Rondom een rouwadvertentie – 1

1983-04-22
  • Jaargang 27
  • nummer 16
De gesprekken over de vraag hoe wij de heilige naam van God zullen betrekken bij schokkende dingen die gebeuren kunnen, willen onder de christenen van vandaag maar moeilijk tot rust komen. Dat is nog weer eens duidelijk gebleken uit het geladen artikel waarmee dr O. Jager in het nummer van 14 april van Trouw reageerde op een in het nummer van 9 april overgenomen stukje van ds C. J. Smelik uit de Reformatie, waarin deze predikant kritiek oefende op wat in de rouwadvertentie van een bij het verkeer omgekomen, nog jonge, dominee door zijn gemeente geschreven was: "Wij zijn zeer verdrietig en opstandig om zijn heengaan". Naar aanleiding van dat 'opstandig' schreef hij: "Wat werkt de modern-theologische gedachte door!", terwijl dr Jager sprak van een bevrijdende doorbreking van de traditionele stijl in rouwadvertenties.

Ook wij
Er zit iets zeer echts in dit schriftelijke meningsverschil. Niemand kan zeggen: waar hebben de theologen het nu weer over? Het gaat namelijk over een punt dat iedere gelovige ten diepste raakt. Daarom pak ik het ook op, al heb ik me over deze kwestie wel eens eerder uitgelaten. Zovelen immers zitten hier met vragen dat het volkomen verantwoord is er van tijd tot tijd opnieuw over te schrijven. Dr. Jager beweert in zijn artikel wel dat lezers van bladen als De Reformatie een waarschuwing tegen de moderne theologie niet nodig hebben, omdat ze op het punt van de goddelijke voorzienigheid toch met onverwrikbare opinies rondlopen, maar dat is een vergissing en een vertekening (zoals het ook een uiting is van de laatdunkendheid die men zich in theologisch Nederland steevast slechts in één richting durft te veroorloven).
Nee, wel degelijk gaat ook bij ons de dwaalleer rond als een brullende leeuw, zoekende wie zij zou kunnen verslinden. Een echte dwaling immers heeft altijd kracht van verleiding. Heeft ze die niet, dan is ze te onnozel om erover te praten. Welnu, ook wij verliezen onze geliefden en daarom verkeren ook wij in gevaar om in ons verdriet 'Gode iets ongerijmds toe te schrijven'.

Verkeerde lijdzaamheid?
lets ongerijmds. Inderdaad heeft de eerste zakelijke zin in het. artikel van dr Jager iets onbegrijpelijks bij zich: "Het grootste raadsel in de geschiedenis van de westerse wereld is haar oosterse lijdzaamheid tegenover de dood". Is dit waar?
Is dit terecht gezegd over dat deel van de wereld waar de medische voorzieningen een zo hoog peil hebben bereikt? En wat ds Smelik betreft, moet wat hij schrijft over de christelijke troost als alternatief voor de gewraakte opstandigheid nu echt verstaan worden als lijdzaamheid tegenover de dood, die dan ook nog oosters zou zijn? Het zal dr Jager toch niet onbekend zijn dat deze predikant behoort tot die geestelijke wereld waaruit luide de protesten opklinken tegen abortus en euthanasie. Dat getuigt toch van een positieve houding tegenover dit aardse leven? De aangehaalde zin zou daarom beter passen in een artikel tegen bijvoorbeeld de opkomende mode van de zelfmoord.
Maar nee, als die ter sprake komt, dan wordt uit een ander vaatje getapt.
Dan kun je van de kant van dezelfde theologie als waarvan dr Jager zich een aanhanger betoont, pleidooien horen om het hatelijke woord 'zelfmoord' te vervangen door het meer verhullende 'zelfdoding'.
Dat vind ik nu een vorm van doodsgezindheid, het in het midden latend of ze oosters dan wel westers is. Maar afgezien hiervan, de christelijke groepering die dr Jager in zijn artikel bestrijdt, zal zich beslist niet herkend voelen in de gegeven typering: lijdzaam tegenover de dood. Niet de dood immers zien we naar de ogen, maar Hem die wij kennen als de Heer over dood en leven. Het is van Hem uit dat wij dit aardse leven weten te waarderen èn te relativeren, zoals we óók van Hem uit de dood als vijand èn als overwonnen vijand zien. Leven of dood, geen van beide immers 'kan ons scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus onze Heer'.

Michelangelo
In deze zin is ook het door dr Jager misprijzend aangehaalde woord van Michelangelo te verstaan: "Wanneer het leven ons behaagt, dan mag ook de dood ons niet mishagen, daar deze uit de hand van dezelfde Meester komt". Wat is er verkeerd aan deze zin? Spreekt hier levenshaat uit? Integendeel, de brave man heeft het over behagen hebben in het leven. Wat dan, drukt zich hier een ongezond doodsverlangen uit? Ook dat niet. Slechts wordt gewaarschuwd tegen een mishagen in de dood, en dat alleen om reden dat de dood, hoezeer we daar ook . tegenop kunnen zien, een instrument blijft in het heilshandelen van God. Waarom moet er eigenlijk tegen zo een oer-christelijke zin storm gelopen worden? Onze christelijke vrijheid tegenover het sterven is daarmee toch precies onder woorden gebracht? Het hart van het evangelie klopt er toch in?
Zoals in het woord van de Catechismus, dat onze dood een doorgang tot het eeuwige leven is. Of is dat ook al verkeerde berusting? Ook ik weet dat er situaties zijn waarin ons de woorden van zulke zinnen als zware stenen op de maag liggen.
Niettemin vormen ze de enige troost tegenover de dood. En in het verdriet bidden wij de enige Trooster om ons bij deze enige troost te brengen, want uit onszelf lopen we er niet op toe.

Uitspraak of toespraak?
Over deze afstand tussen onszelf en de bijbelse troost gesproken, wil ik ook iets zeggen over bijbelteksten die mensen op rouwkaarten schrijven en waarover zij soms heel wat te horen krijgen uit hun omgeving.
Laat ik een voorbeeld geven. Een familie doet in grote droefheid mededeling van het overlijden van een geliefde en laat op de circulaire drukken: "De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd!" (Job 1 : 21). "Wat gemakkelijk gezegd!"
mompelt tante bij het openen van de envelop. "Geen plaats voor rouw-verwerking! ", konstateert de bestudeerde neef in de stad. Bevreemding en zelfs boosheid alom.
Maar zou men niet eens willen overwegen dat zo'n tekst op de kaart niet de funktie heeft van een uitspraak, maar van een toespraak?
Dus niet: zover zijn we al, maar: daar willen we komen. Bijbelcitaten liggen voor een christen immers in de sfeer van het Woord en niet in die van het antwoord. Het is Heilige Schrift, geen belijdenis. De geloofsexpressies van de heiligen daarin zijn persoonlijk-bovenpersoonlijk en normatief. Zij zijn taal van de Heilige Geest en pas door zijn werking ook aangeleerde en overgenomen taal van ons. Maar aangezien de moderne theologie van de bijbel een menselijk geloofsgetuigenis maakt, moeten zulke bijbelteksten op rouwbrieven wel misverstaan worden. Men hoort ze als uitspraken, die dan inderdaad gezwollen kunnen klinken. Ik denk dat we daar rekening mee moeten houden. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door van een psalm als de 62-ste niet alleen vers 2 maar ook vers 6 aan te halen: "Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God", en: "Waarlijk, mijn ziel, keer u stil tot God!". De eerste keer doet de psalmist een uitspraak, de tweede maal houdt hij tot zichzelf een toespraak.
En de toespraak laat zien in welke zin de uitspraak verstaan moet worden. In beide plaatst de psalmist zich namelijk buiten zichzelf - in God. Door een dergelijke dubbele Schriftaanhaling zou ook de schijn van het robot-achtige in onze leedverwerking vermeden kunnen worden. Het is maar een voorbeeld; de bedoeling is duidelijk.

Doodsoorzaken
Terug naar ons onderwerp. Waarom tasten wij zo hartstochtelijk naar de hand van God wanneer ons het leed van verlies van geliefden, in welke vorm dan ook, treft?
Waarom willen wij eigenlijk alléén maar Zijn naam daarbij noemen?
Zijn we dan blind voor die ellendeling van een dronken chauffeur die door zijn misdadig weggebruik de dood van ons kind op zijn geweten heeft? Dr Jager schrijft: "Dit is de grote leugen, de eigenlijke opstand tegen God, het verscholen ongeloof dat zich genesteld heeft in alle uithoeken van ons bestaan: dat wij de doodsoorzaken doodeenvoudig verbergen achter de geloofstaal der eenvoudigen". Maar opnieuw moeten we zeggen dat de gladde pen van dr Jager uitglijdt en vertekent.
Ook hier herkennen we onszelf beslist niet in. Er is geen sprake van het verbergen van de direct zichtbare oorzaken van de dood. Integendeel zullen wij, juist ook als christenen, zonder wrok en zonder haat en zelfs met de bereidheid tot vergeven (God sta ons bij!) meewerken aan een behoorlijke rechtsgang tegenover de verkeers-misdadiger.
We zullen ons daarbij niet in de war laten brengen door een zogenaamd 'christelijk' rechtsdenken (ook weer afkomstig van de moderne theologie) volgens hetwelk straffen evangelisch gesproken eigenlijk niet kan. Wij voelen niet voor verbloeming van de oorzaken, voor versuffing van het rechtsgevoel of voor verdoving van de verontwaardiging.

Hij alléén
Nee, maar het is net als bij de zonde. Wanneer David zich aan Bathseba en haar man Uria vergrepen heeft, zegt hij in zijn boetepsalm: "Tegen U, tegen U alléén, heb ik gezondigd ... " (Ps. 51 : 6).
Verwaarloost, bagatelliseert of ontkent hij daar zelfs wat hij mènsen heeft aangedaan? Zeker niet! Maar het is niet altijd op z'n plaats het daarover te hebben. Gesteld voor de verwoesting die zijn misdaad heeft aangericht, wendt hij zich tot de Enige die tegen het verschrikkelijke van zijn zonde is opgewassen, tot de Enige die door de vergeving de kracht van de zonde werkelijk kan breken. Zo nu ook wenden wij ons, tegenover de overmacht van de dood in welke vorm ook gesteld, tot de Enige die bewezen heeft hem aan te kunnen: God-in-Christus. In zijn hand en nergens anders willen wij de dood zien. Het is daarom dat we met Psalm 39 : 10 zeggen: "Ik ben verstomd, ik doe mijn mond niet open, want Gijzelf hebt het gedaan". Gijzelf. Gij alléén. Wij weten wel dat wij daarmee spreken als in een geheimenis - ook voor onszelf. Wij weten dat de Schrift in verband met het kwaad en de dood ook gewaagt van 'duivelen en goddelozen' (art. 13 N.G.B.) als euveldaders, maar in de mate waarin we door het leed verpletterd zijn, in juist die mate zien wij af van alle tussen-oorzaken en sluiten wij het gebeuren kort tot op Gods eigen arm en hand en vinger. Let dus wel, niet ondanks maar juist vanwege de nood van de dood belijden we Gods al-oorzakelijkheid.
Wat moeten we anders? Dit is toch werkelijk onze noodsprong? Daarom vertolkt zondag 10 van de Catechismus voor ons ook niet een boeren-gelofte voor rustige tijden, maar naarmate het leed drukt en schrijnt wordt aktueel wat daar staat, hebben we nodig wat we daar belijden. De woorden van zondag 10 zijn uitdrukking van ons toevluchtnemend geloof. En tegen wie ons dit afneemt, zeggen we rustig dat hij een ánder geloof heeft dan wij - een geloof waarmee we nooit, nooit 'samen op weg' kunnen gaan (om nu ook maar eens een duit in dat zakje te doen).
Maar laat ik niet vooruit lopen.
Volgende week nog iets, d.v.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief