profilering: "opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben" (13). Jezus bidt ten aanhoren van zijn discipelen, opdat zij dezelfde blijdschap mogen kennen als Hij, "Wiens spijs het is te doen de wil van Hem die Mij gezonden heeft" (4: 34).
De discipelen hebben gehoord, dat Jezus de Vader heeft gebeden: "Bewaar ben in uw naam (d.i. door uw woord of openbaring), die Gij Mij gegeven hebt". Hieruit mogen zij weten, dat de Vader hen bewaren zal op dezelfde wijze als Jezus dit deed: "Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen" (6). Naar de uitleg van Calvijn en anderen bedoelt Jezus met "mijn blijdschap"
dat Hij daarvan de oorzaak en de gever is.
Maar houdt het niet tevens in, dat zij dezelfde blijdschap zullen kennen? Vers 6 eindigt met: "zij hebben uw woord bewaard". Dat betekent: dit woord is een kracht geworden in hun leven.
En zo zal het handelen naar dit woord ook voor de discipelen tot blijdschap leiden, ja tot volkomen blijdschap. Reeds eerder had Jezus tot zijn discipelen gezegd: "Ik ga heen tot Hem die Mij gezonden heeft" (16: 5), maar toen had "droefheid (hun) hart vervuld" (16 : 6). Zij zagen alleen het verlies van zijn heengaan. Hun liefde schoot te kort, om verblijd te zijn" dat Hij "tot de Vader"
ging (14 : 28). Zij begrepen niet dat Hij, gekomen tot groter heerlijkheid ("de Vader is meer dan Ik"), juist meer voor hen. zou betekenen.
Maar nu, in ons vers, nadat Jezus hen heeft opgedragen aan de hoede van de Vader, verzekert Hij hun dat zij dezelfde blijdschap zullen kennen als Hij. Immers, "Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zuilen tot hem komen en bij hem wonen" (14 : 23). Tenslotte, heel de gedachte die in vers 13 wordt uitgedrukt: de nauwe verbondenheid van Jezus en zijn discipelen, de samenhang tussen het leven naar het woord en de blijdschap die daarvan de vrucht is, kan weer worden toegelicht (15 : 10, 11): "Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn (d.i. de van Mij uitgaande) liefde blijven, gelijk Ik de geboden van mijn Vader heb en blijf in zijn liefde. Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap (vervuld) volkomen worde".
Ook in de volgende verzen staan deze twee elementen centraal: de band tussen Jezus en de discipelen èn het bewaren bij het woord. Ik denk voor het eerste aan: "Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben" (14, 16). "Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld" (18). "Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn" (19).
En wat het tweede punt betreft: Toen Jezus de Vader bad om bewaring van zijn discipelen, sprak Hij Hem aan als "Heilige Vader" (11). Nti valt op het heiligende karakter van die 'bewaring nog specifieker de nadruk: “Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid"
(17). Weer worden we iets nader gebracht bij het verstaan van die wondere eenheid van God de Vader, de Zoon en de gelovigen. De Vader, die zelf heilig is, werkt de heiligheid van de discipelen door zijn waarheid, door zijn woord. En door zijn Geest, zult u er aan toevoegen. En u hebt gelijk. We lezen in 1 Petr. 1 : 2: " ...de uitverkorenen naar de voorkennis van God, de Vader, in heiliging door de Geest tot gehoorzaamheid" en in 2 Thess. 2 : 13: "dat God u ... Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid".
De overeenkomst in uitdrukking op de laatste plaats met onze tekst is treffend.
Maar de Geest wordt door Jezus in zijn gebed niet genoemd, al wordt zijn werking, zoals we nog zullen zien, wel verondersteld. En in zijn afscheidsprediking heeft Jezus uitvoerig over de Geest, de Trooster, gesproken. Juist daarin ligt een reden, om ook dit gedeelte met een toelichtend citaat uit die afscheidswoorden af te sluiten (14: 15-17): "wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid". Ook daar het bewaren van de geboden verbonden met de werking van de Geest der waarheid.Wij beperken gewoonlijk deze werking te veel tot de leer. Maar de verbinding door het woordje "En" wijst die beperking af. Calvijn merkt hier op: "Christus belooft dat Hij voor het bewaren van zijn geboden krachten zal geven, want anders zou zijn vermaning te weinig uitwerking hebben gehad".