Rap rollen de woorden over deurklinken
1983-04-15
Enige tijd terug schreef een EH-student een artikel, waarin hij een speels pleidooi ervoor voert om de taal in al zijn rijkdom te benutten.- Jaargang 27
- nummer 15
Vanwege de speelsheid, en uit instemming met de strekking van zijn pleidooi, laat ik het artikel hierna volgen - zonder kommentaar.
Wie wil reageren, hetzij bekommentariërend, hetzij het spel verder spelend, is welkom.
A. W. Biersteker, red.
Het gebeurde slechts enkele weken geleden. Ik fietste van de EH naar de kamer van een medestudent in Amersfoort om daar de maaltijd te gebruiken.
Nadat ik in het betreffende huis binnengelaten was liet mijn medestudent - zijn naam doet in dit verband niet terzake - me voorgaan op enkele trappen die naar zijn kamer voerden.
Daar aangekomen (met behoud van ledematen, hetgeen vermelding verdient waar het gaat over trappen die naar studentenkamers voeren), trachtte ik mij op de gebruikelijke wijze toegang te verschaffen tot het slaap-en studievertrek (in die volgorde) van genoemde medestudent.
Ik bracht dus mijn hand naar de deurklink en had mijn rechterbeen reeds opgeheven om het aan de overzijde van de drempel weer neer te kunnen zetten. Doch tevergeefs! De deurklink weigerde de druk van mijn hand te gehoorzamen en ook verhoging van die druk leverde niet het gewenste resultaat op.
Juist toen ik besloten had mijn collega om advies te vragen kreeg ik een idee: misschien dient deze deurklink door middel vaneen andere beweging tot de vervulling van haar taak gebracht te worden! En tot mijn verbazing bleek dat inderdaad het geval te zijn: de deur van de kamer van mijn medestudent opent niet door de deurklink de normale neerwaartse beweging te laten uitvoeren, doch verlangt daarentegen van de hand een opwaartse kracht.
Nog nauwelijks van mijn verbazing bekomen merkte ik op dat ik dat maar een hoogst merkwaardig verschijnsel vond. "Wat curieus!", schijn ik letterlijk uitgeroepen te hebben. Het gebruik van dit woord nu ontlokte mijn medestudent een schampere opmerking.
Deze bevatte een betichting van elitair taalgebruik.
En het is op dit verwijt dat ik in deze kolommen kortelijk wil ingaan. Ik ben namelijk sinds enkele maanden bezig aan een stille kruistocht tegen de vervlakking van onze Nederlandse taal. Waarom, zo vraag ik mijn lezer, zou het mij niet vrijelijk toegestaan zijn in stede van een triviale uitdrukking als "Wat gek!" of de modernere variant "Wat belachelijk!" een minder gebruikelijke uitroep van verbazing te bezigen?
Wij hebben onze taal overgeleverd aan de praktische rationaliteit waarin ongewone maar schone synoniemen en archaïsmen het bestaansrecht wordt ontnomen. Taal is een kommunikatiemiddel, zo menen we, en om die kommunikatie zo effektief mogelijk te laten verlopen, dient een zo groot mogelijke uniformiteit in woordgebruik en zinsbouw te worden nagestreefd.
Ik hekel deze houding van ganser harte. Waarom zouden prachtige voegwoorden als daar zijn: alsmede, alvorens, krachtens, middels en mitsdien, wijl verouderd, niet meer gebruikt mogen worden? Waarom worden termen als: in casu, optiek, stringent, turbulentie, wederrechtelijk en wanvoeglijk - om maar een willekeurige greep te doen - ondergebracht in de verzameling "vreemde, dure en aanstellerige woorden"? 1) Is de uitdrukking "zich wederrechtelijk toeëigenen" niet een prachtig synoniem voor "stelen"? Is het niet aardig dat onze taal de mogelijkheid bied om gedrag dat niet aan algemeen geldende maatstaven voldoet te kwalificeren als "wanvoeglijk"?
Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor bepalingen als "ten behoeve van", "uit hoofde van" en "in dier voege".
Maar nee, die woorden zijn onbetamelijk Ze rieken naar stijve ambtenarentaal en dienen derhalve vermeden te worden. We kunnen het toch niet gedogen, om nog eens een voorbeeld te noemen, dat in plaats van waarom en weshalve en in plaats van daarom deswege geschreven wordt?
"Als u schrijft, probeer dan woorden te kiezen die uw lezers aanspreken. Kom uw lezers tegemoet." 2) Dàt is het enige kritierium. Wie andere normen hanteert, zoals creativiteit of singulariteit, wordt esoterisch snobisme verweten, Ten diepste schuilt achter dit alles de gelijkheidsfilosofie. Een ieder dient op te gaan in de massa. Gelijkheid dient gesimuleerd, interindividuele verschillen dienen gecamoufleerd te worden, of het nu gaat om seksuele geaardheid of om afwijkend taalgebruik. Alom wordt de "heilige wet van de gelijkheid" gepredikt. 3) Wee de heremiet die anders durft te leven, te denken en te spreken dan de massa. Wee de aravist die weigert te anticiperen in de eliminatie van verouderde, onbekende en dientengevolge onbeminde woorden en zinskonstrukties.
Wee de individualist die de moed heeft een andere taal te spreken dan die van jan met het bekende hoofddeksel!
Toch zijn ze er nog, de heremieten, aravisten en individualisten. Obstinaat blijven ze zich verzetten tegen de vervlakking van de taal. Ze weigeren bij voortduur hun taal te assimileren aan het gangbare rationeel-efficiënte spraakgebruik. Ik geef twee voorbeelden.
Allereerst de al even genoemde en in onze kringen niet onbekende prof. J.H. van den Berg. Zijn boeken bewijzen dat een eigen individuele schrijfstijl niet noodwendig een verminderde leesbaarheid met zich mee hoeft te brengen. Schoon van wetenschappelijke zijde fel gelaakt vanwege vermeend subjektivisme, weet Van den Berg met zijn boeiende betoogtrant velen te boeien. Ik geef een klein specimen, Wanneer Van den Berg in "Metabletica" verhaalt van de intellektuele vermogens van kinderen uit vroeger eeuwen, vergelijkt hij die met de hedendaagse (droeve) situatie. Hij sluit dan af met de volgende eclatante volzin: "Het lijkt ons (naast verwerpelijk) eenvoudig onmogelijk dat een kind van tien à twaalf jaar een hele bibliotheek van boeken leest (weet u nog, hoeveel moeite het u kostte de enkele werken voor het eindexamen middelbare school te lezen?), vele talen spreekt (herinnert u zich nog hoe moeizaam het moderne drietal over uw achttienjarige lippen kwam?), alle paradigmata der Latijnse grammatika kent (u deed er vele jaren over, jaren ná uw twaalfde) en de klassieke auteurs met tranen brengende vaardigheid uitlegt (en u?)." 4) De lezer oordele zelf.
Ten tweede wijs ik op ex-parlementariër ds H. G. Abma, door de Volkskrant ooit de beste stylist van het Nederlandse parlement genoemd. Zijn stijl wordt gekenmerkt door een abundant gebruik van archaïsmen en door prachtige woordspelingen, waar men op het eerste gezicht veelal overheen leest.
Hij gispt in een (overigens nogal polemische) artikelenserie in het Gereformeerd Weekblad de opvatting dat christenen zich niet zouden hoeven te storen aan de rechten van de mens, aangezien (overmits is het voegwoord dat Abma misschien zou prefereren) de mens geen rechten zou hebben.
Hij merkt dan onder meer op over zijn tegenstanders: "Rap rollen de woorden over de afrastering van hun tanden." 5) Deze zinsnede doet denken aan de allereerste taalkunstenaar en literator van de westerse beschaving, de blinde zanger Homerus. Wanneer hij zijn personage uiting wilde laten geven aan verbazing of onbegrip over andermans woorden legde hij hun een zinsnede in de mond die als volgt vertaald kan worden: "Welk een woord ontglipte de wal uwer tanden!" Me dunkt, een overwegenswaardig alternatief voor ons banale "Wat zei je?"
Misschien dat de enkele lezer die nog niet afgehaakt heeft nu zijn laatste restje welwillendheid verliest. Hij zal opmerken dat ik nu toch al te zeer exagereer.
Toegegeven, wie echt zijn taalgebruik wil afstemmen op de homerische epiek, belandt in een schier onbegrijpelijke klankenwereld die nauwelijks enige kommunikatie meer toelaat. En het zij verre van mij te ontkennen dat de primaire funktie van iedere taal de intermenselijke verstandhouding is.
Maar dat doet van het voorgaande niets af. Taal is méér dan een handig kommunikatiemiddel. Ook buiten bet beperkte hokje dat literatuur heet mogen we genieten van de gave die taal heet. Jazeker, taal is een gave! Laten we dan toch de gave "gaaf" houden.
Naar ik hoop ben ik hiermee op het verwijt van mijn medestudent-met-decurieuze-klink aan de deur van zijn kamer, genoegzaam ingegaan.
1) J. Renkema, Schrijfwijze, Den Haag, 1979, p. 82 e.v.
2) Ibid. p. 90.
3) De term is van J. H. van den Berg.
In zijn brochure "Wat is psychotherapie"
(Nijkerk, 1970) beschrijft hij op magistrale wijze het verband tussen de opkomst van de gelijkheids1iilosofie en de sekulardsatie, Zijdelings komt dit thema ook in (andere) delen van zijn metabletisch oeuvre aan de orde.
4) J. H. van den Berg, Metabletica, Nijkerk, 1956, p. 34-35.
5) H. G. Abma, Mensenrechten, in: Gereformeerd Weekblad, Huizen, 83e [rg, no. 16, april 1982, p. 191.