Evangelieverbreiding
1982-11-26
In de nummers 36 en 37 van "Opbouw" mocht Ds A. J. Moggré een inleiding over Project '82 publiceren, die hij had gehouden voor een bijeenkomst van kerkenraden. Die inleiding bekritiseert Project '82 zeer scherp. Hoewel ik in verschillende opzichten niet sympathiseer met bovengenoemd project, heb ik toch ernstige bezwaren tegen het stuk van Ds Moggré. Vooral op twee punten.- Jaargang 26
- nummer 44
Afval en schuld
Over het eerste punt kan ik kort zijn. Ds Moggré ziet de grote afval. Hij ziet dat God zovelen passeert met zijn heil. Hij vindt dat moeilijk te verwerken. Maar hij eerbiedigt evenals de profeet van 2 Kron. 25 "dat God besloten heeft bepaalde zondaren in het verderf te storten. Hij vindt daarom dat je maar niet bij alle soorten van mensen mag aankomen met de boodschap: "Er is Hoop".
Ik wil dat niet betwisten, maar ik mis in deze denkwijze toch iets. Als we het over zo iets vreselijks hebben, moeten we toch wel weten, dat wij degenen voor wie geen hoop meer is, niet persoonlijk kunnen aanwijzen.
Maar vooral ook dat wij als christenen schuldig staan aan de vervreemding van veel mensen van de kerk. Die schuld is er immers: vaak in onze houding, soms door de manier van preken en van verschillen op de spits te drijven, waardoor onderlinge twisten en scheuringen ontstaan.
Daar zou nog veel over te zeggen zijn.
Roeping
Het tweede punt is nog belangrijker. Op velerlei manier betoogt Ds Moggré dat, wie het evangelie gaat preken door God moet zijn geroepen. De meeste mensen uit de gemeenten zijn daarvoor niet door God gewild.
Er is geen tijdloze opdracht voor iedereen om te prediken. Men kan alleen prediken, als er een onopzettelijke, ongezochte gelegenheid zich voordoet, waarbij de roeping tot stand komt en daarom: In de Gemeente zij er een voortdurend gebed om vele van zulke gelegenheden.
Op dit punt is het goed om er op te wijzen, dat het met die roeping maar niet zo gaat, als bij alle voorbeelden die Ds Moggré aanhaalt. Er is geen Gemeente meer waarin, na gebed de Heilige Geest klaarlijk laat weten: "Zondert Mij die of die af, voor het werk, waartoe Ik hem geroepen heb."
Van de Gereformeerde preekstoelen zal vaak zijn gepredikt: "De Heilige Schrift is voltooid, we kennen Gods wil daaruit; we mogen niet meer op bepaalde boodschappen uit de Hemel rekenen." Uittrekken, om de prediken zal nu gebeuren na het gebed: "Here wilt Gij met ons zijn en onze pogingen zegenen?"
Toen de elven bij de hemelvaart van de Heer Jezus hun opdracht hoorden: "Gaat dan henen en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen", strekte die opdracht tot prediken zich uit tot aan de voleinding der wereld. Zij wisten dus dat anderen hun werk moesten voortzetten. Dat is gelukkig ook gebeurd, maar er zijn (behalve voor Paulus) geen stemmen uit de Hemel meer gekomen. De Heilige Geest werkt wel voortdurend in de Gemeenten en daarom is het heerlijk dat het werk door de Kerk ook zonder dat (ik citeer Ds Moggré) "Hij het je duidelijk aanwijsbaar en vertelbaar op de handen zet of voor de voeten legt" doorgaat. En dat doorgaan komt, dunkt me, toch echt omdat velen lust hadden om hun leven in dienst van de prediking te stellen, en al werkende Gods Zegen ondervonden. Dat kun je niet een "eigenmachtig naar je toehalen" noemen.
Evangelisatie
Daar dus het brengen van het Evangelie mag gebeuren door gelovigen die daar lust toe gevoelen en het biddend doen, de Zegen van de Heer verwachtend, doen we het best ons niet afkeurend uit te laten over zulke predikers.
Het afkeurend spreken in onze kring over Evangelisatie moet eens ophouden.
Er zijn gelukkig Gemeenten, die hun best doen, om de buitenstaanders te laten weten, wat er binnen de muren van hun kerk gebeurt, die aan kinderen proberen uit de Bijbel te vertellen. De Gemeente probeert dan ook in dit opzicht een lichtend Licht of een zoutend Zout te zijn.
Men klaagt al vanaf vroeger tijden over weinig resultaat. Maar als slechts één zondaar zich bekeert is er al vreugde in de Hemel! En misschien zouden de vruchten al meer worden, als de schriftgeleerden meewerkten en middelen bedachten, om arme onwetenden te bereiken! En dan vooral niet te gauw werk van anderen onder een vernietigend oordeel laten vallen. Hierbij valt nog te denken aan het antwoord van de Heer Jezus aan zijn leerlingen, die een duiveluitdrijver, die Jezus niet volgde, het zwijgen wilden opleggen: "Wie niet tegen ons is, is voor ons." En vooral aan Paulus in Filippenzen 1: "Sommigen prediken uit nijd en strijd, om met zelfzuchtige en onzuivere bedoelingen mijn boeien daardoor te verzwaren." "Hoe dan ook: Christus wordt verkondigd en daarover verheug ik Weest barmhartig jegens twijfelaars; redt hen door hen uit het vuur te rukken! (Judas 22, 23).