God is ieder ogenblik nieuw - 2

1983-04-22
  • Jaargang 27
  • nummer 16
De vorige week introduceerden wij de "gesprekken met Edward Schillebeeckx" door Huub Oosterhuis en Piet Hoogeveen, een serie interviews naar aanleiding van de uitreiking van de Erasmus-prijs in 1982. Een van de drie initiatiefnemers tot deze publicatie had de vriendelijkheid, ons dit boek toe te zenden. We zijn er blij mee. Een van onze lezers - die zelf meer dan de helft van Schillebeeckx' werken bezit - was deze bundel echter tegengevallen: ze stond niet op E.S: wetenschappelijk niveau. Voor ons is dat een voordeel, want we zijn in pogingen Schillebeeckx te lezen, tot nu toe gestrand. Maar dit betrekkelijk kleine boek laat zich als een roman lezen. Het nodigt uit tot krachtig verzet en tot hartelijke bijval. Het inspireert ook de Bijbel nader te lezen. Het bouwt niet weinig aan uw geloofsleven.

Het zou te ver voeren, dit hele boek - laat staan de complete theologie van E. S. - te behandelen. Daarom willen we ons tot twee hoofdthema's beperken: hoe E. S. het christendom uitdraagt en wat E. S. over de Christus der Schriften zegt.

E. S. wil wel spreken over christendom, maar dan door praktisch aan te wijzen: hoe dat christendom uitgeoefend wordt. Anders blijft het dode theorie. Geen woorden alzo, maar daden kenmerken de christen.

Als student zag E. S. in het christendom niet meer dan doctrine: het kennen van God door middel van de R.K. catechismus. Maar in zijn vakanties ging hij sociologische boeken lezen, werd sociaal bewogen (18). Het eerste stuk opleiding, bij de Jezuïeten, maakte hem duidelijk dat een mens niet van beginselen kan leven. Maar bij de Dominicanen vond hij de combinatie van vroomheid en warm menselijk medegevoel. De sociale kwesties kwamen in theologisch licht te staan (20). Er groeide bij E. S. een sociale bewogenheid, welke hij aan studenten doorgaf, die werkpaters werden (28). De praktijk ging voorop - de theologie ontleedde deze praktijk, in zoverre ze geloofsdaad was. Niet de massale kerkorganisatie zou iets kunnen bereiken in Gods koninkrijk - maar de gelovige, in kleine leefgemeenschappen, moest initiatieven kunnen nemen (31).

Door zich te verdiepen in het leven van Jezus (34) en de reacties van zijn discipelen daar op, ging E. S. begrijpen: wat het volgen-van-Jezus betekent, hoe je christen kunt zijn. Hij zag dat de zaak van God de zaak van de mensen is (36). Daaruit concludeerde hij, dat God zich identificeert met de zaak van de mens - in het bijzonder van de onderdrukte, geknechte mens. Dat Hij is de God van de armen. Dat God daar is, waar aan de ontrechten recht wordt gedaan. En dat dit het koninkrijk Gods is.
Zit daar niet veel goeds in? Zegt ook psalm 146 niet kostelijke dingen over God: de gevangenen, blinden, gebogenen, uitheemden, weduwen en wezen nabij is? Toch, waar E. S. concludeert dat christendom alleen in liefde tot de armen bewezen kan worden, stellen we vraagtekens. Mozes leerde ons de rijke niet voor te trekken omdat hij rijk is, noch de arme omdat hij arm is. En Prediker waarschuwde ons, de rijke zelfs in het verborgene niet te vloeken. E. S. vergeet, dat er ook rijke christenen zijn, die zelfs zeer moeilijke opgaven krijgen!
Hij doet dat af met: de rijke jongeling moest álles weggeven, om het koninkrijk binnen te gaan. Ook de discipelen zeiden, álles te hebben prijsgegeven om de Heiland te volgen. Zeer terecht merkt hij op, dat wij kerkmensen zeuren over twee of drie procent van ons inkomen voor de kerk; maar noemt ook Zacheüs, die de helft van zijn vermogen weggaf (43) en ons daarin tot voorbeeld werd gesteld. Toegegeven dat er een groot verschil is tussen twee of drie procent - en vijftig procent; moeten we toch vast stellen, dat er een nog groter verschil is tussen vijftig en honderd procent, hetgeen door E. S. over het hoofd wordt gezien. Dat is niet erg, want het blijft symbolische taal, geen wiskunde. Maar als E. S. "het koninkrijk Gods nabij ziet komen" waar die bereidheid tot alles-weggeven gevonden wordt - daar is hij meer idealist dan realist; toch sympathiek en medemenselijk. En bepaald geen marxist.

We willen nog graag opmerken, dat de Bijbel ons meer facetten van het koninkrijk Gods geeft: de nederigheid, vergevensgezindheid, honger en dorst naar de gerechtigheid, gastvrijheid. Deze deugden vormen samen met onze mededeelzaamheid het koninkrijk Gods. Voor ons besef worden de lijnen van de Schrift hier door E. S. versmald tot een politiek engagement.
Dit blijkt vooral, waar zijn uitgesproken voorkeur voor het gebeuren in El Salvador naar voren komt. U herinnert zich dat daar het vorig jaar een aantal journalisten in een hinderlaag is gekomen: met name de Kamper theoloog Koos Koster is genoemd en geëerd als een martelaar voor het christendom. De dood van een communistisch guerillastrijder in El Salvador wordt nu door E. S., evenals de dood van Martin Luther King, "vanuit een christelijke interpretatie" (47) min of meer gelijk gesteld aan de dood van Jezus Christus; namelijk als levenspraxis voor de verdrukten.
Hier gaat - naar onze bescheiden mening - E. S. veel te ver. De dood van journalisten, die hun taak van nieuwsgaarders vergaten voor hun politieke vooringenomenheid, is nooit op een lijn te stellen met het zoenoffer van Gods Zoon. Laten we het duidelijk stellen: Koos Koster was politiek geëngageerd, toen hij zijn journalistieke opdracht in El Salvador aanvatte.
Gebruikmakend van rechten, door de regering verleend, ging ·hij in het geheim contacten aan met de anti-regeringsgezinde machten: hij aanvaardde hiermee het risico dat hij gecontroleerd, ontmaskerd en gestraft zou worden (hetgeen ons respect voor bedoelde journalisten niet wegneemt).
"Je wordt geoordeeld" gaat E. S. verder, "naar wat je gedáán hebt voor de minsten - en niet op je religieuze of ethische verantwoordelijkheid daarvan" (47,48). "De arme oordeelt in hoeverre wij solidair met hem zijn geweest. In Jezus identificeert God zelf zich met de arme" (48). "Maar in ieder geval lever ik me niet uit aan een marxistisch dogmatisme. Ik heb te zeer geleden onder de dictatuur van de kerk - ik ben allergisch geworden voor iedere vorm van dogmatisme" (88).
E. S. heeft dus (naar onze mening zeer juiste en Schriftuurlijke) kritiek op de kerk-organisatie, die het koninkrijk Gods in de weg staat. Daar spelen te veel problemen van geldmiddelen, gezag, celibaat, vrouwenrechten en dogma's een rol, dan dat de kerk als organum zich aan het recht der armen zou kunnen wijden. Hij verwacht meer van de "kritische gemeenten", die zich in ons land voordoen: los van de organisatie en niet gehinderd door ceremonie of dogmatisme, zich gevend aan wat hun hand vindt om te doen. Hij ziet de toekomst van de kerk niet in Europa of Noord-Amerika liggen. Het zal vanuit Latijns-Amerika en Afrika komen, meent hij (115). "Ze worden ook kwantitatief de meerderheid. Ze zijn natuurlijk nog financieel afhankelijk en dat maakt ze kwetsbaar. Maar zou er nu een concilie bijeengeroepen worden, het zou in feite een concilie zijn van bisschoppen uit de derde wereld. En dan zou blijken dat eigenlijk de Westerse bisschoppen het meest conservatief zijn" (116).

Het gaat om bevrijding van de mensheid, zegt E. S., wil het koninkrijk van God komen. "Het rijk Gods" kan "als gerechtigheid onder mensen gerealiseerd worden" (123). Daartoe hebben wij gelovigen een "innerlijke omkeer" nodig: "dat je kiest voor solidariteit met de anderen" (124).
Diegenen die door beoefening van Oosterse meditatie ,;bevrijding" zoeken, denken alleen aan eigen bevrijding - niet aan andermans vrijheid. "En dat was het bij Jezus. Hij heeft niet gevochten voor zijn eigen vrijheid, maar altijd voor de vrijheid van anderen" (124).

"Ik zie het hoe langer hoe meer zo: we hebben te zeer binnenkerkelijk over het heil gedacht. God realiseert het heil in de geschiedenis door mensen, nooit buiten de mensen om. Welnu, dát heil wordt gethematiseerd, gevierd, in de kerk. Geloof in God betekent voor mij: geloven in de universele heilswil van God" (126). Abraham werd door God de Heere uitverkozen om tot een groot volk te worden. Met dat volk verbond God zich, opdat het een licht in de wereld zou zijn. Maar het doel van God was duidelijk: Hij had de hele schepping, kosmos, zo lief, dat hij om die te redden zijn eigen Zoon heeft gegeven. Als God mensen uitverkoos, was dat nooit om anderen te verwerpen - maar juist om die anderen evenzeer te bevrijden. "In de joods-christelijke geschiedenis zie je hoe het heil slechts langzaam gegroeid is. Het ging eerst om het heil van afzonderlijke clans, dan om het heil van een verbond van twaalf clans, van een volk; en langzaam breekt het besef door dat dit volk in dienst moet staan van heel de mensheid: Sion, ten dienste van heel de wereld. Zo groeit het inzicht in de universiteit van Gods heil via particuliere gebeurtenissen in een langzame groei". "Zo kan ik ook begrijpen dat God dat ene volk uitverkiest, maar als dienst aan allen". "Uitverkiezing zonder universele dienstbaarheid is mij een gruwel" (138).

E. S. spreekt van een soldaat, die weigert een onschuldige dood te schieten, wetend dat een ander het dan zal doen, terwijl het hém tevens het leven zal kosten. "Een absurd en heroïsch gebaar". Maar de ethische grootheid van dat gebaar ligt in het geloof: dat recht zal zegevieren op onrecht.
"De godgelovige doet als de soldaat, maar vertrouwt de absurde gratuïteit (vrijwilligheid?) van dat gebaar aan God toe, die bron is van pure positiviteit, zonder enige ambiguïteit (dubbelzinnigheid)". "De godgelovige ziet in de overtuiging van het gelijk van het recht een ervaring van het bovenmenselijke, namelijk van de aanwezigheid van Gods absolute heilspresentatie, in dat mengsel van zin en onzin dat wij 'het menselijk bestaan' noemen" (133).

(slot volgt)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief