Toch gemeente

1982-11-19
  • Jaargang 26
  • nummer 43
TOCH GEMEENTE door prof. dr R. Bijlsma, uitgegeven door Kok, Kampen (1981); 150 pag.

Dit boek is deel 4 van de reeks "Gemeente van Christus nu"; de drie reeds verschenen delen handelen over "De preek", "De Doop" en "Bijbelse kernwoorden". De vier nog te verschijnen titels zijn "Lezen en verstaan van de Bijbel", "Het Avondmaal", "De eredienst" en "De catechese".
De bedoeling van de auteur, emeritus-hoogleraar van de Prot. Theologische Faculteit te Brussel is, zo zegt hij, "theologie en gemeente dichter bij elkaar (te) brengen. Het groot geld van de theologische wetenschap moet in kleine munt worden omgewisseld zonder vermindering van waarde". Hij wijst er verder op, hoe nodig het is, dat de gemeente verstaat hoe zij in deze wereld verkeren moet, een wereld vol verleiding en macht van afgoden. Van groot belang is het je te buigen over de achtergrondvragen van het kerkelijk leven (en dan bedoelt hij in het bijzonder het leven van de gemeente). Bij het lezen van dit boekje moet je dat speciale doel voortdurend in de gaten houden en tevens letten op de gemeenten, de lezers, die hij op het oog heeft. Ik heb zo'n sterk vermoeden dat die te vinden zullen zijn in wat wel de midden-orthodoxie heet, in Ned. Hervormde en Gereformeerde (syn.) kringen. Daarmee is het boek zelf niet getypeerd, veeleer hen, die het ter hand nemen als handwijzer. Het boek, dat overzichtelijk van opzet is (8 hoofdstukken, elk van vier niet te lange paragrafen), spreekt op vele plaatsen aan. Het is eenvoudig en boeiend geschreven.

Je proeft de bekwame docent. Het eigene van dit deel komt uit in "toch", in de titel vooropgezet. "In het algemeen duidt dit op het ongewone karakter, dat iedere geloofsgemeenschap heeft, die in een wereld van belangen en zakelijkheid oproept tot aanbidding en dienst. Maar in dit geval is méér nog bedoeld het unieke van de christelijke geloofsgemeente, die heeft te staan voor het en toch van de Bijbel en dat volhoudt te midden van al wat machtig en groot is. Als gemeente van Christus moet zij trouw blijven aan haar Heer. Het is niet haar taak om het de mensen naar de zin te maken of hun naar de mond te praten, evenmin om op al hun vragen antwoord te geven. Maar zij is er om te getuigen van het bijbelse Evangelie en dat voor te lezen, met inbegrip van alle opdrachten en offers, die daaruit voortvloeien" (7, 8). De uitwerking van dit thema is het "gij, geheel anders". Bijzonder daarin, dat de omgeving (de wereld) opmerkt dat ,de christelijke gemeente niet meedoet met wat wereldse machten nastreven. Zij verzet zich daartegen en dat moet zichtbaar zijn. Haar koers is die van het Evangelie.
Achtereenvolgens komen aan de orde (en ik vermeld hier enkel de titels van de hoofdstukken): Omstreden gemeenschap, het en toch van de Bijbel, volk van God onderweg, gelovende gemeente, kerk naar buiten, kerk naar binnen, gemeente aan het werk en gemeente nu en straks.
De handreiking, die de schrijver bedoelt te geven - "het grote geld wisselen voor klein" - hebben "de werkers aan de basis" broodnodig, schrijft hij. Maar daarmee blijft het toch "theologie" die gepresenteerd wordt. Je moet die onderkennen als wetenschapsmacht, die het Woord van God invlecht in een menselijk systematiseren van gegevens. Van bijbelse gegevens weliswaar. Maar daarmee komt - en dat is wel het grote bezwaar tegen dit boek - de Schrift op de tweede plaats. Dan horen we niet meer naar het Woord van de HERE, om dat te doen, maar krijgen we vóór ons een schema, door mensen opgebouwd, die dit met overtuiging en als bijbels onderwijs, maar toch als hun mening, presenteren. Dan merk je op, dat meer verwezen wordt van (menselijk) betoog naar bijbeltekst, dan dat gebogen wordt onder wat in de Schriften als Woord van onze HERE tot ons komt. Ik kan in een beperkte bespreking daarvan niet meer dan één voorbeeld geven.
De kerk, zo heet het, is'" volk van God onderweg" (39); ze ziet uit "naar de toekomst van het Godsrijk".
Ze is dus in beweging. Nu is het gevaar van remmende en verlammende invloeden op dit in beweging zijn groot. Ja, stemmen we toe, de zonde, onze zondige aard. Nee, hier wordt enkel en niet eens onterecht gewezen op de afgoden van de tijd, de machten, die het van het begin van de wereld tot haar einde toeleggen op de ondergang van de gemeente. Maar zie, God geeft telkens bevrijding. Hij roept mensen. Abraham bijv. wordt zo uit een omgeving van goden en machten bevrijd. Later evenzo het volk Israël uit de Egyptische slavernij. En als dan nog weer later de politieke grootmachten uiteindelijk overwinnen en het volk in ballingschap voeren, zodat het onvrij is, blijft de hoop op Gods verlossing werkzaam als een ondergronds verdergaan naar nieuwe vrijheid (45). Is dat nu niet een soort bevrijdingsidealisme? Is dat wat hier doorgegeven wordt, hetzelfde als wat Jesaja (61 : 1) het volk als troost voorhoudt? Nee toch! Wat we in Christus, die onze Middelaar is, hebben (Ef. 1) is toch veel en' veel méér? (zie ook Gal. 5: 1-3). De rijkdom van het grote geld van Gods Openbaring wordt hier sterk verschraald tot pasmunt, die zo tussen je vingers doorglijdt.

Bovendien is het allemaal weinig concreet. De machten zegt hij, de afgoden van deze tijd, tref je overal aan, waar het vertrouwen van de gemeente op haar God ter discussie komt. Maar je hoort helemaal niet van afvallig van Hen, van strijd en verdrukking van hen, die op Gods Verbond betrouwen, Zijn geboden willen houden en door alle tijden heen dáárom in een hoek gedrukt worden. Je leest niets over wat in 1 Cor. 10: 1-11 staat en dat is typerend.
Het past me niet als niet-theoloog verder met de schrijver in discussie te treden, maar ik wil ons allen toch wel voorhouden wat we belijden van de heilige algemene Christelijke kerk, dat de Zoon van God zélf Zich een gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid van het ware geloof, van het begin van de wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt, en dat ik van die gemeente een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven. Door Hem, uitsluitend door Hem en door Zijn Geest zijn we "Toch gemeente". De tekstverwijzingen bij vraag en antwoord 54 van de Heidelbergse Catechismus spreken daar duidelijk van. Beter dan het voor ons liggende boek.
Ik herhaal, dat het toch zeker lezenswaard is. Het doet je ook wel wat, mits onderscheidend gelezen.
Het kan ons als gemeente bijzonder leiden tot het gedurig onderzoeken van de Schriften. Die maken wijs tot zaligheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief