Wij, zonder buidel uitgezonden (1)
1982-11-26
Er is in de afgelopen weken in ons blad veel geschreven over de gemeente, nl. door ds Plooy over de "leegloop der kerken" en door ds Moggré (in het nummer van 1 en 8 oktober) over de roeping van de gemeente. Wat ik aan beide artikelenreeksen toe zou willen voegen is in het opschrift van dit artikel kernachtig aangegeven. Het is een zin uit een gedicht van de heer H. M. van Randwijk. Het staat in een gedichtenbundel, die voor het eerst verscheen in 1934 "Op verbeurd gebied". Het is een gedicht dat Van Randwijk geschreven heeft in een gevoelde diepe verbondenheid met de gereformeerde kerken van vóór de oorlog. Het heet: - Jaargang 26
- nummer 44
Vergeefsche strijd
Wij, zonder geld op reis gegaan
en zonder buidel uitgezonden
om te genezen waar wij konden,
te zegenen waar andren slaan,
te vroeg vertraagde onze voet,
wij hebben ons te warm genesteld
en een weerbarstig fort gemetseld
rondom een volk dat trekken moet.
Wij noemden roof Gods overvloed,
wij lieten duizenden verdwalen
en logen Christus' bloed;
want ons verraad was Gods gebod,
Zijn orde wat wij steeds verzwegen,
totdat ons nest is doorgelegen en onze muur verrot.
Nu dringen zij bloeddorstig aan!
Hoe zullen we onze rust beschermen
tegen hun haat, tegen hun kermen
en z’ in Gods naam verslaan?
Maar weet, dat op verbeurd gebied
elk zwaard vergeefs wordt uitgetogen!
Want ons wachtwoord is gelogen!
Wij vragen naar soldij!
De meester wil ons niet!
Dit gedicht heeft een heel diep bewogen begin en een bitter eind. Het begin van dit gedicht legt precies de vinger op de zere plek van de gereformeerde kerken. Z6 heb ik persoonlijk ook in mijn opvoeding in de vrijgemaakte kerk de gemeente van Christus leren kennen. Wij hadden inderdaad een weerbarstig fort gemetseld rondom een volk dat trekken moest.
Het gaat mij in deze artikelen nu om dàt door Van Randwijk gegeven beeld van de gemeente van Christus. Zij is een gezondene. "Gelijk mij de Vader gezonden heeft, zó zend ik ook u." Dit woord lezen wij in Joh. 17 : 18 en in Joh. 20: 21. Het is door Johannes opgeschreven uit Jezus' mond. Deze woorden hebben betrekking op heel de gemeente. Ik herinner mij wel van vroeger hoe ook deze woorden eens door een dominee werden toegepast op de ambtsdragers alleen. Zeker: al is de Heere Jezus deze woorden uitspreekt, dan richten zij zich in eerste zin op de discipelenkring, (die in Joh. 20 : 19 veel breder was dan de twaalf discipelen: die kring moet uit ongeveer 120 jongeren hebben bestaan...), maar in de discipelen richt Jezus zich tot de hele gemeente, die uit dit kleine begin zou voortkomen. De apostolaire roeping wordt niet overgedragen aan enkelingen, ambtsdragers, maar aan de gehele gemeente. Daarom zeiden de reformatoren: eigenlijk hebben de ambtsdragers in de kerk niets anders dan een verbijzondering van een ambt, dat alIe gelovigen bezitten. Hier zijn wij na de katholieke middeleeuwen dank zij een werk van Gods Geest weer op het goede bijbelse spoor gekomen. De gemeente in zijn geheel is geroepene en gezondene en ieder gelovige is ambtsdrager.
Het was vooral A. Kuyper die dit benadrukte en uitwerkte, door te zeggen: ieder gelovige is profeet, priester en koning, in de diep bijbelse zin waarin het door de Heid. Cat. in zondag 12 vr. en antw. 32 wordt uitgewerkt: "Waarom wordt gij een christen genoemd? Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus ben, opdat ik Zijn naam belijde (dat is het profetische ambt), mijzelf tot een levend dankoffer hem offere (dat is het priesterlijke ambt) en met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde om hierna in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren (dat is het koninklijke ambt). De catechismus vindt het verder trouwens niet eens nodig om het nog eens over de bijzondere ambten te gaan hebben, want die zijn niets dan een dank zij bijzondere geestesgaven gegeven toespitsing van dit algemene ambt.
Wie dit alles tot zich door laat dringen gaat totaal anders tegen de gemeente van Christus aankijken. Die ziet niet langer de 'ambten' in nauwere zin als het eigenlijke - a.h.w. het middel waardoor God werkt...en de gemeente als het doel, waarin Gods activiteit uitmondt, maar die gaat naar de gemeente zelf kijken als
het middel waardoor God werkt in deze wereld en...de wereld als het doel.
Ook hier stuiten wij weer op een heel fundamentele bijbelse grondlijn van denken over de gemeente. Zij mag, geënt op de oude stam van Israël met Israëls grote Zoon, meewerken aan de vervulling van de belofte al aan Abraham gegeven: en door u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Gen. 12: 1-3. Gods oudste zoon - Israël - komt volgens Rom. 11: 11 ook nog wel weer aa nbod (dat is een ander verhaal) maar wij mogen Gods jongste Zoon zijn en nu met Christus en in Hem en door Hem meewerken aan het uitdragen van Gods liefde en heil in deze gevallen en verloren wereld.
Dit vinden wij in den brede zó geleerd in het N.T. bijv. in Filippenzen 1 : 27 waar Paulus de gehele gemeente beschrijft als: medestrijdend voor het geloof in het Evangelie in 2 : 18: Gij schijnt als lichtende sterren in deze wereld (niet de ambtsdragers, maar de hele gemeente) vgl.
1 Petrus 2 : 9 waar Petrus de hele gemeente aanspreekt en zegt: Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gods ter eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis geroepen heeft tot een wonderbaar licht. Zo heeft de vroegchristelijke kerk zichzelf ook verstaan, want van heel de gemeente, heeft' het Woord van de Here weerklonken, niet alleen in Achaje en Macedonië, maar allerwege (zie 1 Thess. 1 : 8). In die tijd waren de meeste christenen leden van een lage stand die hard moesten werken en weinig mogelijkheden hadden om erop uit te trekken of extra tijd te geven voor evangelisatiewerk en toch is juist toen de gemeente in een ijltempo gegroeid door het eenvoudig getuigenis van al haar "gewone"
leden en niet door speciale geroepenen.
Dat getuigenis bestond niet alleen uit woorden, maar ook niet alleen uit daden. Het is in de bijbel beiden ineen. Ook verder dienen wij het N.T. vanuit deze grondlijn> Israël> gemeente> wereld te verstaan. Als Jezus in Matth. 10 de twaalven erop uitstuurt of in Luc. 10 de zeventig - met als roeping het evangelie te brengen allereerst aan de verloren schapen van het huis lsraëls - en pas daarna in Matth. 28 (het slot) "aan alle volkeren der aarde", dan is dat geen opdracht die alleen maar voor speciale geroepenen geldt, voor zendelingen of dominee's, maar dan staan de zeventig en de twaalf daar als aanduiding van de gemeente van Christus in knopvorm.
Ook in de Efezenbrief wordt bij de wapenrusting die alle christenen moeten dragen geschreven: de voeten moeten geschoeid zijn met de bereidvaardigheid van het evangelie van de vrede.
Wie hier verder naar bijbelgegevens zoekt in het N.T. raad ik aan te lezen Matth. 5 : 16, 10, 22: 9, 28, Joh. 17,20: 19-23, Ef. 6 : 19, Phit 1 : 27, 2: 18, Col. 4: 3 e.v., 2 Thess. 3: 2, 1 Petrus 2 : 9, 3 : 15,4 : 11 en Openb. 11.
Natuurlijk moet geen van deze grote opdrachten individualistisch worden opgevat alsof ik per definitie de roeping zou hebben naar Irian Barat te gaan. Maar waar een zendeling naar het voormalig Nieuw-Guinea gaat daar ga ik in hem. Daar gaat in de ene het geheel. Daar beweegt zich het lichaam van Christus. Waar Billy Graham het evangelie brengt in Dresden daar staat niet zomaar een speciale geroepene, daar staat in die ene het lichaam en als zich één lid begeeft onder de verloren schapen van het volk van Nederland, dan gaat in die ene het lichaam. Dan voldoet die ene bijzondere mens, de roeping die aan het geheel gegeven is. Maar aan die roeping die aan het geheel van de gemeente gegeven is mag niemand twijfelen, nl. dat zij het evangelie van Jezus Christus en Zijn heil moet uitdragen aan de verloren schapen van het huis Israëls èn aan alle geslachten der aarde. Misschien vraagt u zich nu af waar ik eigenlijk heen wil met dit betoog. Dat zal ik u duidelijk maken nadat ik eerst weer teruggekeerd ben tot het gedicht van Van Randwijk.
Hij is gekwetst geworden door een kerk die naar binnengekeerd was, die vocht om binnenkerkelijke problemen en intussen het gewichtigste van het Evangelie vergat, nl. te genezen waar wij konden.
Te zegenen waar anderen slaan.
Dat zou de beweging moeten zijn van heel de gemeente van Christus: gezonden om het heil uit te dragen. Van Randwijk eindigt bitter: wij hebben het zó verzondigd dat de Meester ons niet meer wit Ook dat is typisch gereformeerd. Om zodra wij ons falen inzien, weg te zinken in een minderwaardigheidscomplex. Hoeveel gemeenten in ons eigen midden heb ik niet iets soortgelijks haast voelen denken. Als ik bijv. vertelde over l' Abri-werk. Dat was heus nooit een triomfantelijk verhaal. Toch kwam er vaak een echo terug in deze stijl. Zo van: fijn dat er zulke dingen gebeuren, maar voor ons is het niet weggelegd.
Zowel het verlies van het besef: gezondene te zijn als ook de minderwaardigheidsgevoelens, (zodra ons grote tekort en onze schuld wordt ingezien), die beiden moeten onder ons voortdurend bestreden worden. Vanuit het evangelie. Tegenover het eerste kwaad stellen wij de duidelijke opdracht 'Gaat dan henen...' aIs een opdracht voor de gehele gemeente. Matth. 28 : 19. Tegenover het tweede stellen wij de duidelijke vertroostende belofte: En zie, Ik ben met u, alle dagen...' Matth. 28 : 20.
Zonder deze grondlijn van bijbels denken over de gemeente kan ik niet zeggen wat ik u nu vervolgens wilde schrijven met name over de artikelen van ds Moggré over evangelieverbreiding in de nummers van 'Opbouw' van 1 en 8 oktober.
U leest daarover een ingezonden stuk van W. van Egmond uit Schiedam in dit nummer. Zelf wil ik graag samen met ds Moggré nadenken over wat ik in dit artikel geschreven heb. Hij heeft in zijn artikelen namelijk de sterke indruk gewekt als zou evangelisatiewerk niet behoren tot de roeping van de gehele gemeente. Onder het hoofdje: de gehele gemeente geroepen? (met een vraagteken) zegt hij: (citaat) "Nergens lees je dat de gemeente als geheel wordt aangesproken op een roeping of taak tot verkondiging van het Grote Nieuws".
Zeker, zegt ds Moggré, wij lezen wèl in de Schrift dat de Heer er steeds enkelingen op uitzond, Paulus, of de twaalven, maar (en dan citeer ik weer:) "ik ken in de brieven niet één opwekking aan de betreffende gemeente om actief bezig te zijn in de verbreiding van het Evangelie. Noch Paulus, noch een van de andere briefschrijvers dringt erop aan, toch vooral werk te maken van deze evangelieverkondiging" (pag. 288). Ook in hte tweede artikel lees ik: "Er is geen algemene roeping tot opzettelijk verbreiden van het evangelie onder diegenen, die "buiten zijn". De Schrift weet daar niet van" (pag. 295). Wie het voorgaande goed gelezen heeft begrijpt hoe groot de kortsluiting is die deze woorden bij mij te weeg brengen. Maar voordat ik misverstanden oproep - of in een verkeerde stijl van polemiseren zou vervallen, (daarvoor is de zaak mij te heilig) heb ik eerst dit artikel aan ds Moggré toegestuurd. Ik zal hem zeker ook aan het woord laten of u zijn reactie meedelen, nadat ik in een volgend artikel wat breder op zijn uiteenzettingen ben ingegaan.