Rondom een rouwadvertentie - 2

1983-04-29
  • Jaargang 27
  • nummer 17
Niet teveel gezegd Van dr Jager met zijn artikel 'Een opstandige rouwadvertentie' voel ik mij, zo schreef ik vorige week, gescheiden door een ander geloof. Dat is veel, maar niet teveel gezegd. Ik leid dat overigens niet enkel af uit de opvatting die hij blijkbaar heeft aangaande de voorzienigheid Gods.
Daarvan zegt hij, zoals zovele anderen vandaag, dat 'wegnemen' niet Gods zaak is. Hier zit het bekende verhaal over de vallende mus van Mattheüs 10 achter dat in de theologische wereld van de afgelopen tien jaar de ronde doet. Ik mag daarvoor wel verwijzen naar mijn boek 'Bron en Norm', pag. 96 vv .
Maar op deze nieuwe voorzienigheidsleer valt toch bij dr Jager niet de hoofdnadruk. Die ligt op dit leven.
Zoals anderen vanuit hetzelfde denken haar leggen op deze wereld.
'Dit leven' en 'deze wereld', - dáár kiest God voortaan de kant dáárvan staat Hij. Dat de bijbel het, naar zijn einde toe in toenemende mate, heeft over het eeuwige leven en de nieuwe wereld van de toekomende eeuw wordt door dr Jager niet ontkend, maar het uitzicht daarop blijft opvallend achterwege. Nu zou men dat hieraan kunnen toeschrijven dat de aanleiding tot zijn reaktie gelegen was in de rouwadvertentie van iemand die jong, te jong gestorven is. Dr jager maakt zich boos over een te snelle berusting daarin. Dat is het aansprakelijke en het begrijpelijke van zijn artikel (al maakte wat ds Smelik schreef de opwinding niet nodig).
Maar dan komen er toch uitspraken die ver boven deze aardleiding uitgaan en van een te algemene strekking zijn, - uitspraken waarmee Jager zeer duidelijk verraadt waar het hart van zijn verkondiging klopt: "Maar de hele kerkelijke verkondiging staat nergens op, als zij deze verdrongen werkelijkheid" (bedoeld is de lijdzaamheid tegenover de dood) "niet aan de dag brengt", of: .Dät is 'bekering': zo leven dat we ons niet moedwillig in gevaar begeven. Het kwaad waarvan we ons moeten bekeren, is de vroegtijdige dood ... " Dit gaat veel te ver; hier spreekt de theologie van hen die geen deel dan in dit leven wachten'.

'Exegese'
Dat wordt helemaal duidelijk als je ziet van welk betoog de laatste aanhaling de conclusie is. Leest u even mee met het volgende staaltje van 'exegese' over de tekst "Als gij u niet bekeert zult gij allen evenzo omkomen" (Luk 13 : 1-5): "Meestal leest men in deze tekst het onbarmhartige dogma van een eeuwige straf. Maar dat kan Jezus niet bedoeld hebben. Hij sprak over een 'evenzo' omkomen: een gedood worden op dezelfde wijze alls verzetsstrijders, die niet beseffen dat hun gewelddadige werk wel moest uitlopen op een gewelddadig einde.
Hij zei niet: ze moésten wel omkomen omdat het hun tijd was. Zij hadden niet mógen omkomen. En, zegt Hij tot al zijn hoorders: u mag ook niet omkomen, u moet er alles aan doen om in leven te blijven.
Dat is 'bekering': zo leven dat we ons niet moedwillig in gevaar begeven ... " Tot zover deze 'uitleg', Verbazend: het 'evenzo' wordt hier uitgelegd als 'evenzo vroeg' of 'evenzo jong' en van de eeuwigheids-horizont in deze tekst blijft niets over! Enige bewondering voor de hieraan de dag gelegde vindingrijkheid is wel op zijn plaats. Bij een wedstrijd in het misverstaan van bijbelteksten (wanneer komt die eens?) zou dit moois beslist een prijs verdienen. Enfin, bij een volgende gelegenheid zullen we vanuit de hoek der moderne theologen wel weer eens een klaagzang horen over hoe veelduidig en dus onduidelijk de bijbel wel niet is. Maar voor mij staat vast dat er veel meer eenheid in de uit1llegvan de bijbel zou kunnen zijn, als de evangelie-dienaars eerst eens wat meer luisterden voordat zij spraken en lazen voordat zij schreven.

Luk. 13: 1-5
Als ik zulke 'exegese' lees dan denk ik: bijbel-uitleg wordt kennelijk een bezigheid die de theologen alleen nog voor hun achterban bedrijven, voor de goedgelovige gemeente dle nog ophoort bij de bekende klanken van de Schrift en derhalve langs die weg nog het gemakkelijkst te beïnvloeden is. Maar zelf hebben die theologen hun hoofd bij heel andere dingen dan bij de bijbel en het is dáárvoor dat zij hun mensen wilden winnen. Daarom geeft dr Jager natuurlijk ook de vindplaats van de passage die hij uitlegt niet op.
Stel je voor dat iemand daar zou gaan kijken! Dan zou hij ras stuiten op het onmogelijke van deze verklaring. Want zeer duidelijk, nietwaar, heeft Jezus het in dit stukje over Gods eindafrekening met het joodse bestel van die dagen.
Tegen de achtergrond daarvan bespreekt Hij om zo te zeggen twee krantenberichten. Het ene over de charge van Pilatus' soldaten op het tempelplein waarbij Gallilese doden vielen: een voorbeeld van wat mensen mensen kunnen aandoen, en het andere over het dodelijke ongeluk met de omvatlende toren van Siloam: een voorbeeld van wat ons niet (of zeer indirect) door mensen wordt aangedaan. De krant of het nieuwsbericht is door deze twee voorbedden inderdaad verregaand getypeerd. Het joodse publiek nam van het een zowel is van het ander rillend kennis. Daar was de schreeuwerige opmeak van het eerste bericht ook duidelijk op uit. Het is alsof je bij vs 1 De Telegraaf opslaat: 'wier bloed Pilatus met hun offers vermengd had'! Stel je voor: grote kop met dito foto en paginabreed: BLOEDSTROOM VAN OFFERS EN SLACHTOFFERS OP HET TEMPELPLEIN Maar Jezus merkte toch dat de mensen rillend en al neigingen vertoonden tot vrijblijvendheid en distantie - zoals dat gaat bij sensatie, Daar haalt Jezus ze bij vandaan en zegt dat zulke dingen die gebeuren voorboden zijn van het naderende einde dat over allen komen zal, omdat allen gezondigd hebben. De bijl ligt immers aan de wortel van de boom, zoals de direct volgende passage laat zien (vss 6-9). Dit is de zeer duidelijke boodschap van het Schriftgedeelte Luk. 13: 1-5. Verfoeit iemand die (als doemdenken bijvoorbeeld), laat hij het dan hardop zeggen. Maar geen geknoei met de bijbel alsjeblieft!

Dit leven - deze wereld
Het wordt mij steeds duidelijker dat het christelijk geloof in Nederland en Europa - nee, niet weg is maar wel meer en meer zijn bijbels karakter begint te verliezen. Het wordt een geloof in die God die voor dit leven en deze wereld kiest.
Zoals dr D. Sölle het geformuleerd heeft: “Ich gleube an die Zukunft dieser Welt Gottes" - "Ik geloof in de toekomst van deze wereld Gods". Dit geloofsartikel komt bij haar in de plaats van wat de kerk altijd met de woorden van Nicea beleden heeft: "Ik geloof het leven der toekomende eeuw". Dit leven, deze wereld, - voor de belangen dáárvan pleit de moderne theologie harstochtelijk, naarmate men ziet dat het er mis mee gaat. Zou het helpen? Ik vrees dat men het tegenovergestelde bereikt van wat men bedoelt, vanwege de zenuwachtigheid en de paniek die men ermee zaait. "Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden", zegt Jezus (Matth. 16: 25). Wij passen dit woord van Hem meestal op de enkele mens toe, en dat is ook met onterecht natuurlijk, maar het geldt ook van een cultuur. Als dit leven en deze wereld het enige is dat we hebben, dan komt er op ons omgaan ermee een ondragelijke spanning te staan. Dan móet alles wat er in zit er ook uit komen. Dan kunnen we over geen enkel verdriet en geen enkele tegenslag echt getroost worden, want van elk verlies geldt dan: voor eeuwig verloren.
Juist voor ons die door de bijbel de smaak der eeuwigheid te pakken hebben, is de verkorting van het perspektief die door de moderne theologie wordt aangebracht, rampzalig. Dat merken we nu nog niet meteen, omdat de oude bijbelse leer van het eeuwige leven en de toekomende eeuw nog nawerkt.
Maar wanneer deze eenmaal morsdood gezwegen zal zijn, zullen we de ogen opslaan voor de pijn van het gemis. Met andere woorden: de moderne theologie teert en parasiteert op het oude geloof dat ze bestrijdt, Zonder dat ze zelfs geen schijn van evangelie bij zich hebben. Maar het verraderlijke is dat haar échec pas duidelijk blijken zal als de generatie die de belijdenis der eeuwen nog gekend heeft is weggestorven.

Wetmatigheid
Maar moeten we dit tijdelijke leven dan maar verwaarlozen ten behoeve van de eeuwigheid? Hardnekkig misverstand! Mij valt op dat in de tijden dat de gedachte van het eeuwige leven sterker was dan nu, het aardse leven daar een ongezocht voordeel van ondervond. Neem bijvoorbeeld de eeuwen waarin de grote kathedralen werden gebouwd.
Wet hebben deze monumenten een gewicht van eeuwigheid, terwijl toch voor degenen die ze bouwden het leven sterk in het teken van de voorlopigheid stond! Is dat niet eigenaardig?
En daartegenover: wat dragen onze bouwsels dan het merk der kortstondigheid, terwijl nu alle kaarten op leven en overleven worden gezet! Zou zich hierin niet een geheime wetmatigheid kunnen openbaren?
Deze: wie het aardse leven op de voorgrond stelt, verliest niet alleen de eeuwigheid maar ook de tijd. Maar wie daarentegen mikt op het leven der toekomende eeuw, krijgt als 'bijproduct' het hier en nu in de schoot geworpen. Niet steeds als tijd van vrede en welvaart, maar wel als tijd van 'de moeite waard'.
Zoek eerst het eeuwige leven en het aardse leven zal u bovendien geschonken worden.

Jeruzalem
Daarom wil ik tenslotte een gelijkenis opstellen met de tijd dat de Here Jezus op aarde was. De mensen leefden toen wel niet in de schaduw van 'de bom' (het is niet ik maar dr Jager die dit onderwerp op het eind van zijn artikel onvermijdelijk ter sprake brengt), maar toch wel in de schaduw van Rome. En, meer gewelddadig of meer voorzichtig, het hele joodse gemenebest werd in toenemende mate beheerst door de vragen van leven en overleven.
De meer gewelddadige aanpak van de problemen ontmoeten we bij die Galileeërs van zopas uit Luk. 13, de bekende Zeloten, terwijl bij de joodse leiding (we horen die aan het woord in Joh. 11 : 48) de meer voorzichtige opstelling overwoog,verschillen die we ook onder de tegenwoordige aardsgezinden kunnen opmerken. Jezus baalde de mensen met zijn prediking bij dit 'leven en overleven' vandaan: Hij boodschapte het Koninkrijk dat niet van deze wereld is. En nu de vraag: wie heeft er meer voor het aardse leven bereikt, Jezus of de Joden? Stel daarvoor naast elkaar: de verwoesting van Jeruzalem en de gemeente van Jeruzalem.
- De verwoesting van Jeruzalem: heel de zucht tot leven-en-overleven heeft in het jodendom gezorgd voor een paniek die precies dat over het volk bracht wat het vreesde: het verschrikkelijke einde van 't jaar 70.
De gemeente van Jeruzalem: in de schaduw van haar ondergang heeft de stad in de eerste hoofdstukken van Handelingen de grootste charme van haar lange geschiedenis bereikt. Vrede was binnen haar muren, zij het ook: 'met vervolgingen' (Marc. 10: 28-31). De kerk hield het einde op.
Ik denk dat dit een boodschap inhoudt voor onze cultuur: "leder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, moor ieder die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden". Vinden - ontspannen woord vol verrassing! Vinden, straks - en nu ook al een beetje! Daarom zeg ik: laat de kerk het eeuwige leven en de toekomende eeuw prediken, óók terwille van dit aardse bestaan!
Met kerken die bij dat evangelie willen blijven, kunnen wij 'samen op weg'.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief