Naar een eenheid waar je stil van wordt... (slot)

1982-12-03
  • Jaargang 26
  • nummer 45
De eenheid van de gelovigen door de Geest (22 - einde)
Wanneer Jezus in vs. 22 spreekt over zijn heerlijkheid: "En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven", denkt men veelal aan de heerlijkheid waarom Jezus gebeden heeft (1 en 5) en waarover Hij ook spreekt als Hem door de Vader gegeven in vs. 24. Maar het lijkt me niet waarschijnlijk, dat Jezus hier bedoelt de heerlijkheid, die Hij als loon op het Middelaarswerk ontvangt (zo prof. Grosheide o.a.), maar de heerlijkheid die Hij ontving met het oog op zijn Middelaarswerk, zoals dr Bouma in de Korte Verklaring wil, waarbij hij verwijst naar 1 : 14 en 2 : 11. En verder denkt Bouma dan aan 2 Kor. 3 : 18. Ik zou allereerst willen denken aan de nederdaling van de Geest op Jezus bij zijn doop. Die doop zelf wordt door Johannes niet beschreven, wel in de drie andere Evangeliën. Maar op 2 plaatsen lezen we in ons Evangelie van het getuigenis dat Johannes de Doper geeft omtrent deze nederdaling van de Geest op Jezus. En die geven een belangrijke aanwijzing. In 1 : 33, 34 lezen we dat God tegen deze Johannes had gezegd: "Op wie gij de Geest ziet nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de heilige Geest doopt. En" - zo vervolgt Johannes dan: "ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is". DH getuigenis werkt Johannes de Doper verder uit, wanneer zijn eigen discipelen hem er op wijzen, dat Jezus doopt "en allen gaan tot Hem" (3: 26). Hij antwoordt dan in termen die geheel doen denken aan het begin van Jezus' gebed (17: 2), waar het gaat over de macht, de bevoegdheid die de .Vader aan de Zoon heeft gegeven om eeuwig leven te schenken. We zouden ook kunnen zeggen, over de heerlijkheid die de Vader aan de Zoon ter volbrenging van zijn werk heeft geschonken. Het antwoord luidt nl.: "Wie God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want Hij geeft de Geest niet met mate. De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven. Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven" (3 : 34,35).
Zo toegerust door God is Jezus in de wereld gezonden. Nu worden de discipelen, evenzo toegerust, door Jezus in de wereld gezonden, zoals we in vs. 18 lezen. En zoals daar staat: "Ik hèb gezonden", zo hier: "de heerlijkheid ... hèb Ik hun gegeven".
Misschien is u nog niet overtuigd, dat met "heerlijkheid" hier de gave van de Geest wordt bedoeld.
Dan heb ik een aardig argument. Prof. Grosheide, die in vs. 22 denkt aan de heerlijkheid, die Christus ontvangt na volbrengen van zijn werk (zie boven), merkt bij 3 : 35 op, dat Johannes hier predikt de heerlijkheid van het vleesgeworden Woord en dat hij dit doet "in zeer nauwe aansluiting aan hetgeen hij bij Jezus' doop had gehoord en gezien". Ben onverdacht getuige, dat ik niet aan inlegkunde heb gedaan bij mijn verklaring van 3 : 35.
Maar er is meer. Er volgt weer drie keer 'opdat’ (zie Statenvert.; de vert. NBG heeft weer de tweede keer 'dat') en dat geeft bij de gebruikelijke opvatting van 'heerlijkheid' wel problemen.
Immers, dan is moeilijk te verklaren, waarom Jezus bidt: "opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn". En bovendien lijkt dan vers 23 louter een herhaling van vs. 21 (zie prof. Grosheide: "Vs. 23 begint met belijdenissen en herhalen"), terwijl, als men denkt bij 'heerlijkheid' aan het geven van de Geest, volkomen duidelijk is, waarom Jezus na "gelijk Wij" thans een andere volgorde kiest dan in vs. 21. Hij begint bij: "Ik in hen", wat toch wel betekent: door de Geest. Zoals terecht velen 14 : 18: "Ik kom tot u" uitleggen als: door het zenden van de Geest. Vergelijk ook 16 : 16-24. "En Gij in Mij". In en met Jezus zal ook de Vader in de gelovigen wonen, vgl. 14: 23: ,,(als iemand Mijn woord bewaart) zal Mijn Vader hem liefhebben en Wij zuilen tot hem komen en bij hem wonen", waar prof. Grosheide opmerkt: "Niet alleen Jezus zal komen, ook de Vader, het verband leert, dat dit een komen is in de Heilige Geest(!), die de Geest des Vaders en des Zoons is". Geen wonder dat het doel hiervan is, in volkornener vorm dan in vs. 21: "opdat zij volmaakt tot één zijn". En dat ook het derde opdat eindigt met de uitbreiding, vergeleken met vs. 21: "opdat de wereld erkenne... dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt".
Hierbij sluit dan vs. 24 zich geheel aan, ook daarin dat nu 'heerlijkheid' een andere betekenis heeft dan in vs. 22. Hier spreekt Jezus, bij de afsluiting van zijn gebed, over de heerlijkheid die Hij als loon op zijn Middelaarswerk ontvangen zal, waarom Hij aan het begin van zijn gebed heeft gevraagd, Zie daarvoor de parallel "eer de wereld was" (5) - "vóór de grondlegging der wereld" (24). En verder: Jezus heeft om zijn werk te volbrengen van de Vader heerlijkheid gekregen en die heerlijkheid heeft Jezus aan de gelovigen gegeven om dat werk voort te zetten (22). Maar na het volbrengen van zijn werk heeft de Vader aan Jezus grotere heerlijkheid gegeven, want "Gij hebt Mij liefgehad" (24). En zoals vs. 23 leerde: "dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt", zo vraagt Jezus nu ook, dat de gelovigen straks zijn heerlijkheid mogen aanschouwen en daarin ook zei! tot grotere heerlijkheid komen. Ook in de laatste verzen denkt Jezus aan het bekend maken van Gods naam in de wereld.
Hij zelf heeft dat gedaan, maar "de wereld kent U niet", anderzijds echter "dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt" (25). En opnieuw doelt Jezus op het werk van de Heilige Geest: "Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken" (26). Had Jezus hun niet beloofd, dat de Heilige Geest hun "de weg zal wijzen tot de volle waarheid" (16 : 13)? Daarbij mogen we opnieuw bedenken, dat we die waarheid niet beperken tot de leer (zie slot artikel 3). In onderscheiding van de verzen 21 en 23 spreekt Jezus nu niet meer van een doel met betrekking tot de wereld, maar Hij besluit zijn gebed met te vermelden de zegenrijke werking van de Geest voor de gelovigen: "opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen". U ziet, met welk een liefderijke zorg Jezus de zijnen na zijn heengaan tot de Vader blijft begeleiden. Hij schenkt ons zijn Geest, Hij beoogt daarmee dat de liefde van de Vader in ons blijft en ook - zijn laatste woorden in het gebed - Hij in ons. Zo zijn we volkomen veilig onder de hoede van de Drie-enige God.

Naar een eenheid...waar je stil van wordt
Na de uitvoerige uitleg behoeft het opschrift boven de artikelenreeks slechts weinig toelichting.
Na we begrepen hebben, wat Jezus bedoelt met "opdat ook zij in Ons zijn" en omgekeerd "Ik in hen en Gij in Mij... de liefde van de Vader in hen en Ik in hen", moeten we dan van zulk een eenheid niet stil worden? Wat wordt hier over geheel andere zaken gesproken dan waarover wij in alle contaoten, vergaderingen en congressen bezig zijn, om tot eenheid tussen kerken te komen! Ja, tot eenheid te komen, één te worden. Maar Jezus bidt "opdat zij één zijn". Ligt ook daarin een aanwijzing, dat wij het vraagstuk van de kerkelijke eenheid op een verkeerde wijze benaderen?
Het lijkt van wel. Want in het algemeen wordt over die "geboden eenheid" gehandeld en beslist op vergaderingen van ambtsdragers. Hetzij in classes en synoden, hetzij in contactvergaderingen en congressen. En daarna moet dan het kerkvolk op de hoogte worden gebracht en er op voorbereid, opdat de gelovigen één worden.
Nu hebt u natuurlijk een vraag aan mij. Het opschrift begint nl. met de woorden: Naar een eenheid. Daarin ligt toch ook een worden? Mijn antwoord is: oorspronkelijk stond er als ondertitel: Schriftstudie over Johannes 17 en Efeze 4. Maar de behandeling over Efeze 4 moest vanwege de lengte (voorlopig?) vervallen.
En ik heb dan ook enkele malen overwogen nu ook het voorzetsel 'naar' door te halen. Uiteindelijk heb ik besloten dit niet te doen. Om de volgende redenen. Ook van het één zijn geldt, dat wij in wat God ons belooft, hebben wat we nog niet hebben. In Efeze 4 : 3 vermaant Paulus de gelovigen "de eenheid des Geestes te bewaren". Die eenheid is dus gegeven, maar de gelovigen moeten zich laten regeren door de Heilige Geest, "opdat zij volmaakt zijn tot één" (Joh. 17: 23). In zoverre kan men spreken van "Naar een eenheid". Bovendien spreekt Efeze 4 ook van een "groeien' van de gelovigen "in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam...naar de kracht, die elk lid· op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde" (15, 16).
Ik kan dat thans dus niet nader uitwerken. Slechts 2 opmerkingen: 1. Er wordt gesproken van: "naar de kracht die elk lid op zijn wijze oefent" (vgl. vs. 13: "totdat wij allen de eenheid des geloofs bereikt hebben" en 1 Cor. 12 : 12-31).2. Paulus werkt de gedachte van vs. 16 uit in vermaningen, waarvan de inhoud door een opschrift in de vertaling NBG terecht wordt gekarakteriseerd als: "De nieuwe levenswandel". Ligt daarin niet de aanwijzing, dat wij, indien wij voortgaan naar deze vermaningen te luisteren en te leven, de eenheid der gelovigen ook gerealiseerd mogen zien, steeds meer?
En wat de eerste opmerking betreft, "elk lid op zijn wijze", moet dat ons niet voorzichtiger maken alles in één organisatorische vorm onder te brengen? Bij de zending leren we, dat elk volk op zijn wijze, bijv. in liturgie, de Here lof zingt en dient. Maar in ons land willen we vaak alles binnen de landsgrenzen, van de Schelde tot de Dollart, uniform tot het gebruiken van dezelfde lofzangen verplichten, Waarschijnlijk wijst Paulus ons in Phil. 3 : 15 een betere weg.
In het opschrift sprak ik van een "eenheid waar je stil van wordt". Ook dit laatste artikel wil ik eindigen met een citaat, dat geheel overeenkomt met het slot van Jezus' gebed en dat door een opschrift in de vertaling NBG wordt gekarakteriseerd als "De overweldigende liefde van Christus". Ik bedoel Ef. 3 : 16-20, dat Paulus schrijft ter inleiding van zijn behandeling van de eenheid der gemeente: "opdat (de Vader) u geve, naar de rijkdom van zijn heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met al de heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en wordt tot alle volheid Gods (d.i. die God werkt)".
diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld

Rectificatie - In het vierde artikel: "Naar een eenheid…" viel een deel van een zin weg op pag. 352, 2e kol., reg. 12.
Men leze: "...een uitwerking is van wat in vs. 4 gezegd wordt: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde". En de zo juist aangehaalde verzen...kunnen ook nu ons van dienst zijn."
In de laatste alinea van de 3e kolom leze men: "...hoe de gelovigen door de Vader en de Zoon bekwaamd worden tot deze taak".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief