Een visioen van morgen, dat visie geeft vandaag!
1982-11-26
In Antiochië werden de volgelingen van Jezus voor het eerst christenen genoemd, zagen we vorige week. Maar waarom worden wij christenen genoemd?- Jaargang 26
- nummer 44
vraagt onze Catechismus in zondag 12. Het antwoord op die vraag wijst op onze geloofseenheid in de Geest met Jezus de Gezalfde. Niet alleen hier en nu, maar tot in eeuwigheid. Want wat is het vooruitzicht?Dat wij "hiernamaals" in eeuwigheid met Christus over alle schepselen zullen regeren!
In zulke sterke taal horen we tegenwoordig niet vaak meer spreken over "de toekomst van het Christendom". En toch heeft Jezus zelf deze toekomst op het oog in zijn gelijkenis van de ponden. Deze gelijkenis wordt immers door Hem gesproken vlak voor zijn intocht in Jeruzalem en dus vlak voor Pasen, het joodse bevrijdingsfeest.
Onder Romeinse bezetting. Er zit spanning in de lucht. Het krijgt zelfs de discipelen te pakken: ze verwachten, dat hun Heer nu Gods Koninkrijk openbaar zal maken. Nu gaat het dan eindelijk gebeuren, denken ze.
Maar dan laat Jezus in zijn gelijkenis een duidelijk "neen" horen. Hij ontkent niet, dat de koninklijke waardigheid Hem wacht, maar er moet eerst nog wat anders gebeuren. Hij gaat naar de hemel terug, om daar zijn koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen en Hij zal geruime tijd later terugkomen op aarde. En over de tussentijd gaat het nu in de gelijkenis. Die tussentijd zal lang genoeg en zwaar genoeg vallen aan zijn dienaren, die Hij achterlaat, midden tussen zoveel mensen, die niet willen, dat Jezus Koning wordt! En die daarom ook zijn dienaren en zijn volgelingen vijandig gezind zijn.
Maar Hij laat hen niet met lege handen achter.
Je zou denken, dat Hij hen met wapens uitrust om zich te verdedigen en stand te kunnen houden. Maar neen, ze worden niet met wapenen maar met ponden uitgerust. Dit Koninkrijk is niet van deze wereld: anders zouden Zijn dienaren voor Hem gestreden hebben. Ze krijgen ponden, d.w.z. ze krijgen opdrachten om mee aan het werk te gaan, ze krijgen het Evangelie en ze krijgen de Geest, die hen handelingsbekwaam maakt met het Evangelie. En daarmee mogen ze winst maken voor hun Heer! Een winst, die in mensenlevens bestaat. Niet in overwonnen en verslagen tegenstanders, maar in overtuigde en gewonnen aanhangers.
Daarvoor dient nu de tussentijd, tussen Christus' hemelvaart en wederkomst als Koning, omstuwd door hemelse heerlegers. In die tussentijd als christenen leven, dat betekent niet passief afwachten, maar actief verwachten. In dienst van de komende Koning. Maar ook met het oog op hun dienst stráks, in het Rijk van de gekomen Koning, eenmaal met Christus heersen over alle schepselen!
De dienaren kregen voor de tussentijd elk een pond. Dat is niet veel, maar wel elk evenveel. Ze worden niet overbelast, ze kunnen het wel aan. De ponden zijn voor ieder gelijk, maar ze zijn zelfs niet gelijk. Daarom maakt de een er meer winst mee dan de ander. Maar dat is niet zo belangrijk. Het komt voor ieder op trouw handelen aan met het toevertrouwde pond. De man, die er niets mee gedaan heeft, het alleen maar goed opgeborgen en zuinig bewaard heeft, wordt straks afgenomen wat hij heeft. Maar ,de anderen worden beloond met hoge posities in het Rijk van de Koning! Ze worden aangesteld als bestuurders van steden! Dat lijkt in geen enkele verhouding te staan tot de prestaties: pondensteden! Maar het gaat om iets groots: het Koninkrijk der hemelen! Als dat komt heeft de Koning ambtenaren nodig en ministers en bestuurders in zijn nieuwe Rijk: die hun trouw betoond hebben in het kleine, zal Hij aanstellen over het vele!
Daarvoor dient dus de tussentijd, de tijd, waarin wij nu leven. Als leertijd, oefentijd, stagetijd, proeftijd, opleiding voor het straks met Christus regeren over alle schepselen. Hoe zullen we straks een stad kunnen besturen, als we niet eens wat met een pond van de Heer weten te beginnen? Een pond is niet veel, maar het gaat niet om het vele nu, maar om het grote stráks! We worden uitgetest op klein terrein. Zijn we daar getrouw, dan kan de Koning ons straks gebruiken in zijn Grote Rijk.
Tegen zijn discipelen heeft Jezus eens gezegd, dat ze eenmaal zullen zitten op twaalf tronen en zullen richten de twaalf stammen van Israël. En tegen de christenen in Korinthe zegt Paulus, dat de heiligen straks de wereld zullen oordelen en dat het daarom zo ver beneden hun stand is als ze nu hun onderlinge kwesties aan aardse rechters voorleggen. Moeten inopleidingzijnde rechters en regeerders met Christus zich zó gedragen? Wat ons deel zal zijn in het komende Rijk staat dus niet los van ons leven van nu, met zijn verantwoordelijkheden en uitdagingen, met zijn strijd en beproeving. We leven tussen hemelvaart en wederkomst van onze Heer in de toetsingstijd en trainingstijd. Hoe zullen we steden kunnen regeren als we in ons eigen gezin nog geen leiding kunnen geven, en als we falen als ambtsdragers van de gemeente? Hoe zullen we met Christus kunnen regeren als we onszélf nog niet eens beheersen kunnen?
Ik las ergens de aanduiding van christenen als "heersers zonder land". Laat dat dan nu nog zo zijn, - maar daarom kunnen we ons toch wel vast oefenen in een koninklijke levensstijl en levenshouding? Zoals de kroonprins van een vorst in ballingschap toch de opleiding krijgt om koning te worden als de tijden veranderen. Jezus is ook begonnen als krullenjongen in de werkplaats van zijn vader,maar op 33-jarige leeftijd wordt Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde! En de weg van werkbank naar troon liep voor Hem over Golgotha. Indien wij in deze tussentijd "volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen" (2 Tim. 2 : 12).
Ik denk nu ook aan de werklozen. Geen werk. Met lege handen.
Maar als christen ben je nooit werkloos. Geen christen staat zonder pond in deze tussentijd.
Ook tijden van werkloosheid zijn opgenomen in de trainingstijd. Zelfs al sta je maatschappelijk gezien voor een muur: voor christenen loopt er een wèg van nu naar straks en staat de deur open...naar het visioen van het Koninkrijk Gods! Een visioen van wat komen gaat, dat visie geeft voor ons leven van nu. Geen opium maar tonicum voor Gods volk, zoals ds Harder deze week zei in de Middagpauzedienst.